Endert [jr.], Dirk Christiaan (1879-1951)

 
English | Nederlands

ENDERT [JR.], Dirk Christiaan (1879-1951)

Endert [jr.], Dirk Christiaan, directeur van een scheepswerf (Heemstede 30-1-1879 - Noordwijk 30-3-1951). Zoon van Dirk Christiaan Endert, hoofdinspecteur van de machinedienst bij de Gemeentelijke Drinkwaterleiding van Amsterdam, en Johanna Margaretha Wolter. Gehuwd op 9-6-1910 met Sophia Maria Ooms. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

afbeelding van Endert [jr.], Dirk Christiaan

Endert heeft zijn roeping en vorming gevonden in het duingebied van de Amsterdamse Waterleiding onder de inspiratie van zijn vader. Hij behaalde het eindexamen HBS te Haarlem in 1898 en ontwikkelde zijn technische aanleg door zelfstudie op cursussen en met soortgelijke lessen. De fabriek van Werkspoor aanvaardde in 1899 deze autodidact als volontair. Niet zo heel lang na zijn twintigste jaar wist hij daar een leidende rol te gaan spelen als drijvende kracht bij de ontwikkeling van dieselmotoren.

Op 1 november 1914 stapte Endert naar Rotterdam over. In die jaren waren de leidende posities op de Nederlandse scheepswerven vooral nog in handen van Engelse en Schotse technici. In het genoemde jaar zag de in 1902 opgerichte Rotterdamsche Droogdok Maatschappij een deel van deze staf overgaan naar een door een groep van Engelsen huize opgerichte concurrerende werf. Zij zocht toen versterking door het aantrekken van de veelbelovende technicus uit Amsterdam als hoofdingenieur werktuigbouw. Deze aanduiding was bepaald geen wetenschappelijke titel, Endert had immers nooit een instelling van hoger onderwijs bezocht, doch eenvoudig een feitelijke aanduiding van zijn werkkring. Overigens bleek de Droogdok Maatschappij met Endert een man van ongekende veelzijdigheid te hebben verworven: op een geheel ander terrein van praktische werkzaamheid dan waarop hij zich voordien had bewogen ontwikkelde hij zich tot een specialist op het gebied van scheeps- zowel als werktuigbouw, om nog te zwijgen van activiteiten op nevengebieden.

De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij beleefde in 1918 weer een kritiek ogenblik door het op betrekkelijk jeugdige leeftijd overlijden van de heer M.G. de Gelder, medeoprichter en directeur. Een ogenblik dreigde overheersing door een verwant bedrijf, doch ten slotte werd de voorkeur eraan gegeven de leiding te leggen in handen van eigen medewerkers, de heer A.F.J. Dijkgraaf en Endert jr., terwijl kort daarna A. Knape, die eerder de werf voor een positie elders verlaten had, weer werd aangetrokken.

Endert toonde zich een bekwaam bedrijfsleider bij de ingrijpende modernisatie van de werf. Hierbij wijdde hij zijn aandacht zowel aan de mechanische uitrusting als aan gebouwen, transportmiddelen, dokken en waterbouwkundige voorzieningen. In de jaren dertig zette hij ook zijn volle werkkracht in ter bestrijding van de verlammende economische crisis, een inspanning, die werd beloond met de kiellegging op zijn werf van de Nieuw Amsterdam, die daar op 10 april 1937 te water werd gelaten.

Endert deed zich naar buiten kennen als een streng, zwijgzaam en weinig plooibaar man, wiens werk zijn gehele leven vulde. Hij had zelfs een eigen tekenbord waaraan hij thuis in zijn vrije tijd kon werken. Zelfs in de auto die hem naar zijn kantoor en werf reed, handelde hij administratieve zaken af. Hij kreeg voor dit laatste te meer gelegenheid, toen hij zich in 1931 metterwoon te Noordwijk vestigde. Endert was ook een trouwe en rechtvaardige steun voor allen die in zijn levenshouding met hem medestreefden. Na de oorlog zou hij tonen mild te kunnen oordelen ten aanzien van vakgenoten aan wie naar zijn gevoelen niet geheel terecht verwijten over hun houding in die moeilijke jaren werden gemaakt. Zelf had hij tijdens de bezetting de medewerking van zijn onderneming met succes weten te beperken.

Buiten eigen bedrijf was hij slechts in bepaalde mate actief. Voornamelijk zette hij zich in voor de bevordering van samenwerking tussen de vakgenoten in het belang van 's lands oorlogsmarine, waaraan hij een warm hart toedroeg. Ook toonde hij metterdaad belangstelling voor het vakonderwijs als bestuurslid en later als voorzitter van de Vereniging 'De Technische School', op welker werkzaamheid hij een duidelijk stempel drukte.

In de oorlogsjaren begon hij zich meer te interesseren voor de bevordering van het algemeen belang. In 1940 werd hij lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam. Hij behoorde tot de kring van zakenlieden die, zich groeperend om haar voorzitter, K.P. van der Mandele, zoveel mogelijk de toekomst van een bevrijd vaderland trachtte voor te bereiden. Voordien moest hij nog beleven, dat de bezetters zijn bedrijf in het najaar van 1944 grondig verwoestten. Met grote energie wijdde hij zich tot aan zijn dood aan de wederopbouw. In de dezelfde geest spande hij zijn kracht in voor de totstandkoming van de tentoonstelling Ahoy, waarmee Rotterdam in 1950 de voltooiing van het herstel van de haven vierde. Ook de aanleg van een nieuw vliegveld voor deze stad had zijn belangstelling.

P: 'Klinkinrichting voor scheepshellingen', in De Ingenieur 34 (1919) 25 (21 juni) 467; 'Beschouwingen over de Nationale Scheepsbouw', in De Ingenieur 60 (1948) 31 (30 juli) A255-259; 32 (6 augustus) A264-267; 33 (13 augustus) A278-283.

L: Ir. A. Knape, in De Ingenieur 63 (1951) 18 (4 mei) A215-216; K.P. van der Mandele, in Rotterdams Jaarboekje 1952, 209-210; Een halve eeuw "Droogdok" 1902-1952 (Rotterdam, 1952); H.D. Hamer-van der Harst, Honderd jaar beroepsonderwijs in Rotterdam (Rotterdam, 1968).

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013