Fortmann, Henricus Martinus Maria (1912-1970)

 
English | Nederlands

FORTMANN, Henricus Martinus Maria (1912-1970)

Fortmann, Henricus Martinus Maria (Han), RK priester en psycholoog (Amersfoort 15-6-1912 - Nijmegen 4-4-1970). Zoon van Hermann Bernard Fortmann, winkelier, en Maria Anna Tolboom. afbeelding van Fortmann, Henricus Martinus Maria

Fortmann studeerde na zijn middelbare school filosofie en theologie aan het groot-seminarie Rijsenburg en werd in 1936 priester van het aartsbisdom Utrecht. Hij ging vervolgens in Nijmegen klassieke letteren studeren en deed, van studierichting veranderd, in 1943 doctoraal examen psychologie. Nadien was hij kapelaan in Leeuwarden. In 1945 sloot hij zijn psychologiestudie af met een proefschrift bij F.J.Th. Rutten in Nijmegen over Aandachtig bidden. Een psychologische studie over de eigenschappen, de mogelijkheden en de grenzen der ge-bedsconcentratie.

Fortmann werd in 1947 aalmoezenier van de Katholieke Jeugdraad en, uit dien hoofde, lid van de Nederlandse Jeugdraad. In dat zelfde jaar werd hij ook hoofdredacteur en redactiesecretaris van het maandblad Dux, een uitgave van die Katholieke Jeugdraad 'voor allen die medewerken aan de vrije jeugdvorming in Nederland en België'. In dit tijdschrift publiceerde hij tot 1960 ca. honderd artikelen, voornamelijk over godsdienstpedagogische onderwerpen, zoals godsdienstonderwijs en geloofstwijfel, gewetens- en wilsvorming en seksualiteitsbeleving. De aanvankelijk moraliserende toon maakte gaandeweg plaats voor vragen en nog later voor aarzelende antwoorden betreffende de relatie tussen moraaltheologische zienswijzen en ontwikkelingspsychologische inzichten. In 1961 verscheen een keuze uit deze artikelen onder de titel Werkelijkheid en waarde. Verzamelde opstellen uit de jaren 1950-1960.

Te zelfder tijd was Fortmann staflid van de Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid, een organisatie van sociale wetenschapsbeoefenaars, zielzorgers, medici en theologen ter bestudering van de relatie tussen katholicisme en geesteshygiëne. Aan de invloedrijke brochurereeks van deze vereniging leverde hij markante bijdragen, zoals Wat is er met de mens gebeurd? Over de taak van een vergelijkende cultuurpsychologie (1959) en Opdat zij gezond zijn in het geloof. Variaties op het thema geesteshygiëne en katholicisme (1963). Fortmann was ook lid van de onder deze vereniging ressorterende Commissie Pastoraal en Psychohygiëne, waarin de toenmalige praktijk van de kerkelijke zielzorg werd geconfronteerd met de sinds een halve eeuw door psychiatrie en psychologie ontwikkelde inzichten omtrent de concrete levenservaring. Fortmann vroeg zich af 'waarom een kerk met zó'n boodschap van heil en genezing vaak zoveel ongezondheid te weeg heeft gebracht' en constateerde: 'Haar zwakste punt is haar omgang met mensen' (1963, 28). De geschiedenis van deze commissie, die grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het Nederlandse katholicisme in de tweede helft van de jaren vijftig en in de jaren zestig, is beschreven door H. Suèr (1969). Fortmanns inzet voor een opleiding van pastores waarin de 'al te vaak abstract gebleven noties der theologie' (1963, 31) worden aangevuld met inzichten uit de menswetenschappen, leidden, onder meer naar het voorbeeld van de centra voor 'clinical and pastoral training' in de Verenigde Staten, in 1964 tot een interdisciplinaire 'vakspecialisatie pastoraaltheologie' aan de Nijmeegse universiteit.

In 1956 werd Fortmann buitengewoon en in 1959 gewoon hoogleraar in Nijmegen in de algemene en vergelijkende psychologie van cultuur en godsdienst. Zijn drieledige aandacht voor kerk, zielzorger en gelovige werd in die tijd uitgebreid tot een meer algemene vraag omtrent de verhouding tussen cultuur en cultuurparticipant. Hij ging zich als psycholoog afvragen wat er in de loop van de geschiedenis met de mens is gebeurd. Fortmann bestudeerde de door Amerikaanse cultureel-anthropologen ontwikkelde 'culture and personality'-school (o.a. R. Benedict, M. Mead, A. Kardiner en C. Kluckhohn), de Franse en Duitse sociologische theorieën (M. Mauss, H. Bastide, R. Gehlen, H. Schelsky), psychologische geschiedschrijvers als N. Elias, J. Gebser en B. Snell, en de oude en nieuwe cultuurcritici zoals K. Marx, S. Freud, C.G. Jung, E. Fromm en R. Guardini.

In 1964 verschenen de eerste twee delen van zijn vierdelige werk Als ziende de Onzienlijke. Een cultuurpsychologische studie over de religieuze waarneming en de zogenaamde religieuze projectie. In deel I worden vooral de denkbeelden van Marx en Freud over godsdienst weergegeven. Voor Marx is religie het produkt van een ongewenste en verdwijnende maatschappijvorm, voor Freud is zij een geheel van fantasieën dat voortkomt uit een infantiele afhankelijkheidsbehoefte. 'Wij zullen nooit meer naïef gelovig kunnen zijn op de wijze waarop wij het waren vóór Marx en Freud. Geen kerk zal zich meer kunnen permitteren om echt en onecht, volwassen en infantiel, gezond en ziek dooreen te haspelen', noteert Fortmann later in deel IIIa (1965, 32). In deel II worden de grondbegrippen van de marxistische godsdienstkritiek, 'Entfremdung' en 'Entäuszerung', en het grondbegrip van de Freudiaanse godsdienstkritiek, projectie, onder één noemer gebracht, die van de projectieleer, en in verband gebracht met (waarnemings) psychologische begrippen als het onbewuste, innerlijkheid, participatie en primitiviteit. Fortmann komt tot de conclusie dat de projectieleer uitgaat van een a priori dat haar ongeschikt maakt voor een algemene waarnemingspsychologie en onbruikbaar voor een kenschetsing van religieuze ervaring. Zij baseert zich namelijk op een mens die, in subjectiviteit en inwendigheid opgesloten, zich op een buitenwereld projecteert en zij vergeet dat een dergelijke splitsing het produkt is van een bepaalde cultuurhistorische fase, die misschien wel onvermijdelijk was, maar die, gelet op haar oorsprong, ook principieel overwinbaar is. In deel IIIa keert Fortmann terug naar de relatie tussen geloven en ervaren. Het onvermogen tot godsdienstige ervaring in de industriële culturen en de legitimatie van een ervaringsvrij geloven door een theoloog als K. Barth contrasteert hij met studies over de geschiedenis van de menselijke symboolgevoeligheid en met de opvattingen van Jung, voor wie de religies met hun symbolenrijkdom 'Heilsysteme für die Leiden der Seele' en 'Methoden geistiger Hygiene' (1964,1,243) zijn. Het vraagstuk van de relatie tussen religie en geestelijke gezondheid komt ten slotte uitgebreid aan de orde in deel IIIb, waarmee dit vierdelige werk afsluit. Aan de hand van de omvangrijke empirische literatuur over geestelijke gezondheid onderzoekt hij de gevaren en de mogelijkheden van religie voor individueel en sociaal gedrag.

Fortmann was een veelgevraagd schrijver en spreker en een sprankelend debater. Zijn periodieke cultuur- en godsdienstpsychologische beschouwingen in de Volkskrant bij gelegenheid van traditionele christelijke feestdagen als Kerstmis en Pasen maakten in wijde kring indruk. Onder de titel Hoogtijd. Gedachten over feesten en vasten werd een keuze uit deze artikelen in 1966 gebundeld. Een selectie uit talrijke andere artikelen, vaak gebaseerd op voordrachten voor allerlei congressen, genootschappen en verenigingen, en handelend over zulke uiteenlopende onderwerpen als de rol van de man en de vrouw, de oorlog in Vietnam de eerste maanlanding en de relatie tussen cultuur en lichaamsbeweging, verscheen postuum in 1972 onder de titel Heel de mens. Reflecties over de menselijke mogelijkheden.

Tussen 1965 en 1968 maakte Fortmann drie grote reizen naar het Verre Oosten: Thailand, Ceylon en vooral India. Hij werd er in het bijzonder geïntrigeerd door de archaïsche denkvormen van het hindoeïsme en door de grote zorg voor de individuele innerlijkheid van het boeddhisme. De confrontatie van deze tradities met elementen uit de actieve, extraverte Westerse cultuur inspireerde hem tot talrijke notities en brieven. Daarin wisselen kernachtige beschrijvingen van lokale scènes en diepgaande beschouwingen over de geschiedenis van het menselijk denken en doen elkaar af. Een keuze hieruit verscheen in 1968 onder de titel Hindoes en boeddhisten. Dagboekaantekeningen en reisbrieven.

De laatste twee jaren van zijn leven werkte Fortmann, met regelmatige onderbrekingen wegens een ernstige ziekte, aan een inleiding in de cultuurpsychologie. Het zou een tweedelig werk worden. Het eerste deel zou een overzicht geven van de in uiteenlopende disciplines ontwikkelde inzichten over de relatie tussen cultuur en gedrag. Het tweede deel zou specimina moeten bevatten van cultuurpsychologisch onderzoek op specifieke gedragsniveaus zoals de psychologische basisfuncties, de hogere mentale processen, de persoonlijkheidsstructuur en de bewustzijnsvormen, alsmede op uitdrukkingsniveaus als religie, seksualiteit, agressiviteit, kunst en lichamelijke en geestelijke gezondheid. Een eerste versie van deel I was bij Fortmanns dood, in april 1970, nagenoeg voltooid. Zij is in 1971 onder de titel Inleiding tot cultuurpsychologie. I gepubliceerd.

Op het eind van zijn leven schreef Fortmann nog een kleine studie onder de titel Oosterse renaissance. Kritische reflecties op de cultuur van nu. Daarin stelt hij de westerse opvattingen over het ik tegenover de oosterse: 'Als ergens de wijsheid van het Oosten en de wetenschap van het Westen met elkaar in botsing lijken te zijn, dan is het in de vraag naar de waarde en de betekenis van het ik' (ibidem, 56). Het boekje beleefde, in Fortmanns sterfjaar 1970 uitgegeven, binnen enkele jaren talrijke drukken.

Fortmann is een van de belangrijke personen in het 'aggiornamento' (moderniseringsproces) van de Nederlandse katholieken tussen 1950 en 1970. Volgens Dijkhuis komt hem 'de eer toe de Nederlandse katholieken voor het eerst, met klem van redenen, gewezen te hebben op de noodzaak om zich te bezinnen op het concrete menselijke bestaan' (Dux 27 (1960) 11). Zijn werkzaamheid bleek echter uiteindelijk verder te reiken dan deze specifieke groep. Zijn ziekte heeft hem weliswaar verhinderd uitnodigingen aan te nemen voor gasthoogleraarschappen in Trier, Pittsburgh en Uppsala, maar er verschenen vertalingen van delen uit zijn oeuvre in het Duits, Italiaans en Engels.

Ook buiten de kringen van kerkelijken en gelovigen vond hij in toenemende mate gehoor, omdat hij, in een heldere, allerlei disciplines integrerende terminologie, het algemene probleem wist te stellen van de hulp én de beknelling die er van de instituties kan uitgaan voor eenlingen en groepen.

Zijn befaamde brief aan de leden van de Nijmeegse Academische Senaat van 14 mei 1969, ten tijde van het studentenverzet, is een van de blijvende getuigenissen van het feit dat hij zijn inzichten dienaangaande ook als bestuurder in praktijk wist te brengen.

A: Collectie-prof. Fortmann in Psychologisch Laboratorium van de Katholieke Universiteit te Nijmegen.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken een onvolledige bibliografie in onder L genoemde publikatie van P.A. van Gennip; 'Prof.dr. H.M.M. Fortmann aan de Leden van de Academische Senaat', in Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1973. Onder red. van A.F. Manning et al. (Bilthoven, 1974) 377-380.

L: J. Dijkhuis, 'Het einde van een periode', in Dux 27 (1960) 10-16; H. Suèr, Niet te geloven. De geschiedenis van een pastorale kommissie (Bussum, 1969); verder herdenkingsartikelen vermeld in P.A. van Gennip, Het kwetsbare midden. Persoon en werk van Han Fortmann (Bilthoven, 1973) 191-192; W. Berger en J. Janssen, 'Om het herstel van de religieuze ervaring: Han Fortmann, Dux en de godsdienstpsychologie', in Jeugd en samenleving (9 (1979)564-588.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie Personen: afb. 2a2867.

H.J.G. Kempen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013