Frijda, Herman (1887-1944)

 
English | Nederlands

FRIJDA, Herman (1887-1944)

Frijda, Herman, hoogleraar economie (Amsterdam 22-7-1887 - omgeving van Oswiecim (Polen) 3-10-1944 conform Stct. 8-2-1951 nr. 28). Zoon van Leon Frijda, eigenaar van een zaak in dames-, heren- en kinderconfectie, en Jetta Sanders. Gehuwd op 26-10-1922 met Dora Hermance Charlotte Frank. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Frijda studeerde, na HBS en staatsexamen gymnasium, rechten te Leiden. Daar toonde hij reeds bijzondere belangstelling voor zijn latere vak, de economie, toentertijd nog onderwezen binnen de rechtenfaculteit. Aan dezelfde universiteit promoveerde hij in 1911 op stellingen tot doctor in de rechtswetenschap en in 1914 in de staatswetenschappen bij prof. H.B. Greven op de dissertatie De theorie van het geld en het Nederlandsche geldwezen (Haarlem, 1914). Na zijn studie was hij van 1915 tot 1916 werkzaam bij de woningdienst van Amsterdam en vanaf 1917 vervulde hij functies in het bankwezen, bij de Kas-Associatie te Amsterdam (laatstelijk als onderdirecteur). Daarnaast was hij van 1916 tot 1921 aan de Leidse universiteit privaatdocent in de economie; dit ambt aanvaardde hij met de openbare les Realisme en theoretische economie (Haarlem, 1916).

In 1921 volgde een hoogleraarschap in de staathuishoudkunde en de statistiek aan de toen opgerichte zogenaamde zesde faculteit, die der handelswetenschappen, aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1922 de inaugurele rede De vorming van den wisselprijs (Haarlem, 1922) uitsprak. Zijn hele werkzame leven wijdde hij verder aan dit hoogleraarschap. Het zwaartepunt van zijn aandacht lag op het doceren. Zijn wetenschappelijk oeuvre is weinig omvangrijk gebleven. Frijda's geest leende zich in publikaties en vooral in colleges meer voor kritisch-analytische invallen dan voor synthetische en stelselmatig uitgewerkte verhandelingen. Zijn colleges waren levendig en stimulerend. Hoogtepunt in zijn universitaire loopbaan was het optreden op 9 september 1938 als promotor bij de verlening van het eredoctoraat in de economische wetenschappen aan koningin Wilhelmina. Ook zijn verder optreden naar buiten hing steeds nauw samen met zijn vak. Zo bekleedde Frijda het voorzitterschap van de Amsterdamse Commissie van Gemeentegiro, die in 1931 haar rapport uitbracht. Zijn belangstelling voor studenten en afgestudeerden bracht hem op het initiatief tot oprichting van het Genootschap voor Economische Wetenschappen.

In november 1940 moest Frijda vanwege zijn joodse afkomst op last van de bezetter zijn activiteit als hoogleraar staken. Tijdens zijn onderduikperiode werd op 30 september 1943 zijn zoon Leo gefusilleerd. Deze maakte deel uit van de verzetsgroep CS-6, die zich o.a. bezighield met aanslagen op helpers van de vijand en sabotagedaden. Op 19 juli 1944 werd Frijda op zijn onderduikadres in Leeuwarden door de Duitse politie gearresteerd om via het Huis van Bewaring en het kamp te Westerbork naar Auschwitz te worden vervoerd.

Frijda's wetenschappelijke aandacht ging, in geschrifte en in colleges, in hoge mate uit naar de geldleer. In zijn proefschrift verwierp hij zowel de traditionele metallistische theorie, dat de waarde van het geld is gebaseerd op de waarde van het goud, als de rechtshistorische (nominalistische) opvatting van Georg Friedrich Knapp in Die staatliche Theorie des Geldes (Leipzig, 1905), dat het geld zijn waarde ontleent aan de proclamatie van de rechtsorde - de staat - dat een stuk metaal of papier die of die waarde heeft. Volgens Knapp is deze waarde dus een nominale idealiteit, geen realiteit. Hiertegenover betoogde Frijda dat geld als waarde-eenheid zelf waarde moet hebben. Het geld is een onder een bepaalde naam aangeduid quantum abstracte beschikkingsmacht over zaken. Er is dus een bepaalde ruilverhouding tussen de zaak en de geldeenheid. Dat de geldeenheid in het economisch leven kan functioneren, berust op het vertrouwen van de burgers dat de staat zich zal houden aan wat hij rechtens omtrent de waarde van de geldeenheid heeft bepaald. Later hield Frijda niet meer aan deze juridische theorie van het geld vast. Hoewel hij met zijn aanvankelijke theorie in vakkringen weinig bijval vond, kreeg hij hiermee toch reeds vroeg de naam een scherpzinnig en oorspronkelijk denker te zijn.

Tijdens het na de Eerste Wereldoorlog gevoerde debat over de opportuniteit van een spoedige wederinvoering van de in de oorlog opgeschorte gouden standaard was Frijda een der ondertekenaars van het bekende protest van zeventien economen en practici (in Economisch-Statistische Berichten , 9-6-1920) als antwoord op de verklaring van veertien economen en juristen (ibidem, 19-5-1920). De zeventien drongen, in tegenstelling tot de veertien, aan op niet-onmiddellijke wederinvoering, daarbij wijzend op het gevaar van een geforceerde inkrimping van de geldcirculatie. In monetair opzicht keerde Frijda zich bovendien tegen de idee van de neutraliteit van het geld en de stabiliteit der prijzen als richtsnoer van de geldvoorziening, onder meer tegen de Nederlandse monetaire economist prof. G.M. Verrijn Stuart. De kritiek dat Frijda op deze wijze de geldfactor in het economisch leven overschatte, is niet terecht.

In zijn openbare les, in de bijdrage 'Oude en nieuwe economie' aan de bundel Sociaal-economische opstellen aangeboden aan mr. H.B. Greven... ([Haarlem, 1916], 183-206) en in de rectorale rede op 14 februari 1938 De evenwichtsgedachte en de werkelijkheid (Amsterdam, [1938]) gaf Frijda ook aandacht aan het vraagstuk van de verhouding tussen theorie en empirie. Opgeleid in de theoretische economie van de Oostenrijkse school, vond hij de theoretische constructies toch soms te abstract. Een nauwe voeling met de empirie werd door hem bepleit.

Meer dan de meeste economen van zijn generatie toonde Frijda zich gevoelig voor de gebreken van het liberale stelsel van vrije prijsvorming. Hij bezocht enkele malen de nog jonge Sovjet-Unie, en hoewel niet kritiekloos tegenover het stelsel daar, meende hij toch een tijdlang in de economische plangedachte een oplossing te zien. Ook met betrekking tot het rationalisatievraagstuk toonde hij zijn ongeloof in de vrije werking der economische krachten. Hij hield zich tevens bezig met het conjunctuurvraagstuk en de werkloosheidsbestrijding.

P: Behalve de in de tekst vermelde publikaties en bijdragen in de Economisch-Statistische Berichten van 3-11-1924; 23-9-1925; 5-12-1928; 3-7-1929; 27-2-1935 en 20-11-1935: 'Naar aanleiding van Friedrich von Wiesers jongsten arbeid', in De Economist 64 (1915) 395-428; Prae-advies over: De landbouwcrisis als element der algemeene economische depressie. Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek 1931: 1; 'De sociaal-economische beteekenis en gevolgen der rationalisatie', in Rationalisatie. Stenografisch verslag van het congres van de Nederlandsche Vakcentrale [S.1., 1931].

L: H.W.C. Bordewijk, Theoretisch-historische inleiding tot de economie (Groningen [etc.], 1931) 35-38; P. Hennipman, in De Economist 93 (1944-1945)255-257.

A.C.A.M. Bots


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013