Fruin [Th.Azn], Robert (1857-1935)

 
English | Nederlands

FRUIN [TH.AZN], Robert (1857-1935)

Fruin [Th.Azn], Robert, archivaris (Dordrecht 22-11-1857 - 's-Gravenhage 26-10-1935). Zoon van Thomas Anthony Fruin, hervormd predikant, en Agatha Elizabet Martina Veltman. Gehuwd op 15-11-1888 met Catharina Christina Niemeijer. Uit dit huwelijk werden 5 zoons geboren. afbeelding van Fruin [Th.Azn], Robert

Fruin studeerde, na drie klassen van de gemeentelijke HBS te Dordrecht en vervolgens het Gymnasium Erasmianum te Rotterdam doorlopen te hebben, vanaf 1877 rechten in Leiden, waar hij op 2 oktober 1886 promoveerde op het proefschrift Overzicht der staatsgeschiedenis van het landschap Westerwolde tot op zijne vereeniging met de XVII Nederlanden. Na zijn promotie legde hij zich toe op de kennis van de moderne gemeentelijke administratie, het oude schrift en het archiefwezen. Op voorstel van de Utrechtse rijks- en gemeentearchivaris S. Muller Fz. werd Fruin per 1 mei 1888 door Gedeputeerde Staten van Utrecht belast met de inventarisatie der gemeente- en waterschapsarchieven, onder toezicht van Muller. Op 1 december 1888 werd hij commies-chartermeester bij het rijksarchief in Utrecht. Daar leerde hij de door zijn chef ontwikkelde nieuwe methode voor het ordenen en beschrijven van archieven, gebaseerd op het herkomstbeginsel, toepassen.

De in 1891 opgerichte Vereeniging van Archivarissen (VAN) werd voor Muller en Fruin het middel om hun denkbeelden over het inventariseren te verbreiden. In 1898 verscheen de door hen met J.A. Feith samengestelde Handleiding voor het orderen en beschrijven van archieven (2e dr. 1920, in vele talen vertaald). In hun streven de archiefwetenschap te verheffen van historische hulpwetenschap tot een zelfstandig vak gaven Muller en Fruin de archivistiek een sterk normatief karakter. De Handleiding werd een wetboek, gehandhaafd door het persoonlijk en ambtelijk gezag waarmee Muller en Fruin tientallen jaren het archiefwezen regeerden. Jarenlang was Fruin lid van het bestuur van de VAN, eerst als redacteur van het Nederlandsen Archievenblad (1900-1906), later als secretaris (1908-1910), voorzitter (1 juli-22 december 1910) en vice-voorzitter (1913-1920). In 1920 volgde hij Muller op als voorzitter, welke functie hij tot 24 september 1932 vervulde.

Ondertussen was Fruin eveneens in leidinggevende posities geraakt in het archiefwezen zelf, al leek (tijdelijk) een hoogleraarsambt deze carrière te zullen doorbreken. Op 1 november 1894 aanvaardde Fruin het ambt van rijksarchivaris in Zeeland. De archieven waren er volstrekt ontoegankelijk, zowel door de beperkte ruimte en de voortdurende restauratiewerkzaamheden in het Abdijcomplex als door het ontbreken van inventarissen. Fruin maakte aan die toestand met voortvarendheid een einde, geholpen door gestadige uitbreiding van personeel, ruimte en financiën. Hij volgde ook de raad van zijn leermeester Muller door buiten zijn ambtelijke functie andere maatschappelijke betrekkingen te bekleden: lid van de gemeenteraad van Middelburg (1902-1910), voorzitter van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (begiftigd met de gouden medaille van het Genootschap), voorzitter van de Voogdijraad te Middelburg, plaatsvervangend voorzitter van de Tiendcommissie in het zevende tienddistrict.

In 1905 droeg de Groningse faculteit der letteren Fruin voor als opvolger van C.H.Th. Bussemaker; J. Huizinga werd echter benoemd. Maar wel kon Fruin op 14 november 1910 aan de Universiteit van Amsterdam het ambt van hoogleraar in de encyclopedie der rechtswetenschap en in het oud-vaderlands recht en zijn geschiedenis met de oratie De studie van het oud-vaderlandsche recht en de archieven aanvaarden. Als rechtshistoricus had Fruin naam gemaakt vooral door de uitgave van een groot aantal rechtsbronnen, meest publikaties van de Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude vaderlandsche recht, van welke vereniging Fruin van 1895 tot zijn overlijden bestuurslid was.

Nadat de VAN met de publikatie van de Handleiding haar eerste programmapunt had verwezenlijkt, was het tweede, de regeling van het archiefwezen bij de wet, ter hand genomen. Fruin was lid van de commissie wier ontwerp in 1907 door de VAN werd vastgesteld. Dit ontwerp werd in 1908 en 1909 besproken in de jaarlijkse bijeenkomsten van rijksarchivarissen. Verschillen van inzicht tussen de algemene rijksarchivaris jhr. Th.H.F. van Riemsdijk aan de ene en Fruin en de andere rijksarchivarissen aan de andere kant hadden de zaak doen stranden. Al eerder was Fruin als militante vertegenwoordiger van de nieuwe richting in botsing gekomen met de genuanceerd denkende Van Riemsdijk, o.a. over de opleiding van archivarissen.

In 1911 kreeg Van Riemsdijk op zijn verzoek eervol ontslag. Het departement polste Fruin. Deze wilde het hoogleraarschap niet opgeven, maar was wel bereid als nevenfunctie het inspectoraat op de rijksarchieven te vervullen; met het beheer van het algemeen rijksarchief zou dan een der adjunct-archivarissen belast moeten worden. In tweede instantie bleek Fruin toch bereid het hoogleraarschap op te geven en algemeen rijksarchivaris te worden, mits hij in salaris niet zou achteruitgaan. Minister Th. Heemskerk wilde niet zelf met een voorstel tot salarisverhoging komen, maar dat eventueel aan de Tweede Kamer overlaten. Daarom werd Fruins eerste voorstel overgenomen. Dit stuitte op verzet bij de VAN en anderen. Na interventie van de Kamer werd Fruin per 1 mei 1912 benoemd tot algemeen rijksarchivaris onder toekenning van een persoonlijke toelage. Maar wel bleef Fruin ook na zijn kortstondig hoogleraarsambt de titel van professor voeren.

Fruins eerste zorg als algemeen rijksarchivaris was de onder zijn voorganger vastgelopen beraadslaging over het ontwerp-archiefwet weer te openen. Na de totstandkoming van de Archiefwet van 1918 verschenen in 1919 en 1920 elf uitvoeringsbesluiten, alle door Fruin ontworpen. Fruin publiceerde wettelijke regelingen met een toelichting die als een bijna authentieke interpretatie kon gelden. Kritiek op de archiefwetgeving werd dan ook als kritiek op Fruin zelf opgevat en als zodanig bestreden.

Ook ten aanzien van de eigenlijke dienstvervulling van de archivaris had Fruin zeer duidelijke en strikte opvattingen. Hij liet niet na te betogen dat de eerste plicht van de archivaris het toegankelijk maken van de archieven is. Het verzorgen van bronnenpublikaties, de 'eretaak', komt daarna, het verrichten van eigen historisch-wetenschappelijk werk moet buiten diensttijd gebeuren. De achterstand in de ontsluiting van de archiefbestanden moest worden ingelopen door aan inventarisatie de voorrang te geven, maar ook door een minder gedetailleerde wijze van beschrijven. Ook zou publikatie van inventarissen op groter schaal moeten plaatshebben. Daarvoor werden aanvankelijk de Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven (VROA) bestemd: de jaarlijkse bundel groeide daardoor uit tot twee omvangrijke delen. Van 1928 tot 1932 verschenen bovendien vier delen van de afzonderlijke serie Inventarissen van rijks en andere archieven, van rijkswege uitgegeven, voor zoover zij niet afzonderlijk zijn afgedrukt. Voor de verslagen zelf liet Fruin een strakker model invoeren. Samenstelling van een index op de VROA sedert 1878 werd ter hand genomen, maar bleef ten slotte onvoltooid. Fruin liet de vóór 1878 verspreid gepubliceerde verslagen herdrukken. Ook voorzag hij in de lacune, ontstaan doordat R.C. Bakhuizen van den Brink als rijksarchivaris nimmer een jaarverslag had gemaakt. Uit Bakhuizens ambtelijke correspondentie compileerde Fruin in 1926 De gestie van dr. R.C. Bakhuizen van den Brink als archivaris des rijks, 1854-1865, hoofdzakelijk uit zijne ambtelijke correspondentie toegelicht.

Fruin zag in dat vernieuwing van het archiefwezen niet mogelijk was met alleen totstandkoming van inventarisatieregels en een wettelijke regeling. Hij stimuleerde aanstelling van volontairs en wist in 1919 aan het Algemeen Rijksarchief een archiefschool verbonden te krijgen. De algemene rijksarchivaris was directeur, tevens voorzitter van de commissie van leraren die het wettelijk voorgeschreven examen afnam. Fruin doceerde zelf archivistiek, chronologie en de geschiedenis der rechtsinstellingen. De school vergde veel van Fruins tijd en krachten. Zijn onderwijs was hoofdzakelijk gericht op de adspirant-archiefambtenaren der eerste klasse. De grote toeloop van niet-academisch gevormden voor de opleiding tot archief-ambtenaar der tweede klasse had Fruin niet voorzien. Van 1920 tot 1924 werden 121 leerlingen ingeschreven. De vooruitzichten op een loopbaan in het archiefwezen werden echter mede door de bezuinigingen steeds slechter. De bezuiniging maakte in 1924 ook een einde aan de Archiefschool. De examencommissie bleef evenwel bestaan, onder voorzitterschap van de algemene rijksarchivaris, die daardoor toch invloed op de vorming van archivarissen behield. Fruin bleef, ook na zijn aftreden, tot 1935 lid van de examencommissie.

De opheffing van de archiefschool, om een paar duizend gulden te bezuinigen, griefde Fruin zeer. Ook op de personeelsuitgaven van de rijksarchieven werd bezuinigd. Binnen het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen drukten de bezuinigingen verhoudingsgewijs bijzonder zwaar op de rijksarchiefdienst. Daarom werd Fruin ook een voorstander van overheveling van de zorg voor het archiefwezen naar een ander ministerie.

Fruin wenste dat de rijksarchieven verschoond zouden worden van huisvesting in oude monumentale, maar voor een archief ongeschikte gebouwen: in Middelburg had hij de bezwaren aan den lijve ondervonden. Het gelukte hem voor een enkel rijksarchief daarin ook verbetering te brengen. Juist vóór de bezuiniging kwam voor het rijksarchief in Groningen een nieuw gebouw gereed (1921), waarin ook het gemeentearchief onderdak kreeg. Het rijksarchief in Noord-Holland verhuisde in 1931 van de 17e-eeuwse Vleeshal naar de door het provinciaal bestuur verlaten ruimten aan de Jansstraat in Haarlem.

Door het voorzitterschap van de VAN, als Algemeen Rijksarchivaris en als adviseur van de minister had Fruin grote invloed op het archiefbeleid. Maar ook als chef van het Algemeen Rijksarchief hield hij de touwtjes strak in handen. Hij reorganiseerde het beheer en voerde tal van moderniseringen in, zoals de inrichting van een fotografisch atelier. In 1926 verscheen een overzicht van de inhoud van het Algemeen Rijksarchief, het eerste sinds het Overzigt dat Bakhuizen van den Brink in 1854 had samengesteld. Het overzicht werd in het Engels bewerkt en in 1932 uitgegeven ter gelegenheid van de vergadering in 's-Gravenhage van het Comité international des sciences historiques. Van twee der door dit Comité ingestelde commissies (die voor iconografie en de archiefcommissie) werd Fruin voorzitter. Verder was hij lid van de permanente internationale commissie voor het houden van archivarissencongressen en van de commissie van archiefexperts van het Institut international de coopération intellectuelle.

Hoezeer Fruin binnen de historisch-wetenschappelijke wereld in het algemeen aanzien genoot en invloed kon uitoefenen bleek uit enige functies en initiatieven die als het ware in het verlengde lagen van zijn archivaristaken. Sedert 1909 was Fruin lid van de Commissie voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, sinds 1919 tot zijn overlijden voorzitter. Zijn belangstelling voor de iconografie kwam ook tot uitdrukking in het voorzitterschap van de Nederlandsche commissie voor Iconographische Documentatie (1929). Hij erkende als een der eersten het belang van het bewaren van historisch filmmateriaal. In 1919 richtte hij met H.E. van Gelder en D.S. van Zuiden de vereniging Het Nederlandsen Centraal Filmarchief (NCF) op. De verzameling van het NCF, in het Algemeen Rijksarchief beheerd, ging in 1933 aan het rijk over als Rijks Historisch Filmarchief en vormde na de oorlog de basis voor de collectie van de Stichting Nederlands Filmmuseum.

Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in 1922 werd Fruin gevraagd voorlopig aan te blijven, daar het ministerie meende niet makkelijk een opvolger te kunnen vinden. Tien jaar later vroeg Fruin in verband met zijn leeftijd en gezondheidtoestand ontslag, wat hem met ingang van 1 januari 1933 werd verleend. Twee jaar later overleed hij.

Fruin was van nature een vriendelijk en hulpvaardig man. Kritiek en tegenspraak kon hij echter niet verdragen; schikken en schipperen waren hem vreemd. Grote werkkracht, universele belangstelling en de gave zijn gedachten helder, scherp en snel te formuleren maakten hem tot een bekwaam administrateur, voortreffelijk voorzitter en gevreesd polemist. Toen eenmaal, vooral door hemzelf, de voorwaarden voor modernisering van het archiefwezen geschapen waren, is Fruin echter niet in staat gebleken het verworvene te behouden en te verbeteren door met meer inschikkelijkheid een jongere generatie de kans te geven tot eigen verdere ontwikkeling. De tragiek van de periode-Fruin in het Nederlands archiefwezen is dat de modernisering door monopolisering verwerd tot verstarring.

A: Nagelaten papieren van mr. R. Fruin 1911-1933, onderdeel van het archief van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: W. Moll, 'Lijst der geschriften van prof. mr. R. Fruin 1886-1936', in Nederlandsch Archievenblad 43(1935-1936) 14-38.

L: 'Een mijlpaal in de geschiedenis van ons archiefwezen', in Nederlandsch Archievenblad 40 (1932-1933) 90-111; A.H. Martens van Sevenhoven, ibidem, 43 (1935-1936) 2-13; H. Obreen, in Revue belge de philologie et d'histoire 15 (1936) 341-343; F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage, 1975) 433-457.

I: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage 1975) [Afbeelding 113].

F.C.J. Ketelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013