Furstner, Johannes Theodorus (1887-1970)

 
English | Nederlands

FURSTNER, Johannes Theodorus (1887-1970)

Furstner, Johannes Theodorus, bevelhebber der zeestrijdkrachten en minister van Marine (Amsterdam 16-1-1887 - 's-Gravenhage 15-9-1970). Zoon van Hendricus Hermanus Furstner, handelaar in landbouwwerktuigen, en Guurtje Geveke. Gehuwd op 29-12-1917 met Anna Maria Risselada. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. afbeelding van Furstner, Johannes Theodorus

Furstner ontving, na de HBS doorlopen te hebben, van 1902 tot 1906 de opleiding tot zeeofficier aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. Als luitenant ter zee der 1e klasse volgde hij van 1919 tot 1921 een cursus aan de Hoogere Krijgsschool te 's-Gravenhage; onmiddellijk daarna werd hij leraar aan de toen opgerichte Hoogere Marine Krijgsschool, waar hij tot 1924 bleef. In deze periode werkte hij onder meer mee aan de opstelling van plannen voor de maritieme verdediging van Nederlands-Oost-Indië die de basis hebben gevormd voor de ten slotte op 26 oktober 1923 door de Tweede Kamer verworpen Vlootwet.

In de jaren 1927 en 1928 verbleef hij in Parijs om daar de École de guerre navale te bezoeken. Daar kwam hij sterk onder de invloed van maritiem-strategische opvattingen van Raoul Castex, die, in het voetspoor van A.T. Mahan, primair belang toekende aan het aantasten van de 'force organisée' van de tegenstander, maar ook aan de 'klassieke' maritiem-strategische theorie een oorspronkelijke bijdrage leverde door haar aan te passen aan recente ontwikkelingen op het gebied van scheepsbouw en wapentechniek (vliegtuig, onderzeeboot). Furstner kreeg ampel gelegenheid deze opvattingen te propageren als directeur van de Hoogere Marine Krijgsschool, welke functie hij van 15 september 1930 tot 1 juli 1936, achtereenvolgens als kapitein-luitenant ter zee, kapitein ter zee en schout-bij-nacht, bekleedde. Zijn denkbeelden vonden ingang en hij kreeg volgelingen en medestanders, zodat van de 'school van Furstner' gesproken kon worden.

Intussen was Furstner ook, gedreven door bezorgdheid over de weerbaarheid van het koninkrijk, in het bijzonder Indië, politiek actief geworden. Zo had hij zich reeds in 1925 aangesloten bij de toen opgerichte, maar nooit geheel uitgegroeide politieke club Nationale Unie, waarin o.a. C. Gerretson een rol speelde, en behoorde hij tot degenen die het initiatief namen tot de oprichting van het Verbond voor Nationaal Herstel in 1932, een rechts-autoritaire partij die erin slaagde om bij de verkiezingen van 1933 een vertegenwoordiger in de Tweede Kamer te krijgen. Misschien was nog van het meeste belang dat Furstner openlijk en enthousiast de groei van het nationalistische Nationaal Jongeren Verbond bevorderde, een jeugdorganisatie die zich in de jaren '30 met enig succes roerde. Ook zou Furstner verbindingen onderhouden met de kring van het tijdschrift De Waag, dat in 1937 begon te verschijnen. Overigens is waarschijnlijk dat hij zich van Nationaal Herstel en later van De Waag heeft gedistantieerd, toen die een al te duidelijke pro-NSB, respectievelijk pro-Duitse koers gingen volgen.

Op 1 juli 1936 trad Furstner op als chef van de Marinestaf, anderhalf jaar later (op 1 januari 1938) werd hij bevorderd tot vice-admiraal. Na de mobilisatie van 1939 werd hij ook bevelhebber der Zeestrijdkrachten. Om de aan laatstgenoemde functie verbonden taken te kunnen blijven vervullen besloot hij op 14 mei 1940 - tegen de wil van de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, aan wie hij als chef Marinestaf ondergeschikt was - met een aantal stafofficieren Nederland te verlaten. Enkele dagen later kon hij zijn hoofdkwartier vestigen in Londen. Toen opnieuw een afzonderlijk departement van Marine werd ingesteld, werd hij per 27 juli 1941 met het beheer daarvan belast, met als consequentie dat hij als minister van Marine zitting kreeg in het kabinet-Gerbrandy. Hij bleef daarnaast echter bevelhebber der Zeestrijdkrachten en chef Marinestaf. Daarmee kwam een cumulatie van functies tot stand die later in het Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie... (V a, 45) niet ten onrechte is gekritiseerd. Furstners ministerschap zou tot 23 februari 1945 duren. Na de bevrijding van Nederland en de nederlaag van Japan legde Furstner, inmiddels per 15 februari 1942 tot luitenant-admiraal bevorderd, op 25 augustus 1945 zijn functies van bevelhebber der Zeestrijdkrachten en chef van de Marinestaf neer. Daarna maakte hij tot 1 februari 1962 deel uit van de Raad van State.

In de vooroorlogse periode heeft Furstner de sleutelrol gespeeld bij de wijziging van het Algemeen Memorandum Marinestaf, waarbij 'het openhouden der zeewegen voor eigen gebruik' in de definitie van de taak der Koninklijke Marine werd opgenomen, en bij de instelling van de functie van bevelhebber der Zeestrijdkrachten. Beide maatregelen getuigden van de voor hem typerende brede strategische visie en zouden van verstrekkende betekenis blijken. Ook had hij toen een belangrijk aandeel in de voorbereiding van het zogenaamde 'slagkruiserplan', dat de vorming van een zware artilleriekern voor de vloot in Indië behelsde. Samen met de toenmalige schout-bij-nacht F.J. Heeris was hij er in hoofdzaak verantwoordelijk voor dat een belangrijk deel van de Marine in mei 1940 naar Engeland uitweek.

Onder de Nederlanders in leidende functies te Londen was hij aanvankelijk één der zeer weinigen voor wie het winnen van de oorlog vooropstond en die dus van het begin af aan de Britse leiding volgden. In overeenstemming met deze opvatting heeft hij zich veel moeite gegeven om de naar Engeland uitgeweken marine-eenheden snel in te schakelen bij de oorlogvoering in geallieerd verband. Inderdaad begonnen bijvoorbeeld reeds na enkele weken Nederlandse hulpmijnenvegers operationele veegopdrachten uit te voeren in de Engelse wateren. Het is daarna steeds Furstners streven gebleven om een zo groot mogelijk deel van de Koninklijke Marine effectief aan de strijd te laten meedoen. Om dat te bereiken ging hij conflicten niet uit de weg. Zo verzette hij zich op vasthoudende wijze tegen de wens van zijn collega H.J. van Mook om reeds tijdens de oorlog marinepersoneel ter beschikking te krijgen en mede daaruit gezagsbataljons te vormen die bij de bevrijding van Indië voor herstel van orde zouden worden aangewend.

Overigens trad Furstner in de ministerraad niet erg op de voorgrond. Dit is waarschijnlijk daardoor te verklaren dat hij zich in beginsel steeds als 'vakminister' beschouwde. Met de maritieme strategie heeft hij tijdens de oorlog betrekkelijk weinig bemoeienis gehad, omdat het operationele, in tegenstelling tot het administratieve, opperbevel over de Nederlandse Zeestrijdkrachten bij andere autoriteiten - de commandant der zeemacht in Nederlands-Oost-Indië, bondgenootschappelijke bevelhebbers - berustte.

Onder zijn leiding heeft de Nederlandse marineorganisatie te Londen echter belangrijk werk kunnen doen op het gebied van de aanvulling van personeel en materieel en de voorbereiding van de wederopbouw van de Nederlandse zeemacht na de Tweede Wereldoorlog. Dit was niet in de laatste plaats daaraan te danken dat Furstner een goede verhouding tot de autoriteiten van de Royal Navy wist op te bouwen. Bij het contact met de 'varende vloot' toonde hij in de oorlog een minder gelukkige hand. Dit hing gedeeltelijk samen met zijn autoritaire instelling en zijn, ondanks een grote intelligentie, gebrek aan inlevingsvermogen in gedachten en gevoelens van anderen. Ook was hij na zijn terugkeer uit Frankrijk in 1928 nog maar weinig betrokken geweest bij het operationele bedrijf: nog slechts twee korte periodes heeft hij daarna aan boord van een schip gediend, waarvan slechts éénmaal in een commanderende functie. In de 'Londense' periode wist hij in zijn naaste omgeving wel gevoelens van sympathie en loyaliteit op te wekken. Als minister had hij aanvankelijk het vertrouwen van de Koningin, waarschijnlijk vooral omdat hij leiding gaf aan het enige Nederlandse krijgsmachtdeel dat een substantiële bijdrage leverde tot de geallieerde oorlogvoering. Later verminderde dit vertrouwen, omdat Furstner naar haar oordeel het verzet in Nederland te weinig positief waardeerde. Na terugkeer in Nederland waren Furstners werkzaamheden binnen de Raad van State van minder opvallende aard, al behoorde hij daar natuurlijk wel bij de meerderheid die de wijzigingen in de koloniale verhoudingen zoals die zich voltrokken afkeurde, en dit in adviezen aan de regering bij wetsontwerpen kenbaar maakte. Na zijn aftreden als lid van de Raad van State trad Furstner ten slotte zo weinig op de voorgrond dat zijn overlijden in de pers nauwelijks aandacht kreeg.

A: Collectie-Furstner bij de afdeling Maritieme Historie van de Marinestaf te 's-Gravenhage.

P: 'Het nut en de toekomst van onderzeebooten voor onze Oost-Indische Koloniën', in Marineblad 36 (1921) 371-416; De Nederlandsche marine en de beide Indiën (S.1., 1930]; De maritieme conferenties en de strategische positie van Nederland (Den Helder, 1931); 'De Koninklijke Marine', in Vijftig Jaren. Officieel gedenkboek ter gelegenheid van het gouden regeringsjubileum van koningin Wilhelmina (Amsterdam, 1948) 238-250.

L: M.A.C. [ageling], 'Een man met visie. Bij het overlijden van admiraal Furstner', in Ons Zeewezen 59 (1970) 10 (oktober) 11; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1979) passim; Ph.M. Bosscher, 'Nederland als bondgenoot', in De val van Nederlands-Indië. Onder red. van G. Teitler (Dieren, [1982]) 113-128.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 503 [Foto: Franz Ziegler].

Ph.M. Bosscher


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013