Gelder, Marius Gerard de (1869-1918)

 
English | Nederlands

GELDER, Marius Gerard de (1869-1918)

Gelder, Marius Gerard de, ingenieur (Pekalongan (Nederlands-Indië) 10-6-1869 - Rotterdam 2-5-1918). Zoon van Johannes Arnoldus de Gelder, ingenieur Waterstaat in Nederlands-Indië, en Maria Gerarda Romijn. Gehuwd op 27-10-1898 met Lena Kaak. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Gelder, Marius Gerard de

De Gelder wist, na een voorspoedig verlopen HBS-opleiding te 's-Gravenhage, reeds op 22 jarige leeftijd aan de Polytechnische School te Delft diploma's te verwerven als civiel, werktuigkundig en scheepsbouwkundig ingenieur. Intussen had hij ook nog praktisch in Glasgow gewerkt. In 1892 werkte hij enkele maanden in Nederlandsch-Oost-Indië in dienst van de toen nog zeer prille Koninklijke Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen. Doch, hoewel hij op Java geboren was, had het leven in de tropische afzondering voor hem geen bekoring. Gedurende zes jaren werkte hij vervolgens in dienst van de Koninklijke Nederlandsche Marine op de Marinewerf te Amsterdam, die aan hem een geruime tijd gebruikt studieboek dankte over de bouw van oorlogsschepen. Toch voldeed ook deze werkkring hem niet. Vanaf 1899 was hij te Parijs werkzaam bij het scheepsbouwkundig bureau Veritas als chef van de Technische Afdeling.

Niet alleen deze aanloop voor zijn eigen carrière, doch ook de familietraditie maakte de jonge ingenieur begerenswaard voor de scheepsbouw. Zijn vader, J.A. de Gelder, had als hoofdingenieur van de Indische Waterstaat verdienste gehad voor de totstandkoming van de havenwerken van Batavia. Zijn broer W. de Gelder was als ingenieur op een werf te Kinderdijk werkzaam. Deze had in een brochure krachtig gepleit voor de vestiging van een droogdokmaatschappij aan de Maas en tevens gewezen op de achterlijke toestand waarin vrijwel de gehele Nederlandse scheepsbouw indertijd verkeerde. Dit gold zeker voor Rotterdam, waar de enige geschikt gelegen scheepswerf 'De Maas' een moeizaam bestaan leidde. Een uit het zakenleven gevormd consortium besloot in 1899 te trachten deze tak van nijverheid in Rotterdam tot nieuw leven te wekken. De initiatiefnemers vonden M.G. de Gelder bereid om op een daartoe aangekocht terrein, aan de Heyplaat, de leiding op zich te nemen van een nieuwe werf, zij het dan dat hij daartoe strikte eisen stelde: algehele volledige leiding van het te stichten bedrijf en van het samenstellen van de ganse technische installatie. In 1901 ontwierp hij te zamen met zijn vader alle plannen voor het graven van een dokbassin en voor het opstellen der werkplaatsen en machinerieën. Op 28 januari 1902 kwam de nieuwe onderneming De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij NV tot stand, in 1903 werd het nieuwe terrein betrokken. Onder ernstige aanloopmoeilijkheden heeft hij deze werf tot grote bloei gebracht, waartoe al spoedig naast de reparatie ook de nieuwbouw van zeeschepen bijdroeg.

De Gelder toonde ook grote gaven als sociaal voelend leider van zijn onderneming. Mede met het oog op de afgelegen ligging van het terrein stichtte hij voor zijn personeel het tuindorp Heyplaat, dat aan de hoogste toenmalige eisen voldeed. In 1909 werd een moderne arbeidsovereenkomst gesloten en de arbeid van jonge mensen beperkt. Tevens werd een aanzet gegeven voor een pensioenregeling. De Gelder voerde al vroeg, naar Engels voorbeeld, de vrije zaterdagmiddag in. Zijn litteraire belangstelling toonde hij mede door de publikatie van een aantrekkelijk boekje in het Nederlands en in het Engels, dat een beschrijving gaf van zijn schepping, het Tuindorp.

In 1909 benoemde de regering De Gelder tot Voorzitter der Commissie tot Vaststelling der Minimum-Uitwatering van Zeeschepen, als hoedanig hij, ondanks zijn zware taak als leider van zijn bedrijf, verdienstelijke arbeid in het algemeen belang verrichtte. In 1913 maakte hij deel uit van de delegatie die de Nederlandse regering te Londen vertegenwoordigde bij de internationale conferentie betreffende de veiligheidsmaatregelen voor het vervoer van passagiers overzee. In 1914 vertegenwoordigde hij ons land ook bij een voor hem succesrijk verlopen conferentie te St. Petersburg inzake de uitwatering, die in 1914 werd gevolgd door een conferentie te Londen met betrekking tot de speciale uitwatering van zeeschepen die met een deklast hout varen. De kort daarna uitgebroken wereldoorlog was er oorzaak van dat deze laatste conferentie toen geen gevolgen had. Tegen het einde van de oorlog werd hij in 1918 nog benoemd tot lid van een commissie ter voorbereiding van een Nederlands scheepsclassificatiebureau. Helaas bleek hij toen reeds ondermijnd door een verraderlijke ziekte, die hem op 2 mei van dat jaar op betrekkelijke jonge leeftijd ten grave sleepte. Intussen had hij in extremis toch nog een schriftelijk advies ten behoeve van deze commissie uitgebracht.

P: Elementair overzicht van den bouw der hedendaagsche oorlogsschepen (Amsterdam, 1897); Korte beschrijving van het tuindorp Heyplaat (Rotterdam, 1916); 'Het tuindorp van de Rotterdamsche Droogdok-maatschappij', in De Ingenieur 32 (1917) 926-929.

L: H. van Berckel, in De Ingenieur 33 (1918) 459-460; L. Kloos, in Rotterdamsch Jaarboekje 2e reeks 7 (1919) 57-59; Een halve eeuw "Droogdok", 1902-1952 (Rotterdam, 1952) 27-75.

I: Rotterdamsch Jaarboekje 2e reeks 7 (1919) afbeelding tegenover pagina 57 [Foto: Van der Rijk].

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013