Gielen, Josephus Johannes (1898-1981)

 
English | Nederlands

GIELEN, Josephus Johannes (1898-1981)

Gielen, Josephus Johannes, neerlandicus, pedagoog en minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (Rucphen 26-9-1898 - Beneden-Leeuwen, gem. Wamel 6-8-1981). Zoon van Johannes Gielen, winkelier, zuivelfabrikant en wethouder te Rucphen, en Johanna Hendrika Voeten. Gehuwd op 12-8-1924 met Christina Johanna Maria Mouwen. Uit dit huwelijk werden 7 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Gielen, Josephus Johannes

Gielen begon in 1918, na zijn kweekschoolopleiding in Bergen op Zoom en Breda, als onderwijzer te St. Willibrord. In 1922 werd hij leraar Nederlands en geschiedenis aan de RK Middelbare Handelsdagschool met 4-jarige cursus te Hulst. Na zijn MO-examen Nederlands in 1924 zette hij de studie vanuit Hulst voort aan de universiteit van Gent, waar hij in 1931 summa cum laude promoveerde op De wandelende jood in de Volkskunde en letterkunde. Het jaar daarop werd hij van zijn school in Hulst directeur, welke functie hij in 1938 inruilde voor die van inspecteur lager onderwijs te Roosendaal; in 1945 werd hij hoofdinspecteur lager onderwijs te Nijmegen. Zijn publicistische activiteiten, aanvankelijk voornamelijk op het terrein van de letterkunde, startte hij in 1926. Hij schreef bloemlezingen en literatuurgeschiedenissen voor het middelbaar onderwijs (bijv. Belangrijke letterkundige werken. Leidraad bij de studie der Nederlandse literatuur met bloemlezing, 3 dl., tot ver in de jaren zestig als handboek in het middelbaar onderwijs gebruikt) en publiceerde regelmatig in Tijdschrift voor taal en letteren en vooral in De hoofdakte. Maandblad voor hoofdakte-studie.

Op 3 juli 1946 volgde, nadat hij door formateur L.J.M. Beel persoonlijk daartoe aangezocht was, Gielens aantreden als minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Onder de eerste naoorlogse minister G. van der Leeuw achtte men in confessionele kring het bijzonder onderwijs bedreigd. Daarom eiste de Katholieke Volkspartij (KVP) bij de formatie van het kabinet-Beel het ministerie op. Gielen kreeg dat departement om meer dan één reden. Niet alleen kende hij het onderwijs van binnenuit, als diepgelovig mens was hij tevens een vurig voorvechter van christelijk onderwijs. Overigens gold hij als min of meer vooruitstrevend; in 1945 was hij lid geworden van de Nederlandse Volksbeweging, maar uiteindelijk had hij zich niet aangesloten bij de Partij van de Arbeid (PVDA), omdat hij dacht dat het bijzonder onderwijs bij deze partij niet veilig was.

Zijn eerste optreden als minister veroorzaakte grote verontwaardiging ter linkerzijde. Al in juli 1946 kondigde Gielen een drastische reorganisatie van het departement aan. Van der Leeuw had allerlei directoraten-generaal ingesteld en diverse vernieuwingsgezinde mensen uit de sfeer van de PVDA in hoge functies benoemd. Gielen vond de organisatie onpraktisch. Bovendien vreesde hij door bepaalde hoge ambtenaren geprest te zullen worden tot de instelling van eenheidsorganisaties ten nadele van het particulier initiatief, en dat vooruitzicht was hem, wars als hij was van 'eenheidsopvoeding door vadertje staat', een gruwel. Ten slotte achtte hij de reorganisatie nodig om in de schaarste van de wederopbouwperiode gelden vrij te maken voor het onderwijs. De PVDA-fractie in de Tweede Kamer interpelleerde de minister wel onmiddellijk, maar kon hem niet hinderen in het uitvoeren van zijn plannen.

Op wetgevingsterrein heeft Gielen weinig indruk kunnen maken. Daarvoor was de periode van twee jaar waarin het kabinet aan het bewind bleef, te kort. Veel bleef steken in de (voor)ontwerpfase. Zo werkte men ten departemente wel aan een alternatief voor de voorgestelde plannen in het in 1946 verschenen schema-Bolkestein tot reorganisatie van het onderwijs, waarvoor Gielen weinig waardering had. Voor de onderwijzersopleiding, die zijn bijzondere belangstelling had, had hij bij zijn aftreden een wettelijke regeling in ontwerp gereed, die door zijn opvolger evenwel slechts gedeeltelijk werd overgenomen. Van de wetten die Gielen nog wel tot stand kon brengen, springt - naast de hieronder te noemen wetten en de Spellingwet van 1947, die de in 1934 onder H.P. Marchant ingevoerde schoolspelling verhief tot officiële spelling - de wettelijke subsidieregeling voor het bijzonder hoger onderwijs (1948) eruit, die de subsidiëring door de diverse overheden uniformeerde en de subsidiegrenzen aanzienlijk verruimde.

Voor het overige werd Gielen in beslag genomen door de zorg vooral het lager onderwijs overeind te houden (gebrek aan lokalen, onderwijzers, leermiddelen) in een situatie waarin de minister van Financiën, P. Lieftinck, aandrong op en dwong tot de grootst mogelijke zuinigheid. Voorts had hij de handen vol aan de leerkrachten, die grote pressie uitoefenden om hun rechtspositie en salariëring aanmerkelijk te verbeteren, maar aan wie hij bij de vrijwel lege schatkist slechts gedeeltelijk tegemoet kon komen. Op het gebied van de zuivering kreeg hij vooral te maken met de omstreden perszuivering. Met de wet Noodvoorziening Perswezen (1947) opende hij de mogelijkheid van beroep tegen de uitspraken van de zuiveringscommissie. Deze wet gaf hij nadrukkelijk een tijdelijk karakter in afwachting van een definitieve, die de pers in een publiekrechtelijke organisatie aan een stelsel van normen en waarden moest binden. Ter voorbereiding van deze wet stelde hij de commissie-Pompe in, wier werk in later jaren zou stranden op de traditionele meningsverschillen omtrent de vraag of persordening, in welke vorm dan ook, verenigbaar was met de grondwettelijke persvrijheid.

Op radiogebied loste Gielen de verkiezingsbeloften van de KVP aan de oude omroepen in. Het streven naar een nationale omroep had onder het vorige kabinet vorm gekregen in de Stichting Radio Nederland in Overgangstijd, waarin de oude omroepen moesten samenwerken met voorstanders van de nationale omroep, hetgeen nauwelijks lukte en bovendien veel geld verslond. De beste remedie leek Gielen een herstel van de situatie van vóór 1940, hetgeen hij met de Stichting Nederlandse Radio Unie, die in februari 1947 in werking trad, goeddeels realiseerde.

Ook in de toen veel ophef makende benoemings-affaire aan de Universiteit van Amsterdam riep Gielen de toorn van links over zich af. In de ontluikende Koude-Oorlogssfeer vonden tegenstanders van de zogeheten Zevende Faculteit - politieke en sociale wetenschappen - een willig oor bij hem. Zij keerden zich niet alleen tegen de instelling van zo'n faculteit, maar spraken zich ook na de - door Gielen korte tijd opgehouden - instelling uit tegen de voordracht van vier kandidaat-hoogleraren, J. Suys, S. Kleerekoper, J. Presser en K. Baschwitz, die een politiek-linkse signatuur hadden. Gielen wees drie van de vier voordrachten af, nadat de confessioneel-liberale fracties in de Amsterdamse gemeenteraad aan de Kroon vernietiging van het desbetreffende gemeenteraadsbesluit hadden gevraagd. Uiteindelijk ging alleen de benoeming van een van de kandidaten - Jef Suys, in de jaren '20 even lid van de communistische partij - niet door.

Ingehuurd om het beleid van Van der Leeuw om te buigen en de handen gebonden door de geringe financiële armslag, kon Gielen buiten eigen kring nauwelijks enige populariteit oogsten. In 1948 liet de KVP hem dan ook niet terugkeren. Het jaar daarop volgde zijn benoeming aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen tot hoogleraar in de praktische pedagogiek. Samen met zijn collega St. Strasser legde hij er de grondslag voor het Pedagogisch Instituut, waar onder hun stimulans specialismen als sociale pedagogiek, orthopedagogiek, onderwijskunde en onderwijsrecht tot ontwikkeling konden komen. Omdat Gielen het opleiden van leraren als het cruciale vraagstuk van de onderwijsvernieuwing beschouwde, heeft hij tijdig en ondanks tegenwerking een begin gemaakt met een universitaire lerarenopleiding, die na 1968 tot volwaardigheid kon uitgroeien.

Open voor de veranderingen in het pedagogisch denken, evolueerde hij van een streng normatief ingestelde wetenschapper tot voorstander van een pedagogiek als empirische gedragswetenschap, al liet hij de beoefening ervan aan anderen over. Deze ontwikkeling weerspiegelt zich ook in zijn vele publikaties die hij als hoogleraar plaatste in o.a. Opvoeding; Opvoeding, onderwijs, gezondheidszorg; Pedagogisch forum en Tijdschrift voor opvoedkunde. In deze bladen, in de redactie waarvan hij meestal zitting had, schreef hij vaak onder de pseudoniemen Joh. Hulstensis, Pater familias, G. of J. Viator, Noviomagus, G., N.. Na zijn emeritaat in 1969 zette hij tot 1975 de publicistische arbeid voort, die zich na 1948 nog maar sporadisch op de letterkunde richtte.

Politiek bleef Gielen nog tot ver in de jaren '60 actief. Van 1948 tot 1949 was hij lid van de Tweede Kamer en van 1956 tot 1966 van de Eerste Kamer. Van 1949 tot 1961 was hij tevens vice-voorzitter van de KVP. Ook was hij in deze jaren politiek medewerker van het Limburgs Dagblad en leverde hij vele bijdragen aan de KVP-bladen Opmars, Politiek en Katholiek staatkundig maandschrift. De ontwikkeling die hij als pedagoog doormaakte, is ook terug te vinden in zijn houding tegenover de katholieke politiek en de katholieke kerk. In de jaren '60 distantieerde hij zich steeds meer van de behoudende elementen; de 'nacht van Schmelzer' (13/14 oktober 1966) functioneerde daarbij als katalysator. Uiteindelijk voelde hij zich, na in 1966 bedankt te hebben voor de KVP, het meeste thuis in de denkwereld van de Politieke Partij Radicalen.

Gielen heeft steeds een welhaast ontembare werklust bezeten. Naast zijn beroep studeerde hij aanvankelijk jarenlang en na 1948 ontplooide hij tal van politieke activiteiten; tegelijkertijd schreef hij talloze grotere en kleinere publikaties en vervulde hij in een groot gezin de vaderlijke plichten.

A: Archief-Gielen in het Katholiek Documentatiecentrum te Nijmegen.

P: Z.S. Herman, 'Geschriften van prof.dr. Jos. J. Gielen. Geselecteerde bibliografie (t/m 1968)', in Pedagogisch mozaïek. Opstellen. Aangeboden aan prof.dr. Jos. J. Gielen bij zijn afscheid als hoogleraar aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen ('s-Hertogenbosch, 1969) 19-54.

L: Igor Cornelissen, 'Professor Gielen: zelfkritiek en verdediging', in Vrij Nederland, 28-8-1965; L. de Klerk, 'Prof.dr. Jos. J. Gielen', in Pedagogisch Forum 3 (1969) 158-161; G.Th.M. Verhaak, 'Prof.dr. Jos. J. Gielen: een impressieve levensschets', in Pedagogisch mozaïek, 9-17; Hans van den Heuvel, Nationaal of verzuild. De strijd om het Nederlandse omroepbestel in de periode 1923-1947 (Baarn, 1976); Joost Smiers, Cultuur in Nederland 1945-1955. Meningen en beleid (Nijmegen, 1977); Max van Weezel en Anet Bleich, Ga dan zelf naar Siberië! Linkse intellectuelen en de koude oorlog (Amsterdam, 1978); J. Donner, De vrijheid van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs (Zwolle, 1978); M.J.I. Bos, 'Prof.dr. Jos. J. Gielen tachtig jaar (26 september 1978)', in Pedagogisch tijdschrift 4 (1979) 181-182; idem, ibidem, 6 (1981) 334-335; Hans van den Heuvel, De vrijheid van de pers. De overheid en het commerciële karakter van de pers 1944-1949 (Baarn, 1981).

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a3114 [Foto: archief KVP; Gielen in 1948].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013