Giljam, Job Boudewijn (1881-1964)

 
English | Nederlands

GILJAM, Job Boudewijn (1881-1964)

Giljam, Job Boudewijn, scheepsbouwkundige (Goes 17-6-1881 - 's-Gravenhage 5-9-1964). Zoon van Job Boudewijn Giljam, koopman, en Marcella Gosewina Catharina Maria van Nouhuijs. Gehuwd op 20-6-1910 met Maria Elisabeth Thierens. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Giljam, Job Boudewijn

Giljam bezocht de HBS te Middelburg om vervolgens aan de toenmalige Polytechnische School te Delft in 1906 het diploma van werktuigkundig ingenieur te behalen. Na enkele jaren van werkzaamheid te Berlijn bij de Berlin Anhaltischen Maschinenbau AG trad hij in 1908 in dienst van het Gemeentelijk Gasbedrijf te Rotterdam, waar hij zich bezighield met de modernisering van uitbreiding van de fabrieksgebouwen. In 1910 ging hij tijdelijk over tot de Staatsmijnen te Heerlen om in 1915 terug te keren naar Rotterdam, ditmaal als hoofdingenieur bij de Steenkolen-Handelsvereeniging. Vervolgens werd Giljam in 1919 opgenomen in de directie van de Machinefabriek en Scheepswerf P. Smit Jr. NV, die behoorde tot de invloedssfeer van de veelzijdige havenondernemer D.G. van Beuningen, met wiens jongere broeder Giljam dit bedrijf op een hoog technisch peil leidde. Een spectaculair initiatief was tijdens de eerste naoorlogse inzinking van de bedrijvigheid de bouw van een grote ijsbreker voor Finland naar eigen ontwerp. Een duidelijke impuls tot de ontwikkeling van de machinefabriek van de onderneming gaf hij door het afsluiten van een licensie-overeenkomst voor Dieselmotoren met de Deense firma Burmeister & Wain. In het algemeen belang verwierf hij zich naast het werk voor zijn werf door zijn intensieve bemoeienis met verbetering van de oeververbinding over de Nieuwe Maas te Rotterdam, die na de Eerste Wereldoorlog de achilleshiel van de havenstad was geworden. Reeds in 1918 maakte hij daarvoor een plan, dat te hoog greep, doch toen het gemeentebestuur niet uit het probleem kwam richtte hij in februari 1922 een tweede adres aan Burgemeester en Wethouders, dat hij de volgende maand door een 'Naschrift' deed volgen. De kern hiervan was een voorstel tot opvijzeling van de bestaande Willemsbrug over de rivier, waardoor zonder de hoge kosten, die een radicale oplossing in die jaren onmogelijk maakten, een aanmerkelijke verbetering zou kunnen worden verkregen. Dientengevolge zou het leeuwedeel van het Rijnvaartverkeer de hefbrug over de Koningshaven kunnen vermijden door onder de verhoogde vaste Willemsbrug door te varen. Met krachtige steun van de Kamer van Koophandel & Fabrieken werd na nog enkele jaren van voorbereiding en strijd de essentie van dit 'Naschrift-Plan-Giljam' aanvaard, een zeldzaam staaltje van de verwezenlijking van een particulier initiatief in een overheidsprobleem. In de crisisjaren en gedurende de Tweede Wereldoorlog toonde Giljam zich ook buiten zijn technische bemoeiingen een voortreffelijk leider van de onderneming. Op 1 juli 1957 trok hij zich terug, maar hij bleef als adviseur aan het bedrijf verbonden.

L: Gedenkboek [van de] Kamer van Koophandel en Fabrieken Rotterdam 1803-1928. (Rotterdam, 1928) 837-844; Interview in NRC, 27-6-1957; Trouw, 22-6-1957 en 3-7-1957; 'Ir. J.B. Giljam 1881-1964', in De Ingenieur 76 (1964) 40 (2 oktober) A 600; C.A.A. de Graaf, in Rotterdams Jaarboekje 7e reeks 3 (1965) 222-224.

I: Rotterdams Jaarboekje 7e reeks 3 (1965) afbeelding 53, tegenover pagina 224 [Giljam in 1929].

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013