Goslinga, Adriaan (1884-1961)

 
English | Nederlands

GOSLINGA, Adriaan (1884-1961)

Goslinga, Adriaan, hoogleraar geschiedenis (Bolsward 26-9-1884 - Amsterdam 2-2-1961). Zoon van Simon (Tjeerds) Goslinga, predikant, en Maatje Elisabeth Steketee. Gehuwd op 26-7-1926 met Johanna Louisa Huisken. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren.

Goslinga was van afgescheiden gereformeerden huize. Verscheidene van zijn naaste verwanten hebben de uit de Afscheiding voortgekomen kerken als predikant gediend. Ook Goslinga voelde zich nauw met de Afscheiding verbonden: ze heeft zijn visie op de negentiende eeuw grotendeels bepaald. Predikant werd deze domineeszoon echter niet. Na het stedelijk gymnasium te Schiedam te hebben doorlopen, liet hij zich in 1903 te Leiden inschrijven als student in de Nederlandse letteren. Vervolgens was Goslinga van 1911 tot 1913 leraar aan het christelijk gymnasium te Rotterdam. Zijn leermeester C.H.Th. Bussemaker had intussen zijn belangstelling gewekt voor Simon van Slingelandt als Europees staatsman. Een dissertatie onder de titel: Slingelandt"s efforts towards European Peace. Part I (1915), moest van deze belangstelling een eerste vrucht zijn. Een begin, meende Goslinga toen. De vier hoofdstukken van dit proefschrift zouden in een definitieve uitgave met vier andere vermeerderd worden. Het tweede stuk bleef echter in de pen. Het was niet de laatste maal dat Goslinga in grotere concepties dacht dan zijn liefde voor het detail hem toestond te verwezenlijken. Bovendien werd Goslinga's aandacht weldra van Van Slingelandt afgeleid. Hij werd eerst weer leraar, nu aan de rijks-HBS te Winterswijk (1915-1918), daarna hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (1918-1955) voor de algemene en vaderlandse geschiedenis na 1648, en het Middelnederlands.

De geschiedwetenschap deed met Goslinga haar intrede aan deze universiteit, en de nieuwe hoogleraar schetste een werkprogramma in zijn inaugurele oratie: Koning Willem I als verlicht despoot. Het calvinisme zou uitgangspunt zijn, beschrijving van dat calvinisme tevens doel. Overal waar het zich had kunnen doen gelden, 'daar legde het op het volksleven beslag, zette het den volksgeest om, en wekte een volkskracht, die de volkswelvaart, de geestelijke zoo goed als de stoffelijke, tot vroeger ongekende hoogte verhief. Dat Goslinga dit brede kuyperiaanse panorama niet zelf zou gaan schilderen deed de uitwerking van het eigenlijke thema reeds blijken. Het ging die middag niet over Willems economische en koloniale politiek, doch uitsluitend over de plaats van kerk en school. In zoverre gaf de rede inderdaad een eigen werkplan. Want al heeft Goslinga zijn onderwijstaak ernstig op gevat, en verwaarloosde hij daarbij ook het Middelnederlands niet, zijn onderzoek zou zich van nu af aan vrijwel geheel richten op het geestelijk leven in Nederland gedurende de negentiende eeuw, met de schoolstrijd in het centrum. Toen het Gezelschap van Christelijke Historici in 1941 een leemtenlijst in het licht zond van onderwerpen wier bestudering bij uitstek wenselijk was 'van het standpunt eener christelijke geschiedbeschouwing', hadden 25 van de 150 gekozen nummers op de schoolstrijd betrekking. Daaruit sprak zonder twijfel de invloed van Goslinga: algemene vraagstellingen, aldus de opstellers van de lijst, werken het ontstaan van vooroordelen in de hand. Ze geven te gemakkelijk tot beantwoording 'in de ruimte' aanleiding. 'Slechts via détail-onderzoek zijn wij in staat ze tot hun recht te laten komen.' Die aanpak strookte volkomen met Goslinga's wijze van werken: geduldige en kritische bestudering van het bijzondere. De Groen-kenner Goslinga heeft geen woord van Groen van Prinsterer meer ter harte genomen dan de waarschuwing, dat grondig onderzoek door niets zo belemmerd wordt als door voorbarig jagen naar resultaten. In Goslinga's oeuvre spreekt meer dan eens wantrouwen jegens vakgenoten die een boodschap in de geschiedenis hadden gevonden. Daarvoor was het eigenlijk altijd nog te vroeg, om het even of nu Geyl dan wel zijn goede vriend Gerretson voor de ontdekking aansprakelijk was. Voor de geschiedschrijver bestonden geen gevaarlijker verleidingen dan propagandistische oogmerken.

Zijn schermutseling met Groot-Nederlanders in De Belgische opstand van "Dietsche" zijde verklaard [1932] bleef een van de weinige wapenfeiten uit Goslinga's confrontatie met vertegenwoordigers van andere denkrichtingen dan de zijne. De gereformeerden van het interbellum verwijlden gaarne in het isolement, en Goslinga voelde zich in deze afzondering uitstekend op zijn gemak. Zijn publikaties dienden vooral de eigen kring en verschenen in voor geestverwanten bestemde periodieken, zoals Antirevolutionaire Staatkunde en de Jaarverslagen van het Bilderdijk Museum. Daar Goslinga zich bovendien nog weinig in het maatschappelijk leven bewoog, houdt zijn werk een zekere beperktheid. De in 1948 gemaakte opmerking, van zijn Tilburgse collega Verberne, dat de historici nog geen verband gezocht hadden tussen twee veel bestudeerde ontwikkelingen van de negentiende eeuw, de schoolstrijd en het arbeidersvraagstuk, is op Goslinga volledig van toepassing.

Goslinga's leeropdracht en belangstelling maakte het bijna onvermijdelijk dat hem - te zamen met Gerretson - de uitgave werd opgedragen van Groen van Prinsterers schriftelijke nalatenschap. Aan de uitvoering offerde hij zeer veel tijd, en de voltooiing van dit langlopende project heeft hij niet beleefd. Goslinga beschouwde deze arbeid als plicht; in dat teken zag hij al zijn werkzaamheden. Van zichzelf verlangde hij de uiterste nauwkeurigheid, en hij stelde die eis ook aan zijn studenten. Scripties werden gevijld en geschaafd, tot ze geheel aan zijn norm voldeden. Goslinga's streven naar acribie en volledigheid verhinderde dan ook dat een oeuvre van aanzienlijke omvang ontstond.

P: Bibliografie in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1960-1961. Levensberichten 69-71. Sindsdien verscheen nog in de reeks Groen van Prinsterer. Schriftelijke nalatenschap. Briefwisseling. Vierde deel (1866-1876). Bew. door A. Goslinga. Voltooid door J.Lª. van Essen ('s-Gravenhage, 1967).

L: H.G. Schulte Nordholt in Jaarboek alsv., 62-69; Leemtenlijst van het Gezelschap van Christelijke Historici 1941 [S.l., 1941]; Geesteswetenschappelijk onderzoek in Nederland (Amsterdam, 1948)312.

A.Th. van Deursen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013