Goudoever, Hendrik van (1876-1945)

 
English | Nederlands

GOUDOEVER, Hendrik van (1876-1945)

Goudoever, Hendrik van, jurist (Oldemarkt (Ov) 19-12-1876 - Groningen 14-12-1945). Zoon van Hendrik van Goudoever, directeur van de Staatsloterij, en Agatha Johanna Koning. Gehuwd op 16-3-1911 met Alwina Carolina Gordon. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Van Goudoever bezocht het gymnasium te 's-Gravenhage en werd in 1895 student in de rechten te Leiden. Op 9 oktober 1902 werd hij als doctorandus in de rechten aldaar voor korte tijd benoemd tot lector in Romeinsch Recht en zijn Geschiedenis, ter vervanging van de zieke hoogleraar P.A. Tichelaar. Helaas promoveerde in die tijd een ander op het door hem gekozen onderwerp, zodat Van Goudoever genoodzaakt werd een andere keuze te maken en opnieuw te beginnen. Niettemin volgde zijn promotie al op 10 april 1905 te Leiden cum laude op het proefschrift Bijdragen tot de leer der zaakwaarneming (Leiden, 1905). Hierna vestigde hij zich in Den Haag als advocaat en procureur; ook als repetitor was hij toen zeer gezocht. Hij schreef in die jaren enige artikelen in het Rechtsgeleerd Magazijn (1914) en het Weekblad van het Recht (1916). In 1906 werd hem een voor zijn leeftijd zeldzame onderscheiding, nl. het lidmaatschap der Staatscommissie belast met het afnemen der notariële examens, toegekend. Van deze commissie, die elk jaar opnieuw werd benoemd, bleef hij, met korte onderbrekingen wegens ziekte, tot zijn dood lid. Dit werk had zijn grote belangstelling, vooral het schriftelijke derde gedeelte met zijn werkstukken en rechtsvragen.

Op 6 november 1909 werd Van Goudoever benoemd tot rechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Hier begon hij een geheel eigen en nieuwe bewerking van Verbintenissenrecht in de bekende Asser-serie, daarmee uit de handen van J. Limburg de zorg voor het enige nog incomplete deel van dit grote werk overnemend. Met deze fraaie bewerking verzekerde hij zich voorgoed van een vooraanstaande plaats onder de privaatrechtsgeleerden. Bij KB van 14 april 1917 werd hij benoemd tot hoogleraar in het burgerlijk recht, het handelsrecht, en het internationaal privaatrecht aan de Universiteit van Groningen. Hij aanvaardde zijn ambt op 23 juni met de oratie Over samenloop en strijd van eigen wetten in het burgerlijk recht (Groningen, 1917).

Ofschoon hij aan de wetenschap zijn hart had verpand, liet hij de praktijk niet los. Als rechter-plaatsvervanger nam hij zeer geregeld deel aan de behandeling van burgerlijk-rechtelijke zaken in de arrondissementsrechtbank te Groningen. De vele taken werden hem evenwel te zwaar. In december 1923 kreeg hij een zenuwinstorting, die echter in het voorjaar van 1925 overwonnen bleek. Nog gedurende 20 jaar nadien kon hij zijn universitaire taak blijven vervullen, zich verdiepend niet alleen in de binnenlandse, maar ook in de buitenlandse, o.a. de Amerikaanse, rechtsliteratuur. Voor enkele juridische genootschappen hield hij uiterst verzorgde en zeer scherpzinnige lezingen, bijv. voor Pro Excolendo Jure Patrio, en op 30 mei 1939 voor het Provinciaal Utrechtsen Genootschap, Sectie rechtsgeleerdheid en staatswetenschappen, over Wat ontbindt de wederkeerige overeenkomst? Op 18 september 1933 sprak hij als rector magnificus de rede uit Waardij van recht (Groningen, 1933) en op 5 oktober 1938 hield hij ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van het burgerlijk wetboek een rede, getiteld Herdenking van de invoering van eigen wetgeving met ingang van 1 October 1838 (Groningen, 1938).

Van Goudoever was een bescheiden en fijnzinnig mens en een rechtsgeleerde van de eerste orde. Kritisch worstelend met de stof schiep hij er orde en regelmaat in en drong hij door tot de kern van de zaken; haast te kwistig putte hij uit de rijke schat van zijn kennis; oppervlakkigheid was hem vreemd. Dit én zijn niet sterke gezondheid zijn er de oorzaak van geweest dat hij geen omvangrijk oeuvre heeft nagelaten. De kwaliteit ervan was evenwel voortreffelijk.

De oorlogsjaren hebben hem in zijn rechtsgevoel en zijn gezondheid zeer geschokt. De onzekerheid omtrent het lot van zijn oudste dochter tijdens de Japanse bezetting en ten slotte de brand die tijdens de bevrijdingsdagen in april 1945 zijn huis en zijn met zorg verzamelde boekerij verwoestte, waren hem te veel. Na een kort verblijf in het ziekenhuis overleed hij eind 1945.

P: Behalve de reeds genoemde publikaties: Verbintenissenrecht, in C. Asser, Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch burgerlijk recht (Zwolle, 1913-1921) 1-370 en 'Toerekening in het recht', in W.J. Aalders [et al]. Causaliteit en wilsvrijheid (Groningen, 1936) 113-130.

L: J.C. van Oven, in Nederlandsch Juristenblad 19-20 (1944-1945) 403-404; I. B. Cohen, in Jaarboek van de Rijksuniversiteit te Groningen 1946, 43-47.

W.M. Peletier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013