Graeff, jhr. Andries Cornelis Dirk de (1872-1957)

 
English | Nederlands

GRAEFF, jhr. Andries Cornelis Dirk de (1872-1957)

Graeff, jhr. Andries Cornelis Dirk de, gouverneur-generaal en minister ('s-Gravenhage 7-8-1872 - 's-Gravenhage 24-4-1957). Zoon van jhr. Dirk de Graeff, consul-generaal en minister-resident in Japan, en Bonne Elisabeth Roijer. Gehuwd op 25-3-1897 met jkvr. Caroline Angélique van der Wijck. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 4 dochters geboren. afbeelding van Graeff, jhr. Andries Cornelis Dirk de

De Graeff ging na zijn gymnasiumtijd te 's-Gravenhage in 1890 rechten studeren te Leiden. In 1894 promoveerde hij tot doctor in de rechtswetenschap op het proefschrift Art. 126 der Grondwet (Leiden, 1894), over de verantwoording van de rijksuitgaven en -ontvangsten. Precies een jaar later, op 12-6-1895, legde hij, eveneens te Leiden, met goed gevolg het examen voor de Indische bestuursdienst af, waarna hij solliciteerde naar een rechterlijke betrekking in Ned.-Indië. Hij gold, blijkens het vanwege de Leidse Universiteit aan de minister van Koloniën, J.H. Bergsma, uitgebrachte verslag, als een der betere studenten, gepromoveerd op een goede dissertatie en met een uitstekende kennis van het staatsrecht. De Graeffs belangstelling voor een loopbaan buiten Nederland kan wellicht zijn beïnvloed door zijn vader, die zelf kon terugzien op een avontuurlijk bestaan als Nederlands vertegenwoordiger in Japan in de moeilijke jaren van de openlegging van dat land (1863-1870).

Bij besluit van de minister van Koloniën van 19-8-1895 werd De Graeff ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal, jhr. C.H.A. van der Wijck, en, nadat hij nog dat zelfde jaar in Indië was aangekomen, op de Algemene Secretarie te Buitenzorg geplaatst. Hij zou, in afwijking van zijn aanvankelijk voornemen, het grootste deel van zijn verdere ambtelijke loopbaan bij dat zenuwcentrum van de Indische administratie werkzaam blijven. De Graeff bleek al spoedig een zeer bekwaam secretarieambtenaar. Daarbij zal zijn huwelijk met een van de dochters van de toenmalige gouvemeur-generaal zijn promotiekansen niet ongunstig hebben beïnvloed. In 1900 benoemd tot hoofdcommies en in 1902 tot referendaris, werd hij in 1905 bevorderd tot secretaris van het gouvernement, in 1909 tot eerste secretaris en in 1913 tot algemeen secretaris. Onmisbare vraagbaak voor elke gouverneur-generaal - De Graeff kende immers als geen ander de weg in de doolhof van Indische administratieve voorschriften - werd hij nog geen jaar later (bij KB van 15-7-1914) benoemd tot lid van de Raad van Nederlandsch-Indië. Onder voorbijgaan van twee raadsleden met meer dienstjaren, werd hij met ingang van 2-1-1917 benoemd tot vice-president van dat college. Dit hoogste ambt dat in een 'gewone' Indische carrière bereikbaar was, heeft hij overigens maar kort bekleed. Om gezondheidsredenen en in verband met de opvoeding van zijn kinderen nam hij met ingang van 2-9-1918 pensioen en vertrok naar Nederland.

De belangrijkste ontwikkeling in Indië tijdens De Graeffs 23-jarige loopbaan was ongetwijfeld de opkomst van de 'inlandse' beweging, mogelijk gemaakt door de ethische politiek en de uitbreiding van onderwijsfaciliteiten voor de inheemse bevolking. Tevens had zich steeds duidelijker het verlangen geopenbaard om aan Indië en de daar levende bevolkingsgroepen zeggenschap te geven bij de afdoening van interne Indische kwesties. Een markant punt in deze evolutie was de instelling van de Volksraad in 1918 geweest. De staatkundige ontwikkeling van het land leek dat jaar in een stroomversnelling te komen, toen gouverneur-generaal J.P. graaf Van Limburg Stirum met zijn bekende 'Novemberbeloften' het uitzicht opende op verdergaande hervormingen.

In tegenstelling tot vele andere 'oudgasten' stelde De Graeff zich positief tegenover het ontwakend nationalisme op. In Nederland aangekomen, stelde hij zich tot doel de houding van Van Limburg Stirum, met wie hij nauw bevriend was - zij waren te Leiden jaargenoten geweest -, bij de minister van Koloniën, A.W.F. Idenburg, te verdedigen. Zo bepleitte De Graeff om binnen een afzienbare periode de Volksraad tot een werkelijke vertegenwoordiging te hervormen met een aan de raad verantwoordelijke Indische regering. Al spoedig werd hij echter tot een andere werkkring geroepen, waardoor hij de ontwikkelingen in Indië voorlopig slechts uit de verte zou volgen. Op 13-12-1919 werd hij benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van Nederland te Tokio, waarmee hij dus de voetstappen van zijn vader drukte. Bij KB van 16-11-1922 werd hij hoofd van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te Washington. Deze functie oefende hij uit tot 29 juli 1926 tegen een jaarwedde van f 12.000.-.

Al in 1916, bij het aftreden van Idenburg als gouverneur-generaal, was De Graeff als een serieuze kandidaat beschouwd voor de land voogdij. Van uitstel kwam in dit geval geen afstel: bij KB van 26-3-1926 werd hij benoemd tot gouverneur-generaal op de gebruikelijke jaarwedde van f180.000.-(+f 60.000.-uitrustingskosten). Na het repressieve bewind van D. Fock, dat de Indonesische nationalisten in hun verwachtingen had teleurgesteld, leek De Graeff de aangewezen man om het vertrouwen in het Nederlandse bestuur te herstellen. Bij zijn ambtsaanvaarding in de Volksraad op 7-9-1926 verklaarde De Graeff dat hij 'eerbied' had voor de nationalistische idealen en sprak hij van de noodzaak het vertrouwen van de inheemse bevolking, 'voor zover het teloor is gegaan', in de rechtvaardigheidszin van de regering te herstellen; een uitlating die hem achteraf door Fock en de rechtse partijen in de Tweede Kamer nogal kwalijk is genomen.

Al spoedig zou De Graeff te maken krijgen met een ernstige uitbarsting van Indonesisch, in hoofdzaak door communisten georganiseerd, verzet: in november 1926 deden zich ongeregeldheden voor in West-Java; in januari 1927 op de Westkust van Sumatra. Deze gebeurtenissen maakten zowel in Indië bij de Europese bevolkingsgroep als in Nederland diepe indruk. De Graeff trof harde tegenmaatregelen om het geschokte Nederlandse gezag te herstellen. Enkele doodvonnissen werden voltrokken, ruim 4500 personen tot vrijheidsstraffen veroordeeld en vele honderden bij wijze van administratieve maatregel een gedwongen verblijfplaats aangewezen in het daartoe opgerichte interneringsoord Boven-Digoel in Nieuw-Guinea.

Toch liet De Graeff zich hierdoor niet weerhouden zijn politiek van toenadering tot de Indonesische nationalisten voort te zetten. Over de kracht van hun beweging en hun aanhang maakte hij zich immers geen illusies. 'Wij staan', zo schreef hij in 1928 aan Van Limburg Stirum, 'voor een eindelooze steeds heftiger wordende strijd, waarin wij het op den duur zullen moeten afleggen.' Door vertrouwen te schenken hoopte hij echter vertrouwen te wekken, waardoor de ontwikkeling alsnog in goede banen zou kunnen worden geleid. In deze politiek paste dan ook het initiatief van De Graeff, begin 1927, om door wijziging van de Indische staatsregeling het aantal Indonesische leden van de Volksraad van 25 op 30 te brengen. Dit voorstel, dat neerkwam op een ongedaan maken van een Tweede-Kamervotum uit 1925, bovendien zo kort na de communistische woelingen gedaan, riep heftig verzet op bij de Europese bevokingsgroep, die van een 'inlandse meerderheid' in de Volksraad niet wilde weten. Ook de Raad van Indië verklaarde zich tegen het denkbeeld. De Graeff zette echter door. Zijn voorstel kreeg de steun van een meerderheid in de Volksraad en werd met medewerking van de Staten-Generaal in 1928 tot wet verheven. De oprichting van de conservatieve Vaderlandsche Club, een jaar later, kan men zien als een reactie in Europese kring op De Graeffs door velen verfoeide 'slap-ethische' politiek.

Ook het Indonesische nationalisme zou zich in deze tijd krachtiger organiseren. De non-coöperatiegedachte won terrein (hetgeen er onder meer toe leidde dat enkele door De Graeff aangezochte Indonesische politici een zetel in de Volksraad weigerden). De door ir. Soekarno in 1927 opgerichte Partai Nasional Indonesia (PNI) wenste met niets minder genoegen te nemen dan volledige onafhankelijkheid ('merdeka'). Eind 1929, toen in verband met de nationalistische acties een zeer nerveuze stemming was ontstaan, liet De Graeff Soekarno en enkele andere PNI-leiders arresteren. Hij meende echter dat het niet aanging hen geruisloos te interneren, zoals de Raad van Indië en het parket hadden gewild, maar dat de rechter zou moeten beoordelen of het voor een veroordeling vereiste bewijs aanwezig was. Uiteindelijk verleende hij Soekarno na diens veroordeling gratie van straf; een van de laatste besluiten die hij als gouvemeur-generaal nam. Hij handelde daarmee tegen de uitdrukkelijke wens van minister van Koloniën, S. de Graaff, met wie de verstandhouding minder goed was dan met diens in 1929 afgetreden voorganger, J.C. Koningsberger.

Als een teleurgesteld man legde De Graeff op 12-9-1931 het bewind neer. Onder zijn bestuur was de nationalistische beweging verder geradicaliseerd en de tegenstelling sini-sana (zij van 'hier', dus de inheemsen, en de mensen van 'daar', de Nederlanders) verscherpt. De ethische politiek, waarvan De Graeffde laatste belangrijke representant in het Indische bestuur is geweest, was op een mislukkig uitgelopen.

Terug in Nederland zou De Graeff, hoewel de zestig reeds gepasseerd en niet bij een politieke partij aangesloten, in het tweede en derde kabinet-Colijn (van 26-5-1933 tot 24-6-1937) als minister van Buitenlandse Zaken optreden. Als zodanig zag hij zich geconfronteerd met het falen van de Volkenbond, vooral in het Italiaans-Ethiopisch conflict, en de liquidatie van het verdragensysteem van Versailles ten gevolge van de Duitse herbewapening. Onder deze omstandigheden greep Nederland terug op de beproefde neutraliteitspolitiek van vóór 1914, aangezien, zoals De Graeff verklaarde, een universele volkenbond met een eigen sanctieapparaat te hoog gegrepen bleek. Na zijn aftreden in 1937 heeft hij geen publieke ambten meer bekleed.

De Graeffs optreden kenmerkte zich door een frisheid en onbevangenheid die opmerkelijk mogen worden genoemd bij een man die op een zo lange ambtelijke loopbaan kon terugzien. Onorthodox in godsdienstig opzicht - hij behoorde tot de remonstranten - was hij dit ook in politieke kwesties. Terwijl zijn landgenoten in Indië, hoewel zij zijn idealisme niet in twijfel trokken, hem vaak gebrek aan werkelijkheidszin toeschreven, bleek hij zijn tijd beter verstaan te hebben dan zijn critici.

A: Een particulier archief-De Graeff berust op het Algemeen Rijksarchief; zie verder collectie-J.B. van der Houven van Oordt in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Ambtelijke en persoonlijke correspondentie van De Graeff in De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Een bronnenpublicatie. Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1964-1965.2 dl.); De ontwikkeling van de nationalistische beweging in Nederlandsch-Indië. Bew. door R.C. Kwantes (Groningen, 1978-1981) II en III.

L: H.T. Colenbrander, 'Bij het aftreden van gouverneur-generaal De Graeff', in De Gids 95 (1931) III, 373-404; J.E. Stokvis, 'Een landvoogdij', in De Socialistische Gids 16 (1931) 824-831; Rn. Ms. Noto Soeroto, 'Een groote Nederlander. Bij het afscheid van jhr.mr. A.C.D. de Graeff van Indonesië', in Oedaya 8 (1931) 124-125; Het beleid van gouverneur-generaal De Graeff in "De Tijd" [Door L.J.M. Peber et al.] (Buitenzorg, [1932]); D.M.G. Koch, Batig slot. Figuren uit het oude Indië (Amsterdam, 1960) 35-40; P.J. Oud, Het jongste verleden 1918-1940 (Assen, 1968) passim; Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954). Uitg. door Joh. de Vries (Groningen, 1970. 3 dl.); John Ingleson, Road to exile. The Indonesian nationalist movement, 1927-1934 (Singapore, 1979); P.J. Drooglever, De Vaderlandsche Club 1929-1942. Totoks en de Indische politiek (Franeker, [1980]); E.B. Locher-Scholten, 'Een liberaal autocraat, gouverneur-generaal mr. J.P. graaf van Limburg Stirum (1916-1921)', in BMGN 95 (1980) 64-126; A. Kersten, Buitenlandse Zaken in ballingschap. Groei en verandering van een ministerie 1940-1945 (Alphen aan de Rijn, 1981); J. Woltring, 'De Drooglegging in de Verenigde Staten en het Verdrag met Nederland van 1924', in Jaarboek van het Departement van Buitenlandse Zaken 1981-1982, 155-163; Documenten betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1919-1945. Periode A. Bew. door J. Woltring ('s-Gravenhage, 1983) IV.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 553.

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013