Greven, Hendrik Barend (1850-1933)

 
English | Nederlands

GREVEN, Hendrik Barend (1850-1933)

Greven, Hendrik Barend , jurist en hoogleraar economie (Rotterdam 21-12- 1850 - 's-Gravenhage 13-12- 1933 ). Zoon van Jacob Greven, behanger, en Wilhelmina Johanna Gubbels. Gehuwd op 13-7-1876 met Catharina Spieringshoek. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

Greven volgde van 1863 tot 1868 het gymnasium te Rotterdam en vervolgens de rechtenopleiding aan de Leidse universiteit, na een aanvankelijke keus voor theologie. Hij promoveerde in 1875 te Leiden bij prof. S. Vissering op De ontwikkeling der bevolkingsleer (Leiden, 1875). Na een leraarschap staatswetenschappen aan de HBS te Leiden werd hij in 1879 lid-secretaris van het Muntcollege te Utrecht, om in 1880 aan de Leidse rechtenfaculteit Vissering op te volgen als hoogleraar staathuishoudkunde, statistiek en staatkundige geschiedenis.

Samen met N.G. Pierson, A. Beaujon en J. baron D'Aulnis de Bourouill vormde hij de groep hoogleraren die de grensnuttheorie - van W.S. Jevons, C. Menger, L. Walras rond 1870, iets later ook E. von Böhm-Bawerk - in Nederland introduceerden. Uit dien hoofde was hij een exponent van de deductieve richting in de economie, hetgeen onder meer bleek uit zijn inaugurele rede Oude en nieuwe economie. Eene poging tot verzoening (Utrecht, 1880) en zijn rectoraatsrede in 1903 getiteld 'Theoretische economie en sociale politiek' (Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1902-1903. Bijl. 3-30), waarin hij de betekenis van de theorie voor de praktijk besprak.

Het vak economie werd in die tijd in Nederland overigens alleen gestudeerd en gedoceerd binnen de juridische faculteit; als aparte studierichting en faculteit werd het vak pas in 1937 wettelijk erkend.

Greven behoorde tot de liberalen in de laatste decennia van de 19de eeuw met positieve belangstelling voor het sociale vraagstuk, hetgeen tot uiting kwam in daad en geschrifte. Hij was commissaris van de Onderlinge Verzekeringsmaatschappij tegen geldelijke gevolgen van ongelukken, in 1892 opgericht als eerste landelijke maatschappij van dat type, en lid van de staatscommissie van 1895 voor de ouderdoms- en invaliditeitsverzekering. In geschriften pleitte hij voor verplichte, wettelijk geregelde sociale verzekering en andere sociale wetgeving: bijv. een brochure van de Liberale Unie Over staatszorg betreffende de verzekering van werklieden (Nijmegen, 1893); een artikel in De Economist van 1893 over de 8-urenwerkdag en (samen met J.C. de Marez Oyens) 'Prae-adviezen betreffende de vraag: Is het wenschelijk ten bate der arbeiders dwangverzekering in te voeren, voor zoover betreft de gevolgen van ongelukken in de uitoefening van het bedrijf ondervonden?' (Handelingen der Nederlandsche Juristen-Vereemging 18 (1887) 1, 109-143). Gegevens uit deze laatste publikatie werden gebruikt voor de ontwerpen van 1897 en 1898 voor een Ongevallenwet. Greven behoorde tot de liberalen die zich verzetten tegen een liberalisme dat zich ook in sociale aangelegenheden geheel van de staatsinterventie wenste te onthouden.

Naast deze activiteiten maakte Greven deel uit van de Centrale Commissie voor de Statistiek, vanaf 1892 als lid en van 1899 - bij de oprichting van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) - tot 1926 als vice-voorzitter. Samen met onder meer Pierson, Beaujon, en D'Aulnis de Bourouill nam hij in 1889 zitting in de redactie van De Economist, die werd gevormd na de dood van J.L. de Bruyn Kops, oprichter en tot dan enige redacteur. Onder deze redactie ontwikkelde het tijdschrift zich geleidelijk tot een forum voor meer theoretisch geïnteresseerde economisten, nadat het eerder primair gericht was geweest op praktische vraagstukken en feitelijke economische overzichten. Tot aan de reorganisatie van de redactie in 1912 bleef Greven redactielid en vanaf dat jaar tot aan zijn dood medewerker. Op 20 september 1915 had Greven ondertussen zijn Leidse hoogleraarsambt om gezondheidsredenen neergelegd - zijn opvolger werd D. van Blom - maar hij bleef publiceren. Zo leverde hij bijdragen aan De Economist en schreef hij ook in De Gids - in 1892 had hij daarin reeds over Pierson gepubliceerd - en in The Economic Journal. Een veelschrijver was hij evenwel ook toen niet. Als theoreticus haalde hij zeker niet het niveau van zijn geestverwant Pierson, in het algemeen de belangrijkste van de generatie Nederlandse economisten van die tijd. Naar aanleiding van zijn afscheid als hoogleraar verscheen de bundel Sociaal-economische opstellen aangeboden aan mr. H.B. Greven... (Haarlem, 1916).

P: Behalve de reeds genoemde werken: 'Simon Vissering', in Almanak van het Leidsch Studentencorps 75 (1889) 359-367 en bibliografie van de voornaamste werken in onderstaand Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1933-1934, 19-20.

L: D. van Blom, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1933-1934. Levensberichten, 16-19; E.C. Knappert, in Leidsch Jaarboekje 26 (1933-1934) LXVII-LXX; 'Mr. Hendrik Barend Greven', in De Economist 83 (1934) 1-2; necrologie in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1934 , 77-78; D. van Blom, in Almanak van het Leidsch Studentencorps 121 (1935) 95-96; W. de Vries Wzn., De invloed van werkgevers en werknemers op de totstandkoming van de eerste sociale verzekeringswet in Nederland (de Ongevallenwet 1901) (Deventer, [1970]) passim.

A.C.A.M. Bots


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013