Haan, Jakob (Jacob) Israël de (1881-1924)

 
English | Nederlands

HAAN, Jakob (Jacob) Israël de (1881-1924)

Haan, Jakob (Jacob) Israël de, letterkundige, jurist, journalist (Kloosterveen, gem. Smilde 31-12-1881 - Jeruzalem (Palestina) 30-6-1924). Zoon van Izak de Haan, koopman, voorzanger en godsdienstleraar, en Betje Rubens. Gehuwd op 28-3-1907 met Johanna Belia Cornelia Jacoba van Maarseveen. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Haan, Jakob (Jacob) Israël de

De Haan kwam uit een kleinburgerlijk joods-orthodox milieu, door zijn zuster Carry van Bruggen beschreven in Het huisje aan de sloot (Amsterdam, [1921]). Zijn karakter werd gekenmerkt door een gewrongenheid die zijn leven beslissend beïnvloedde.

In 1900 behaalde bij het onderwijzersdiploma aan de rijkskweekschool te Haarlem. Hij kreeg een aanstelling als onderwijzer aan een volksschool in 1899 te Amsterdam. Naast zijn werk op school schreef hij, vanaf de oprichting van Het Volk in 1900, sociaal-realistische schetsen, verzorgde hij de wekelijkse kinderrubriek en hield hij zich bezig met het schrijven van gedichten. Sinds 1899 stond De Haan in contact met Frederik van Eeden, met wie hij zijn leven lang bevriend bleef, al stond deze vriendschap wel eens onder spanning. In dezelfde tijd maakte hij kennis met Albert Verwey. Deze, oprichter van De Beweging (1905), begeleidde De Haan in zijn ontwikkeling als dichter. Herhaaldelijk zond Verwey echter zijn bijdragen terug 'als niet belangrijk genoeg'. Zijn eerste gedichten verschenen daarom elders, zoals in De Gids en in Nederland, waarin vooral het drama in verzen Spel van verwoest Jeruzalem (1903) aandacht trok.

In hetzelfde jaar begon De Haan, na aanvullende examens te hebben gedaan, zijn rechtenstudie in Amsterdam - doctoraal in 1909 -, waarvoor hij voornamelijk op de avonduren aangewezen was. In 1904 verscheen De Haans geruchtmakende homoerotische roman Pypelijntjes. Hierin werd met een verbluffende vanzelfsprekendheid en in sterk door Lodewijk van Deyssel beïnvloed proza de verhouding tussen twee jonge mannen, levend in een Amsterdamse volksbuurt, beschreven. Door deze roman kwam De Haan in conflict met de arts, criminoloog en letterkundige Arnold Aletrino, aan wie de roman was opgedragen en die duidelijk te herkennen viel in een van de twee hoofdpersonen. Aletrino kocht met De Haans verloofde vrijwel de hele oplage op. Maatschappelijk werd De Haan geschaad, doordat hij werd ontslagen als onderwijzer en medewerker aan Het Volk. Met de hoofdredacteur daarvan, P.L. Tak, voerde hij een heftige polemiek over diens houding en die van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in deze affaire. Dit culmineerde in de Open brief aan P.L. Tak (Amsterdam, 1905). Na de tweede, gewijzigde uitgave van "Pijpelijntjes". (Het leven van Cor Koning en Felix Deelman.) (Amsterdam, 1904) en de min of meer analoge roman Pathologieën (Rotterdam, 1908) publiceerde hij geen romans meer. In de eerste navolgende jaren zou hij zich vooral als dichter en jurist profileren. Om in zijn onderhoud te voorzien schreef hij in De Groene en was hij repetitor in diverse takken van het recht.

Ondertussen was hij in die periode geïnteresseerd geraakt in de significa - de betekenisleer. Hij werd hierbij sterk beïnvloed door de Engelse semantisch-gerichte Victoria Welby, die van een preciezer woordgebruik verbetering van menselijke betrekkingen verwachtte en op den duur een wereldvrede. Bij deze studiën vond De Haan geestverwanten in een zg. Signifische Kring, zoals Van Eeden, Gerrit Mannoury, L.E.J. Brouwer en Henri Borel. Zijn dissertatie, voorbereid onder leiding van prof. G.A. van Hamel, was getiteld Rechtskundige significa en hare toepassing op de begrippen: "aansprakelijk, verantwoordelijk, toerekeningsvatbaar" (Amsterdam, 1916). Daarnaast vond hij tijd zich intensief te bemoeien met een comité dat zich het lot van gevangenen in Rusland aantrok. In dat zelfde jaar kon hij als privaatdocent in de rechtskundige significa aan de Universiteit van Amsterdam gaan doceren. Toch werd hierdoor een verdere wetenschappelijke loopbaan voor hem niet mogelijk. De Haan zelf kwam niet tot een systematische, constructieve uitbreiding van de significa. En, hoewel hij gekwalificeerd was voor een hoogleraarschap in het strafrecht als opvolger van Van Hamel, hebben ongetwijfeld zijn controversieel karakter en de geruchtmakende affaires rond zijn persoon ertoe bijgedragen hem te passeren. Deze tegenslag heeft hem diep gegriefd en is van grote invloed geweest op zijn verdere levensloop.

Intussen was De Haan in 1910 begonnen gedichten te publiceren waarin joodse motieven, zowel religieuze als nationale, overheersten. Dit hield verband met de terugkeer naar het geloof van zijn jeugd, mogelijk nog in orthodoxe geest versterkt door de dood van zijn moeder in 1912. Maar bij dit alles bleef ook het homo-erotische een belangrijk motief in zijn gedichten tot aan zijn dood, zoals blijkt uit het gedicht Een nieuw Carthago ('s-Gravenhage, 1919) en de in Palestina geschreven Kwatrijnen (Amsterdam, 1924). De bundel Het Joodsche Lied (Amsterdam, 1915-1921. 2 dl.) vestigde voorgoed zijn faam als dichter. Critici stonden wat bevreemd, maar ook verrast tegenover het ongewone, hortende ritme van deze poëzie. Het meest opzienbarende was echter dat zich hier een Nederlandse dichter als jood afficheerde.

Omstreeks 1912 sloot De Haan zich aan bij de religieuze afdeling van de Nederlandsche Zionistenbond, de Mizrachi, en in januari 1919 vertrok hij naar Palestina om mee te werken aan de opbouw van een joods nationaal tehuis zoals mogelijk was gemaakt door de Balfour Declaration in 1917. De Haan werd aangesteld als correspondent van het Algemeen Handelsblad in Palestina. Aanvankelijk ging het hem in dit land niet slecht. Als correspondent was hij uitermate produktief, en zijn feuilletons in het Algemeen Handelsblad werden zo populair dat zijn salaris werd verhoogd. In 1920 werd hij aangesteld als 'lecturer' in straf- en handelsrecht aan de rechtsschool die door het bestuur was opgericht om inheemse juristen op te leiden.

Geconfronteerd met de Palestijnse werkelijkheid veranderde echter De Haans houding tegenover de zionistische organisatie. In het begin stond De Haan ambivalent tegenover de complexe situatie. Enerzijds keerde hij zich tegen het tactloze chauvinisme van nieuwe immigranten en de Zionistische Commissie, die door de Engelse regering was ingesteld om het bestuur in Palestina te adviseren in de opbouw van het nationaal tehuis. Hij kreeg oog voor de problemen die massale joodse vestiging zou ontmoeten in een land dat al bevolkt was door Arabieren. Anderzijds ging hem echter de opbouw ook weer niet snel genoeg. De zionistische organisatie propageerde een immigratie van honderdduizenden joden binnen enkele jaren, terwijl zij financieel nauwelijks in staat was de bestaande structuur te onderhouden. Hij bekritiseerde de organisatie, omdat deze geen verantwoording wilde afleggen van haar financieel beleid. Het feit dat deze kritiek geleverd werd voor een niet-joods publiek leverde hem veel vijandschap op onder zionisten in Nederland en Palestina, maar ook daarbuiten. Het wantrouwen tegen hem werd versterkt door zijn vriendschappen met Arabieren en contacten met Abdallah, emir van Trans-Jordanië, en zijn vader. Hoessein, koning van de Hedjaz.

Breekpunt vormden De Haans politieke activiteiten ten behoeve van een joods-orthodoxe groep in Jeruzalem o.l.v. rabbijn Chaim Sonnenfeld. Deze beschouwde zich ook als zionist, maar wilde een joodse gemeenschap op oudtestamentische theocratische basis. Zij verzette zich heftig tegen het door de zionistische organisatie ingevoerde vrouwenkiesrecht voor vertegenwoordigende zionistische lichamen en het door haar ingestelde opperrabbinaat als strijdig met de joodse wetten.

De situatie spitste zich toe toen de Britse Hoge Commissaris van Palestina de joodse gemeenschap in één organisatie met zekere publiekrechtelijke bevoegdheden wilde samenbrengen. De orthodoxie wilde daar niet alleen buiten blijven, maar als gelijkwaardige officieel erkende gemeenschap daarnaast bestaan met eigen opperrabbinaat en religieuze voorzieningen. Waarschijnlijk was De Haan de auctor intellectualis van de vele petities die deze groep sinds 1919 stuurde naar het plaatselijk bestuur, Colonial Office en Volkenbond. Bovendien voerde hij hun delegaties aan naar invloedrijke personen die Palestina bezochten, onder wie Lord Northcliffe, de Engelse persmagnaat, in 1922. Vanaf die tijd werd De Haan langzaam maar zeker uit de zionistische gemeenschap gedrongen. Zijn studenten begonnen in 1922 een boycot van zijn colleges, waarvoor het bestuur uiteindelijk zwichtte, zodat De Haan in november 1923 werd ontslagen.

In juni 1924 werd De Haan neergeschoten door extremistische zionisten. Het is nog steeds niet duidelijk of dit een privé-actie was of georganiseerd door hogerhand. De oorzaken van dit tragische einde liggen zowel bij de zionistische organisatie als bij de persoon van De Haan zelf: de zionisten wilden tot elke prijs naar buiten één front vertonen in de au fond verdeelde joodse gemeenschap. De Haan zelf was wars van elk compromis en had bovendien een bijzonder talent zijn tegenstanders tot het uiterste te prikkelen, een eigenschap overigens die gepaard ging met verregaande trouw en vriendschap tegenover zijn vrienden. Reeds in de laatste jaren sterk vereenzaamd, vond hij een misschien door hem toch al verlangde dood.

A: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage; archief-Albert Verwey en Frederik van Eeden in Universiteitsbibliotheek Amsterdam; Central Zionist Archives in Jeruzalem; Public Record Office in Londen.

P: Behalve de bovengenoemde publikaties: In Russische gevangenissen (Amsterdam, [1913]); Verzamelde gedichten [Uitg. door Kees Lekkerkerker] (Amsterdam, 1952. 2 dl.). Bloemlezingen uit de feuilletons van het Algemeen Handelsblad: Jerusalem (Amsterdam, 1921); Palestina (Amsterdam, 1925); Brieven uit Jeruzalem (Amsterdam, 5702-1941); Jacob de Haan, " Kanalje" [herdr.] en Opstandige liedjes [Met inl. door Koos Joosse et al.] (Amsterdam, 1977). De Engelbewaarder: 6; Jacob Israël de Haan. Correspondent in Palestina. Samengest. en ingel. door Ludy Giebels (Amsterdam, 1981); De Engelbewaarder: 13; Nerveuze vertellingen ('s-Gravenhage, 1981). Bibliofiele uitg. van BZZTÔH: 8. Verzorgd door M. Stapert-Eggen; Jacob Israël de Haan. De bloemen en de brief. Met aant. van Jef Sprankenis (Amsterdam: De Lange Afstand, 1982). Verder bibliografie van zijn signifische geschriften in hieronder vermeld artikel van G.C.J.J. van den Bergh.

L: Mies de Haan, Jacob Israël de Haan, mijn broer (Amsterdam, 1954); Wim J. Simons, Een 'onzedelijk' boek (Amsterdam, [1959]); G.C.J.J. van den Bergh, 'Jacob Israël de Haan en de rechtstaal', in Rechtsgeleerd Magazijn Themis 1964, 339-358; Jaap Meijer, De zoon van een gazzen. Het leven van Jacob Israël de Haan 1881-1924 (Amsterdam, 1967); Jan Rogier, 'Een uitdrager op de wolken van de dichterlijke verbeelding', in Vrij Nederland, 26-3-1977. Boekenbijlage; Ludy Giebels, 'De ontmoetingen van Frederick Kisch en Jacob Israël de Haan met Hoessein, koning van de Hedjaz, in januari 1924: een driehoeksverhouding in Amman' in Studia Rosenthaliana 13 (1979) 194-219; eadem, 'Jacob Israël de Haan in Palestina', ibidem, 14 (1980) 14-78, 15 (1981) 111-142, 188-233; De vriendschap lokt, de vroomheid maant. Jacob Israël de Haan. Verz. en ingel. door M.M. Lommen (Hasselt, 1981); R. Delvigne en L. Ross, 'Inleiding' bij heruitgave van Pijpelijntjes (Amsterdam, 1982) 5-23; idem, 'Voorspel en Naspel' in heruitgave van Open Brief aan P.L. Tak, 7-32; 81-103; idem, 'Ik ben toch zo innig blij dat u mijn vriend bent'. De brieven van Jacob Israël de Haan aan Georges Eekhoud', in De Revisor 9 (1982/3) 3 (juni) 61-72; Ik ben een jongen te Zaandam geweest. Jacob Israël de Haan. Bloemlezing samengest. en ingel. door Gerrit Komrij (Amsterdam, 1982).

I: Mijn lied, mijn leed, mijn hartstocht: het leven van Jacob Isra�l de Haan (1881-1924). Samengest. door Anti-Discriminatie Bureau Zaanstreek (Westzaan [1999]) omslagfoto [Foto: Collectie Bibliotheca Rosenthaliana].

Ludy Giebels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013