Hamburger, Hartog Jacob (1859-1924)

 
English | Nederlands

HAMBURGER, Hartog Jacob (1859-1924)

Hamburger, Hartog Jacob, fysioloog (Alkmaar 9-3-1859 - Groningen 4-1-1924). Zoon van Jacob David Hamburger, koopman, en Rebecka Nias. Gehuwd op 1-4-1891 met Frederika Regina Cohen (door naamstoevoeging bij KB van 24-11-1902 nr. 53 gewijzigd in Cohen Gosschalk). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Hamburger, Hartog Jacob

Hamburger bezocht van 1872 tot 1877 de rijks-HBS te Alkmaar. Gedurende de twee volgende jaren bereidde hij zich voor op het aanvullend examen in de klassieke talen en werkte hij op het laboratorium van de chemicus J. Boeke (directeur der HBS). In 1879 ging Hamburger te Utrecht scheikunde studeren en reeds op 4 juni 1883 werd deze studie afgesloten met een promotie op de dissertatie De quantitatieve bepaling van ureum in urine (promotor H.C. Dibbits). Daarop volgde een studie in de geneeskunde. Sinds 1881 was hij assistent van F.C. Donders. Ook de medische studie eindigde met een promotie. Op 9 juli 1888 verdedigde hij zijn onder leiding van Donders voorbereid proefschrift over Staafjesrood in monochromatisch licht. Het artsexamen werd in 1889 met succes afgelegd. Inmiddels was Hamburger in januari 1888 H. Zwaardemaker opgevolgd als leraar in fysiologie, histologie, algemene pathologie, pathologische anatomie en praktische microscopie aan de Rijksveeartsenijkundige School te Utrecht. Hier kon hij een begin maken met zijn baanbrekend werk bij de toepassing van toentertijd geheel nieuwe inzichten in de fysische chemie op de fysiologie.

Grondslag voor zijn werk waren onderzoekingen van H. de Vries over osmotische verschijnselen bij plantencellen (1882). In 1883 had Hamburger al aangetoond dat ook bij dierlijke cellen dergelijke verschijnselen optraden en dat deze dezelfde wetmatigheid vertoonden. Hiermee werd fysisch-chemisch onderzoek in de geneeskunde ingevoerd. Voor Hamburger zou het kernthema van zijn onderzoek blijven: vast te stellen dat fysisch-chemische processen bij veel levensverschijnselen de drijvende kracht zijn. Gedurende geheel zijn leven was hij dan ook een actief bestrijder van het vitalisme. In 1892 wist Hamburger na een demonstratie van de wet der isotonie op het tweede Internationale Physiologen Congres te Luik andere fysiologen van de betekenis der fysisch-chemische richting binnen de fysiologie te overtuigen.

Aan de Rijksveeartsenijkundige School vond Hamburger, ondanks een zware onderwijstaak, tijd voor zelfstandig onderzoek, met name over de invloed van de ademhaling op de grootte der bloedlichaampjes, de oorsprong van de lymf, de resorptie in de darm en de permeabiliteit van dierlijke cellen voor anionen. Het laatste onderzoek leidde onder meer tot zijn ontdekking van de zg. ionenverschuiving: bij hoge koolzuurspanning in het bloed wordt het chloridegehalte van plasma verlaagd en dat van de erytrocyten verhoogd. Daarnaast deed hij vooral onderzoek op het gebied der vergelijkende pathologie. In deze periode begon hij aan zijn driedelig hoofdwerk: Osmotischer Druck und Ionenlehre in den medicinischen Wissenschaften (Wiesbaden, 1902-1904).

In 1901 werd Hamburger te Groningen benoemd tot hoogleraar in de fysiologie en histologie als opvolger van D. Huizinga. Zijn ambtsaanvaarding vond plaats op 28 september met een rede De physische scheikunde in hare beteekenis voor de geneeskundige wetenschappen. Door zijn toedoen kon in 1911 een nieuw fysiologisch laboratorium ingewijd worden, dat jarenlang als modelinstituut gold. Hoogtepunt in zijn carrière was de organisatie van het negende Internationale Physiologen Congres, dat in 1913 in Groningen werd gehouden. Hamburger was rector magnificus tijdens het 300-jarige bestaan der Groninger Universiteit in 1914 en hield ter gelegenheid daarvan op 30 juni een rede De oude en de moderne universiteit in wetenschap en maatschappij. Zijn rectoraat droeg hij op 21 september 1914 over met de rede De toenemende beteekenis der chemie voor ons geneeskundig denken en handelen. Na de Eerste Wereldoorlog trachtte Hamburger ondanks een ernstige ziekte de internationale contacten te herstellen. Buitenlanders, onder wie de latere Hongaarse Nobelprijswinnaar A. von Szent-Györgyi, kwamen weer op zijn laboratorium werken. Zelf bezocht hij in 1921 de Universiteit van Londen, waar hij een lezing hield getiteld 'Discourse on permeability in physiology and pathology' (The Lancet 99 (1921) II, 1039-1045). In 1922 volgde een bezoek aan de Verenigde Staten voor een reeks van veertien voordrachten, waaronder drie in het kader van het zg. Charles E. Dohme Memorial Lectureship, getiteld 'The increasing significance of permeabilityproblems for the biological and medical sciences' (Bulletin of The Johns Hopkins Hospital 34 (1923) 173-181). In zijn lezingen gaf hij een overzicht van de recente onderzoekingen in zijn laboratorium.

Hamburger had uiteraard in Groningen zijn in Utrecht begonnen onderzoek voortgezet. Allereerst werd het proces der fagocytose bestudeerd; de resultaten werden gepubliceerd in het boek Physikalisch-chemische Untersuchungen über Phagozyten (Wiesbaden, 1912). Verder vond onderzoek plaats over de zg. vitale permeabiliteit, dat wil zeggen de beïnvloeding van permeabiliteitsveranderingen van cellen door de fysiologische toestand. Dit leidde tot diepgaander onderzoek van o.a. de permeabiliteit van het glomerulusmembraan voor suikers. Onder de medewerkers van Hamburger vinden we vele bekende namen: E. Laqueur, I. Snapper, W. Radsma, J. de Haan, R. Brinkman, S. van Creveld en E. Brouwer, later allen hoogleraar.

Erkenning vond Hamburger reeds lang voor zijn hoogleraarschap, al bleef deze in later tijd evenmin uit. Sedert 1896 was hij lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, voorts lid van diverse binnen- en buitenlandse genootschappen. Eredoctoraten werden hem verleend door de Universiteit te Aberdeen (1906), de Veeartsenijkundige Hoogeschool te Utrecht (1921) en de Universiteit te Padua (1922). In 1908 werd hem ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als doctor in de chemie een internationele feestbundel, Festband der biochemischen Zeitschrift, H.J. Hamburger gewidmet, aangeboden.

Ook op maatschappelijk gebied was Hamburger actief. Zo beijverde hij, als ondervoorzitter van een tot dat doel opgerichte vereniging, voor de gelijkstelling van gymnasium en HBS als voorbereiding op universitaire studie. Voorts bepleitte hij de oprichting van afzonderlijke hogescholen voor veeartsenijkunde en voor landbouwkunde. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij lid van een regeringscommissie voor voedingsvraagstukken. Te zamen met H.J. Slijper ontwierp hij het plan voor de zg. rijksvakantiecursussen. In deze cursussen werden ten behoeve van de leerlingen der Groninger Huishoudschool lessen over hygiëne, voedingsleer en warenkennis gegeven.

Hamburger was een vriendelijk en innemend mens, die gaarne bereid was zijn leerlingen met raad en daad bij te staan. Een rechtvaardige zaak verdedigde hij op volhardende wijze. Dit bleek in Utrecht, waar hij 'vasthoudend, met groot gezag het regime Wirtz zou bestrijden' (Van Gildestein naar Uithof I, 204), teneinde het wetenschappelijk karakter van de Veeartsenij kundige School te garanderen. Hamburger was een enthousiast docent, die door de studenten geroemd werd om zijn boeiende colleges. Dank zij een enorme werkkracht wist hij naast zijn omvangrijke onderwijstaak tal van onderzoekingen te verrichten en te leiden. Door zijn persoonlijke omgang oefende hij grote invloed uit op zijn leerlingen.

P: Bibliografie 1882-1908 in Chemisch Weekblad 5 (1908) 414-424; bibliografie 1902-1923 in Onderzoekingen gedaan in het Physiologisch Laboratorium der Rijksuniversiteit te Groningen. Uitg. door H.J. Hamburger (Groningen, 1922-1923. 2 dl.).

L: [Red.] 'Prof.dr. H.J. Hamburger', in Veterinaire Almanak 1902, 121-124; E. Cohen, 'Hartog Jakob Hamburger', in Chemisch Weekblad 5 (1908) 399-413; G.C.N., 'Hartog Jacob Hamburger', in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen 1923-1924, 47-50; A. Sikkel, in Geneeskundige Gids 1 (1923-1924) 465-466; M.C. Dekhuyzen, in Tijdschrift voor diergeneeskunde 51 (1924) 49-52; J.A.H., in Nature 113 (1924) 244; J. de Haan, in Ergebnisse der Psysiologie 23 (1924) 273-276; C.N., in Biochemische Zeitschrift 145 (1924) 379-380; H. Zwaardemaker Cz., in Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 68 (1924) I, 106-109; [F.A.F.C. Went], in Verslagen van de gewone vergaderingen der wis- en natuurkundige afdeeling der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 33 (1924) 6-9; J. de Haan, in Groningsche Studenten-Almanak 1925, 143-149; idem, in Groningsche Volksalmanak voor het jaar 1925, 183-189; [H.A.] Vermeulen, in Veterinaire Studenten Almanak 39 (1925) 8-12; E. Bachrach. La semi-perméabilité en biologie, d'après Hamburger (Paris, 1926); 'De Hoogleraren in de Faculteit der Geneeskunde', in Universitas Groningana MCMXIV-MCMLXIV [Red.: C.E. Visser]. (Groningen, 1964) I, 102-104; E. Brouwer, 'H.J. Hamburger (1859-1924)', in Voeding 28 (1967) 483-489; Van Gildestein naar Uithof. 150 jaar diergeneeskundig onderwijs in Utrecht. [Door] C. Offringa (Utrecht, 1971- dl.) I, 201-204, 255.

I: Website Erfgoed Utrecht: http://www.erfgoed-utrecht.nl/detail.aspx?id=195677 [Foto: E. Meyer, collectie Universiteitsmuseum Utrecht] [6-3-2008].

H. Beukers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013