Hazeu, Godard Arend Johannes (1870-1929)

 
English | Nederlands

HAZEU, Godard Arend Johannes (1870-1929)

Hazeu, Godard Arend Johannes, adviseur voor Inlandse en Arabische Zaken en hoogleraar Javaanse taal- en letterkunde (Amsterdam 22-8-1870 - Wassenaar 1-12-1929). Zoon van Arend Cornelis Hazeu, kunstschilder, en Maria Dorothea Meinke. Gehuwd op 5-8-1897 met Petronella Jeannette Opwyrda. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Hazeu ging, na het gymnasium in Arnhem bezocht te hebben en korte tijd colleges theologie in Utrecht te hebben gevolgd, in 1890 "taal-, letter-, land- en volkenkunde van den Oost-Indischen archipel" met Arabisch en Sanskrit en vervolgens Indonesische talen in Leiden studeren. Op 30 januari 1897 promoveerde hij bij prof. H. Kern op de Bijdrage tot de kennis van het Javaansche tooneel (Leiden, 1897). Het was de eerste samenvattende kritische studie betreffende de herkomst, aard en ontwikkeling van de verschillende vormen van wajang en de daarmee samenhangende letterkunde.

Na korte tijd repetitor in Leiden te zijn geweest, vertrok hij in 1898 naar Ned.-Indië, waar hij benoemd was tot leraar Javaans aan de afdeling Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, de zg. afdeling B (opleiding tot de administratieve dienst) van het Gymnasium Willem III te Batavia. Van het begin afzocht hij contact met allerlei Javaanse kringen om zijn theoretische kennis van de Javaanse cultuur door middel van praktische ervaringen te verdiepen. Daarnaast had hij omgang met mensen als J.L.A. Brandes, C. Snouck Hurgronje, Ph.S. van Ronkel, F.D.K. Bosch en later B.J.O. Schriecke. Hij nam actief deel aan de werkzaamheden van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.

In 1904 werd Hazeu benoemd tot ambtenaar voor de beoefening der Indische talen en toegevoegd aan de adviseur voor Inlandse en Arabische Zaken, Snouck Hurgronje, die hij op 26 januari 1907 opvolgde. In de eerste periode van zijn verblijf in Indië verscheen een aantal artikelen van zijn hand over onderwerpen uit literatuur en cultuur. Later volgde de uitgave van een oud 'Tjeribonsch Wetboek (Pepakem Tjerbon) van het jaar 1768" in tekst en vertaling in Verhandelingen Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen 55 (1905) II, 1-187. In 1912 werd hij directeur van het departement van Onderwijs en Eeredienst. In deze functie bevorderde hij de totstandkoming van de Hollandsch-Inlandsche school, welk schooltype Indonesische kinderen meer mogelijkheden bood tot het voortgezet onderwijs. In 1915 werd hij opgevolgd door K.F. Creutzberg. Hoezeer het onderwijs de belangstelling had van Hazeu, blijkt wel uit het feit dat hij tijdens zijn verlof in Nederland lid werd van de Commissie Aanpassend Middelbaar (Voorbereidend Hooger) Onderwijs in Nederlandsch-Indië. Deze commissie bracht de Algemeene Middelbare School tot stand, waardoor Indonesische leerlingen nu ook meer mogelijkheden kregen tot het volgen van universitair onderwijs.

In 1916 ging Hazeu terug en werd hij tot regeringscommissaris voor Inlandsche en Arabische Zaken benoemd. Van een kort oponthoud aan De Kaap maakte hij gebruik om iets te vernemen over de zg. Slamse mensen (afstammelingen van de door de Verenigde Oostindische Compagnie verbannen Indonesiërs). Zijn positie en de situatie in Indonesië bleken echter veranderd te zijn. Verschillende nationale bewegingen toonden een steeds groter zelfbewustzijn. Met name de Sarekat Islam vervulde het Nederlands gouvernement met bezorgdheid, vooral toen in juni 1919 de hoogste vertegenwoordigers van het plaatselijk gezag in Toli Toli werden vermoord. Gouvemeur-generaal J.P. graaf Van Limburg Stirum deed in deze situatie een steeds groter beroep op kennis en inzicht van Hazeu. Als regeringscommissaris voor Inlandsche en Arabische Zaken had hij bovendien een veel rechtstreekser ambtelijke verhouding tot de gouverneur-generaal dan vroeger als adviseur. Het gevolg was echter wel dat het corps van het Binnenlandse Bestuur zich steeds meer gepasseerd voelde. Daar kwam nog bij dat Hazeu wegens zijn genegenheid voor Indonesië een (in vele Nederlandse ogen) veel te groot begrip toonde voor de Indonesische verlangens naar gelijkwaardige behandeling. Hazeu werd dan ook in steeds toenemende mate het mikpunt van soms zeer persoonlijke kritiek. Ethische waanzin noemde men de denkbeelden van Hazeu. De Inlandse beweging moest bestreden worden 'liefst met geweld, want geweld maakt meer indruk'. Volgens het Nieuws van den Dag (8-4-1919 en 15-7-1919) was Hazeu eigenlijk een verrader van zijn eigen ras. Intussen kan men uit deze kritiek ook opmaken dat Hazeu zeer hoffelijk met Indonesiërs omging - hetgeen hem de kwalificatie 'slijmerig' opleverde - en dat hij daartoe juist zijn best deed hen in hun eigen taal te benaderen.

De affaire-Garoet van 1919 werd ten slotte voor Hazeu het einde van zijn Indische carrière. In deze zaak werd Hadji Hasan, een boer die had geweigerd rijst aan het gouvernement te leveren en zich met een aantal medestanders en familieleden voor de politie in zijn huis had verschanst, tijdens een charge met vier van zijn metgezellen doodgeschoten. In bestuurskringen vermoedde men dat de Sarekat Islam de hand had gehad in de weigering van Hasan en keurde men het optreden van de politie in het kader van de gezagshandhaving niet af. Hazeu bestempelde een en ander echter als een bestuurlijke fout. In een sfeer van toenemend wantrouwen jegens Indonesische bewegingen vond Hazeu zelfs bij Van Limburg Stirum geen gehoor meer. Teleurgesteld en ook fysiek niet meer de oude, aanvaardde Hazeu het professoraat dat hem, na de dood van J.C.G. Jonker, voor de tweede maal uit Leiden werd aangeboden. Zijn vertrek gaf tot uiteenlopende reacties aanleiding. Zo schreef Het Indische Volk op 4-10-1919 dat Hazeu 'niet de man van den vloek en de vuist geweest" was; 'hij kende den Inlander, hield van dit volk, dat zoekende is naar vrijheid en recht". Ook Hoessein Djajadiningrat was naar aanleiding van het professoraat van Hazeu positief in zijn oordeel in De Taak van 25-10-1919: 'Het is voor de Indologische wetenschap toe te juichen, maar voor Indië's ontwikkeling te betreuren.' K. Wybrands daarentegen nam onder het pseudoniem Diederik Baltzerdt in het Nieuws van den Dag van 23-9-1919 als volgt van Hazeu afscheid: 'Gaat die sukkel eindelijk heen? Het is háást te mooi om waar te wezen. Een wezen, ontbloot van alle fermiteit; een slap, aarzelend, oud-wijfsch, geborneerd, sentimenteel manneke' etc.

In Nederland werd Hazeu per KB van 12-3-1920 benoemd tot hoogleraar in de Javaanse taal- en letterkunde. Hij hield zijn oratie op 12-1-1921 met de rede Oud en nieuw uit de Javaansche letterkunde. Hazeu had blijkens een interview in het Indologenblad van 12-5-1920 allerlei plannen met zijn professoraat, zoals het idee 'om geregeld, b.v. één avond in de veertien dagen, zijn studenten in de gelegenheid te stellen hem te bezoeken. Een ieder blijve hier in evenwel volkomen vrij, van dwang zal geen sprake zijn, daar anders deze bezoeken allicht tot vormelijke zullen ontaarden." Van zijn voornemens is helaas door zijn slechte gezondheid weinig terechtgekomen en vanaf 1924 moest hij zijn werkzaamheden drastisch verminderen. Per KB van 6-9-1928 werd hem op zijn verzoek eervol ontslag verleend.

Wetenschappelijk is Hazeu tot ca. 1910 erg actief geweest. In tal van artikelen manifesteerde hij zich als deskundige op het gebied van de wajang en de Indonesische folklore. Zijn laatste grote publikatie was het Gajosch-Nederlandsch woordenboek met Nederlandsch-Gajosch register(Batavia, 1907), een werk waartoe Snouck Hurgronje de aanzet had gegeven. Na die tijd namen eerst zijn ambtelijke werkzaamheden in Indië hem hoe langer hoe meer in beslag en later was zijn slechte gezondheid tijdens zijn hoogleraarschap er de oorzaak van dat er niet meer een grote publikatie van zijn hand verscheen. Men krijgt overigens de indruk dat zijn slechte gezondheid mede een gevolg is geweest van de onheuse kritiek die hij aan het eind van zijn Indische carrière te verduren heeft gehad. Bij zijn 'In memoriam professor H. Kern', gepubliceerd in de Notulen van de algemeene en directievergaderingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen 1920, dl. 58, XV, stelde Hazeu de vraag of het niet diep bedroevend en beschamend feit is 'dat er heden ten dage nóg honderden ontwikkelde Nederlanders zijn, die in vollen ernst den "Javanen" de geschiktheid tot het bereiken van een hooger maatschappelijk peil ontzeggen op grond van hunne zoogenaamde "raseigenschappen", ter verklaring waarvan dan weer onwaarschijnlijke theorieën worden verkondigd over den invloed van het "alle energie doodende tropische klimaat" en "het mysterie van het Oosten"." Deze denkbeelden hebben Hazeu veel vrienden opgeleverd, maar nog meer vijanden. Hij gold te zamen met Snouck Hurgronje en C. van Vollenhoven als de belangrijkste vertegenwoordiger van de Leidse School. Van deze drie was Hazeu echter het minst weerbaar, en daardoor juist in een gespannen tijd in Indië, toen hij een belangrijke beleidsfunctie bekleedde, ook het meest kwetsend bejegend.

A: Collectie-Hazeu in Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, bestaande uit ambtelijke stukken met documentatie over Indonesië en het concept van het Gajosch woordenboek.

P: Zie voor artikelen in diverse tijdschriften Repertorium op de literatuur betreffende de Nederlandsche koloniën ('s-Gravenhage, 1901-1935).

L: R.M. Noto Soeroto, in Nederlandsch-Indië. Oud en Nieuw 5 (1920) 67; Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1930, 157-158; Studenten Almanak Leiden 117 (1931) 78; Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië. 2e dr. ('s-Gravenhage, 1935) VII, 168-169; De ontwikkeling van de nationalistische beweging in Nederlandsch-Indië. Bronnenpublikatie. Bew. door R.C. Kwantes. I 1917 - medio 1923 (Groningen, 1975) II medio 1923 - 1928 (Groningen, 1978) en III 1928 - augustus 1933 (Groningen, 1981).

F.G.P. Jaquet


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013