Heeroma, Klaas Hanzen (1909-1972)

 
English | Nederlands

HEEROMA, Klaas Hanzen (1909-1972)

Heeroma, Klaas Hanzen (pseud. o.a. Muus Jacobse), dichter en taalkundige (Hoorn, Terschelling 13-9-1909 - Groningen 21-11-1972). Zoon van Hendrik Cornelis Heeroma, leraar aan de christelijke kweekschool, en Rensje Aldina de Vries. Gehuwd op 14-8-1936 met Magdalena Jacoba Soetekouw. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Heeroma, Klaas Hanzen

Heeroma doorliep de lagere school en het gymnasium te Zwolle, waar zijn vader het jaar na zijn geboorte tot leraar aan de kweekschool was aangesteld. In 1928 ging hij in Leiden Nederlandse taal- en letterkunde studeren en onderging daar sterk de invloed van Albert Verweys ideeën over een bezield en maatschappelijk dichterschap. In 1935 promoveerde hij bij G. Kloeke op Hollandse dialektstudies. Nadat hij korte tijd in Wassenaar en Leiden leraar was geweest werd hij in 1936 benoemd tot medewerker aan het Woordenboek der Nederlandsche taal te Leiden, waar hij bleef werken tot zijn benoeming in 1948 tot hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Indonesië te Djakarta. Na een gedwongen repatriëring in 1952 volgde in 1953 zijn benoeming tot hoogleraar in de Nedersaksische taal- en letterkunde te Groningen. Daar begon hij een koortsachtige activiteit te ontplooien op het gebied van zijn wetenschap. Als directeur van het Nedersaksisch Instituut onderhield hij intense contacten met vele geleerden in binnen- en buitenland en schreef zelf talloze bijdragen tot de taal- en dialectkunde. Zijn ideaal was een complete historisch gefundeerde taalgeografie van het hele gebied van 'Frans-Vlaanderen tot Oostfriesland' te ontwerpen, en dit gigantische project leidde tot het verschijnen van de Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden (1957-1963).

Alles wat taal was had Heeroma's brandende belangstelling, en hij was bij zijn onderzoek niet alleen zeer diepgaand en specialistisch, zoals blijkt uit studies als De Nederlandse benamingen van de uier (1936) en De ontwikkeling van het langvocalensysteem in Frankisch en Ingweoons (1958) om er slechts enkele uit vele te noemen, maar ook zeer breed en cultureel in opstellen met kenmerkende titels als Taalnatuur en taalcultuur (Djakarta, 1949). Inaugurele rede; De erfenis van het Latijn (1956), of De volwaardigheid van het Nederlands (1964). Hij ging nog verder en trachtte ook zijn christelijk geloof en zijn wetenschap in een grootse synthese te verbinden in zijn werk Nader tot een taaltheologie (1967), waarin tegenover moderne opvattingen van taal als pure communicatie zijn visie werd gesteld van taal als openbaring, als bewijs van Gods bemoeienis met de mensen. Theologen noch taalkundigen hebben met dit boek goed raad geweten.

Ondanks al zijn contacten was Heeroma in vele opzichten een eenzaam mens. Dat lag o.a. aan zijn 'pionierskarakter": hij bedreef zijn wetenschap op visionaire wijze en zag verbanden die dan achteraf met zijn snelle, felle, uitdagende pen bewezen moesten worden. Tegelijk was hij zo gevoelig dat hij kritiek moeilijk kon verdragen. Conflicten bleven hem allerminst bespaard, in het bijzonder binnen zijn ambtskring in Groningen, waar hij al spoedig op een dood spoor geraakte, geen colleges meer gaf en zich met des te meer vuur aan zijn persoonlijke studies wijdde, die nacht aan nacht werden voortgezet en resulteerden in een stroom van publikaties. Naast de dialectkunde in eigenlijke zin trad daarbij ook de antroponymie op de voorgrond in reeksen studies over familienamen in Drenthe, Friesland etc. Wezenlijker echter waren voor hem de studies op het gebied van de litteratuur. Heeroma publiceerde diverse bloemlezingen en essays en legde zich in zijn latere leven vooral toe op het onderzoek van de Middelnederlandse letteren. Beroemd maar omstreden werd zijn grote uitgave Liederen en gedichten uit het Gruuthuse-handschrift (1966), het jubileumboek voor het 200-jarig bestaan van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In dit werk stond de gewaagde stelling dat hij had ontdekt wie de dichter van de liederen uit dit handschrift was, namelijk een zekere Jan Moritoen. Ook wist hij veel over persoon en leven van deze dichter mee te delen en beriep zich daarbij op de 'evocatie der verbeelding". Als dichter meende hij te kunnen resoneren op de stem van zijn collega uit de 14e eeuw: hij herkende hem. Andere geleerden, die hierin een ontoelaatbare vermenging van intuïtie en wetenschap zagen, vielen hem fel aan. Hij voelde zich daardoor zeer geraakt, maar bleef, misschien wel juist daarom, doorgaan met de stroom van publikaties, over de Vos Reinaarde, de Elegast etc.

En naast dat alles, of liever achter dat alles, in dat alles, stak er een andere, wellicht wezenlijker Heeroma: de dichter Muus Jacobse. Heeroma dichtte niet alleen, hij was van top tot teen een dichter in de traditie van Verwey, gevoelig, bevlogen, visionair, met een geweldig pathos en een hevige behoefte om gehoord te worden, leiding te geven. Als jonge dichter speelde hij een vooraanstaande rol in het tijdschrift van de protestantse letterkundige beweging Opwaartse Wegen, en hij proclameerde een reveil met een bloemlezing uit het werk van de jongeren in 1934: Het derde réveil. Zoals Da Costa en Kuyper reveils hadden geleid in de 19e eeuw, deed hij dat nu in de 20e. Het was een groots pogen, typisch voor de profetische allure hem eigen, maar met bitter weinig weerklank, zelfs in eigen kring. Zijn werk werd in verschillende bundels gepubliceerd: Programma (1933), De doortocht (1936), Tussen de bedrijven (1938), Het bescheiden deel (1941). Hij bleek daarin een inderdaad bescheiden dichter, nogal retorisch, maar soms treffend in zijn bewogenheid.

Was zijn eerste reveil mislukt, een tweede kans op leiderschap leek hij in de oorlog te krijgen. Hij schreef zeer bezield-retorische verzetsgedichten, die grote weerklank vonden en zelfs tot in Londen gehoord werden. Koningin Wilhelmina citeerde voor Radio Oranje zijn visionaire strofen, ontleend aan 'Nebo"s top" (Vuur en wind, 38)

Maar als ik leven mag tot de bevrijding en juichen op het overwinningsfeest, God, doe mij dit dan weten: wat voorbijging aan nood en leed is niet vergeefs geweest.

Laat hier een volk herrijzen, wijzer, schoner dan toen het neerdaalde in het doodsgebied...

Na de bevrijding werd Muus Jacobses bundel Vuur en wind bekroond met verschillende prijzen als 'de beste verzetspoëzie". Toen vervolgens het wetenschappelijke werk hem meer en meer opeiste werd de stroom der poëzie wel smaller, maar toch verschenen nog diverse bundels, zoals Het kind en andere gedichten (1949), Bijbelse gedichten (1946), Het huisgezin (1959), Bijbelse gezangen (1962).

Dit laatste boekje was een voorbereiding voor een derde kans om gehoord te worden door een grotere gemeenschap. Heeroma werd namelijk in de jaren vijftig betrokken bij het werk aan een nieuwe psalmberijming en een nieuw liedboek voor de protestantse kerken. Met een kleine groep gelijkgezinde dichters wijdde hij zich met zijn gewone enthousiasme aan deze taak, en in het Liedboek voor de kerken, waarvan hij de verschijning (1973) helaas niet meer mocht beleven, vindt men 31 psalmen en 36 gezangen van zijn hand. In de kring der liedboekdichters voelde hij zich thuis, daar vond hij de vervulling van zijn diepe hunkering naar gemeenschap. Maar toen de onvermijdelijke beoordeling door rapportcommissies en synodes begon, kon een conflict alleen worden afgewend doordat hij zich onttrok aan dat beraad.

Heeroma's werk heeft, behalve veel weerstand, ook veel erkenning gevonden: hij is voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde geweest, lid van de afdeling Letterkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie, hij ontving de Matthias de Vries-penning voor zijn verdiensten voor het Woordenboek, de Joost van den Vondel-Preis voor zijn werk voor de Duits-Nederlandse culturele toenadering en de Ubbo Emmius-medaille. Bij zijn zestigste verjaardag boden zijn vrienden hem een bundel opstellen aan: Zijn akker is de taal ('s-Gravenhage, 1970).

P: Bibliografie in fichebestand toegankelijk bij het Nedersaksisch Instituut te Groningen.

L: Ad den Besten, 'Muus Jacobse - een voorgoed gewijde", in Wending 27 (1972-1973) 612-620; P.J. Meertens, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1972-1973. Levensberichten 137-150; idem, in Jaarboek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1972, 153-159; F. Debus, Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik 39 (1972) 256-266; D.P. Blok, in Naamkunde. Mededelingen van het instituut voor naamkunde te Leuven... 4 (1972) 161-162; G.H. Kocks, in Drenthe 44 (1973) 4-5; A. Weynen, in Taal en Tongval 25 (1973) 1-8; Willem Pée, 'Een Vlaamse vriendengroet van Klaas Heeroma" ibidem, 9-13; H. Entjes, 'In Oostnederlandse dienst", in Driemaandelijkse bladen n.s. 25 (1973) 1-5; J.J. Buskes, in Voorlopig. Evangelisch commentaar bij de tijd 5 (1973) 1 (januari) 27-28; Th.B. Govaart, 'Driemaal is scheepsrecht', in Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de Kerken (Amsterdam, 1977) 1186-1194.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1972 (Amsterdam 1973) afbeelding tegenover pagina 153.

J.W. Schulte Nordholt


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013