Hendrik (Heinrich), Wladimir Albrecht Ernst (1876-1934)

 
English | Nederlands

HENDRIK, prins der Nederlanden (1876-1934)

Hendrik (Heinrich) Wladimir Albrecht Ernst, hertog van Mecklenburg, vorst van Wenden, Schwerin en Ratzeburg, graaf van Schwerin, heer van de landen Rostock en Stargard, bij KB 26-1-1901 nr. 38 genaturaliseerd en bij Besluit van 6-2-1901 nr. 61 titel verleend van Prins der Nederlanden (Schwerin (Duitsland) 19-4-1876 - 's-Gravenhage 3-7-1934). Zoon van Friedrich Franz II, groothertog van Mecklenburg (-Schwerin), en Marie Caroline Auguste, prinses van Schwarzburg (-Rudolstadt). Gehuwd op 7-2-1901 met Wilhelmina Helena Pauline Maria, Koningin der Nederlanden. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. afbeelding van Hendrik (Heinrich) Wladimir Albrecht Ernst

Hertog Heinrichs geboorteland, Mecklenburg, was een Noordduits staatje aan de Oostzee gelegen, dat reeds langere tijd onder de invloed was geraakt van het dominerende koninkrijk Pruisen, maar nooit werd opgeslokt en na de uitroeping van het keizerrijk toch een eigen vorm van regering behield. Voor de jonge hertog, een derde zoon uit het derde huwelijk van de regerende groothertog, was de kans op erfopvolging praktisch uitgesloten; deze viel trouwens reeds in 1883 aan een halfbroer toe. Heinrich groeide op in een kinderrijk gezin in de vorstelijke verblijven in Schwerin en Rabensteinfeld. Op dertienjarige leeftijd werd hij voor het volgen van middelbaar onderwijs in Dresden uitbesteed. Na zijn eindexamen gymnasium mocht hij in 1894 een wereldreis maken. Deze duurde negen maanden en bracht hem o.m. in Brits-Indië en Ceylon, waar hij deelnam aan jachtpartijen - het zou een van zijn grootste liefhebberijen blijven - in dit geval ook op olifanten. Een militaire opleiding bij het Pruisisch gardebataljon Jagers te Potsdam - hij verwierf er de rang van eerste luitenant - werd ten slotte in 1899 gevolgd door ambtelijk werk aan een der regeringsdepartementen in Schwerin.

Toen na haar inhuldiging in 1898 voor de jonge Nederlandse koningin Wilhelmina, in verband met voor de opvolging noodzakelijk geacht nageslacht, een vorstelijk echtgenoot werd gezocht, behoorde hertog Heinrich spoedig tot de meest serieuze huwelijkskandidaten. Een eerste gearrangeerde kennismaking viel in goede aarde. Ofschoon Heinrich bij Duitse verwanten van Wilhelmina geen onverdeeld goede pers had en Van Mecklenburg uit bij de Nederlandse regering nogal onbescheiden geachte eisen waren gesteld - die niet ingewilligd werden - kon toch in 1900 de verloving worden afgekondigd. Het huwelijk in Den Haag in 1901 trok veel belangstelling en geschiedde met veel vertoon; de aan Wilhelmina bij haar inhuldiging geschonken Gouden Koets kon voor het eerst gebruikt worden. Na voltrekking van zijn huwelijk werd de hertog de titel van Prins der Nederlanden verleend. Inmiddels had hij de Nederlandse nationaliteit verworven - van de Duitse nationaliteit deed hij nadrukkelijk op 23 januari 1901 afstand, al had men dit nu juist van Mecklenburgse zijde niet gewenst. Aan het prins-gemaalschap van de nieuwe prins werd van Nederlandse kant geen jaargeld verbonden, en ook dat ging tegen Mecklenburgse eisen in.

De positie van prins-gemaal naast een regerend koningin was uiteraard een zeer moeilijke, vooral ook omdat men in die tijd de man in het huwelijk als de eigenlijke kostwinner en het hoofd van het gezin wilde zien. Maar al te gauw zag men in zo'n prins-gemaal de te volgzame slippendrager. De jonge koningin maakte het haar echtgenoot in dit opzicht ook niet gemakkelijk door hem niet alleen uitdrukkelijk buiten alle staatszaken te houden, zoals constitutioneel voorgeschreven was, maar hem zelfs in geen enkel opzicht deelgenoot te maken van enige kwestie die haar ten aanzien daarvan bezighield. Het voorbeeld van prins Albert van Saksen-Coburg als prins-gemaal van de Engelse koningin Victoria was voor haar eerder afschrikwekkend dan navolgenswaard - naar haar overtuiging had die prins veel te veel in de melk te brokken gehad. Aan prins Hendrik viel slechts een representatieve functie toe: beschermheerschappen en erevoorzittersfuncties, het begeleiden van de Koningin bij openbare plechtigheden, haar vervangen bij andere. In verschijning en optreden bleek daarvoor prins Hendrik nu juist minder geschikt: hij bleef een gebroken Nederlands met onvervalst Duits accent spreken, had weinig van eruditie getuigende conversatie en werd spoedig enigszins zwaarlijvig. Prins Hendriks persoonlijke belangstelling - geheel gericht door zijn opvoeding als Duitse landjonker - ging vooral uit naar de jacht en het paardemennen, naar bosbeheer en bergklimmen, allemaal hobbies waarvoor Nederland weinig mogelijkheid bood en die hier ook slechts in beperkte kring enige waardering ontmoetten.

Wel werd het spoedig duidelijk dat de prins van goeden wille was zijn rol als prins-gemaal te vervullen. Veel waardering ondervond zijn kalm gedrag in 1907 bij de scheepsramp van de Harwich-boot 'Berlin', die bij Hoek van Holland strandde en in tweeën brak. De prins ging aan boord van het reddingsschip dat er 's nachts op woeste zee in slaagde schipbreukelingen van het wrak te halen. Het lag voor de hand dat hij daarna bij bestuurswerkzaamheden van organisaties voor het reddingswezen werd betrokken. In 1908 liet Wilhelmina haar echtgenoot tot voorzitter van het bestuur van het Nederlandsche Roode Kruis benoemen. Op het Haagse hoofdkantoor zou de prins vaak komen werken - vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog was er veel te doen - en hij bleef tot zijn dood een actief bestuurder. Toen ook in Nederland in de loop van de jaren twintig de padvinderij zich snel ontwikkelde, aanvaardde hij het beschermheerschap van de Nederlandsche Padvinders Vereeniging en gaf hij in die functie herhaaldelijk blijk van belangstelling voor dit jeugdwerk.

Toch bleef prins Hendrik wat apart en eenzaam, steeds op de achtergrond, altijd bescheiden maar toch ook weinig energie of initiatief uitstralend. Wat het publiek wel waardeerde waren zijn goedmoedigheid en zijn grapjes - er deden ook spoedig verhalen de ronde over komische vergissingen en versprekingen, al werden de meeste anekdotes waarschijnlijk door anderen bedacht en hem dan toegedicht. Dat het huwelijk van Koningin en Prins niet gelukkig was, bleef spoedig geen geheim meer. De wat ruwe goedhartigheid van prins Hendrik paste slecht bij de doortastende en trotse Koningin. De geboorte van een dochter, pas in 1909, die het enige kind uit dit huwelijk zou blijven, heeft slechts tijdelijk de echtgenoten dichter bij elkaar gebracht. Ofschoon zij zich bij plechtigheden te zamen vertoonden en als gezin op vakantie gingen, kon het op den duur niemand ontgaan dat Koningin en Prins geheel van elkaar losstaande levens leidden. De werkzaamheden en verplichtingen van elk afzonderlijk maakten dit ook gemakkelijk. Zeker in de jaren twintig begonnen geruchten de ronde te doen dat de prins buiten gezin en hof zijn genoegen zocht en schulden maakte. Nog in 1979 werd opgerakeld dat hij bij een buitenechtelijke verhouding een onwettig kind zou hebben verwekt en dat de Koningin omstreeks 1920 echtscheiding overwogen had. Ofschoon iets dergelijks tijdens het leven van prins Hendrik nooit in de Nederlandse publiciteit kwam, werden verhalen van deze aard omtrent geringe huwelijkstrouw en behoefte aan een goed glas toen reeds rondverteld en grif geloofd, ook wanneer zij geen grond hadden. Pijnlijk was het voor de prins dat hij na 1918 zijn bron van inkomsten uit eigen geërfd Duits vermogen zag opdrogen en financieel aangewezen was op de steun van zijn echtgenote, die hem, naar werd verteld, erg krap hield.

In het algemeen heeft men bij het Nederlandse publiek wel begrepen dat het leven van prins Hendrik niet gemakkelijk was, en een zeker gevoel van medelijden ging hem omringen. In zijn persoonlijk leven zocht hij in later jaren steun bij een vrij mystiek geloof, dat een tijdlang aangemoedigd werd door de prediking van een goeroe uit India. Wanneer hij hartelijkheid ontmoette, zoals van zijn dochter Juliana, was hij dankbaar. Het kon hem, vreemde gebleven in zijn gastland, nooit geheel uit zijn wezenlijke eenzaamheid weghalen.

Reeds vroeg begon Prins Hendrik uiterlijk oud te lijken, er was in de jaren twintig sprake van fysieke kwalen. Toch kwam zijn overlijden door een hartaanval in 1934 nog onverwachts. Als rouwkleur had de prins verzocht om in plaats van zwart het wit aan te nemen. Hij wilde met een dergelijke 'witte begrafenis' duidelijk maken dat de overgang tot de eeuwigheid eerder een reden tot vreugde dan verdriet moest zijn. Koningin Wilhelmina, door het verlies van haar echtgenoot diep getroffen - zichzelf eenzaam gevoelend besefte zij plotseling de eenzaamheid in het leven van haar echtgenoot - hield zich getrouw aan dit laatste verzoek. Gedurende de hofrouw droeg zij steeds witte kleding en zij besliste voorts dat bij haar begrafenis, die bijna dertig jaar later plaats zou vinden, het wit opnieuw de rouwkleur zou zijn.

A: Archief-prins Hendrik in het Koninklijk Huisarchief te 's-Gravenhage.

L: Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1848-1919. Uitg. door C. Smit ('s-Gravenhage, 1957, 1968) dl. I en dl. VI; Wilhelmina, Eenzaam maar niet alleen (Amsterdam, 1959); Th. Booy, Het is stil op Het Loo. Overpeinzingen in memoriam koningin Wilhelmina (Amsterdam, 1963); idem. De levensavond van koningin Wilhelmina (Amsterdam, 1965); F.J. Lammers, Drie prinsen naast de troon (Baam, 1976) 7-68; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1979) IX, 852-859; Hugo Arlman & Gerard Mulder, Van de prins geen kwaad. Prins Hendrik & andere dossiers van Oranje (Alphen aan den Rijn, 1982).

I: K. van Lieverloo en P. Roelofs, Antoon van Welie. De laatste decadente schilder 1866-1956 (Zwolle [etc.] 2007) [Portret: Antoon van Welie, 1922/23].

I. Schöffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013