Heukelum, Gerardus Wilhelmus van (1834-1910)

 
English | Nederlands

HEUKELUM, Gerardus Wilhelmus van (1834-1910)

Heukelum, Gerardus Wilhelmus van, RK geestelijke en kunstkenner (Pannerden 20-12-1834 - Jutphaas 30-6-1910). Zoon van Henrikus van Heukelum, baksteenfabrikant, en Amoldina Arntz. afbeelding van Heukelum, Gerardus Wilhelmus van

Van Heukelums vader, oorspronkelijk landbouwer, was door zijn huwelijk met een dochter van een steenbakker in de baksteenindustrie terechtgekomen. Doordat hij zijn kinderen in andere steenbakkersfamilies liet introuwen, ontstond een soort oligarchie die het economische leven in de Liemers en de Over-Betuwe geruime tijd heeft beheerst.

De jongste zoon, Gerardus, had reeds in zijn jeugd grote belangstelling voor architectuur en beeldende kunst. Toen hij twaalf jaar oud was, werd besloten dat hij priester zou worden. Hij begon zijn opleiding aan het klein seminarie te Culemborg, dat geleid werd door jezuïeten. Over het onderricht daar was hij niet erg te spreken, zodat hij in 1848 zijn studie voortzette aan het seminarie Hageveld te Voorhout. Het onderwijs aan die instelling beviel hem veel beter. In zijn Hageveldse tijd kwam hij voor het eerst in aanraking met de geschriften van Joseph Alberdingk Thijm, kunstcriticus en voorman van de katholieke herleving, die van grote invloed op hem zouden zijn. In 1855 deed hij toelatingsexamen voor de hogere priesterstudiën, die aanvankelijk weer te Culemborg plaatsvonden en vanaf 1857 in het nieuwe groot-seminarie Rijsenburg, dat onder leiding stond van Andreas Ignatius Schaepman, een figuur met wie Van Heukelum nog veel te maken zou krijgen. In 1859, kort voor zijn afstuderen, kwam hij tijdens een reis naar Duitsland in contact met een aantal leidinggevende figuren van de neogotische beweging in het Rijnland, o.a. de Akense kanunnik Franz Bock (1823-1899), beschermer van de jonge beeldhouwer F.W. Mengelberg (1837-1919), en August Reichensperger (1808-1898), groot stimulator van de bouw van de Keulse dom en vruchtbaar publicist. Aangespoord door deze ontmoetingen begon hij zich nu serieus in de studie der kerkelijke kunst te verdiepen. Hij hoopte benoemd te worden tot kapelaan in een kleine dorpsparochie, zodat hij zich in alle rust aan zijn studiën zou kunnen wijden. Het liep echter anders.

Na zijn priesterwijding, die op 10 augustus 1859 plaats had, werd hij door aartsbisschop J. Zwijsen benoemd tot kapelaan aan de St.-Catharinakathedraal te Utrecht. Aangezien deze kerk gerestaureerd moest worden, zou een priester met verstand van kerkelijke kunst daar goede diensten kunnen bewijzen. Kort na Van Heukelums benoeming aan de St.-Catharina werd de Rijsenburgse seminariepresident Schaepman daar pastoor. Van Heukelum is bij de kerkrestauratie, die plaats vond onder leiding van H.J. van den Brink (1816-1882), betrokken geweest. Bij deze restauratie werd de betrekkelijk eenvoudige laat-gotische kerk met behulp van stuc getransformeerd in een rijk gedecoreerde klassiek gotische kathedraal.

Van Heukelum heeft naderhand steeds volgehouden van het begin af zeer kritisch tegenover deze restauratie te hebben gestaan. Het is echter aannemelijker dat hij zich pas geleidelijk van dergelijke restauratieopvattingen heeft gedistantieerd. Zijn eigen inzichten hebben waarschijnlijk pas in latere jaren vorm gekregen. Buiten Utrecht kon Van Heukelum nog weinig invloed uitoefenen.

Pas in 1868, wanneer Schaepman aartsbisschop van Utrecht wordt, verandert dit. In tegenstelling tot zijn voorganger Zwijsen had deze grote belangstelling voor kerkelijke kunst. Hij stelde zich geheel achter de ideeën die Van Heukelum inmiddels had ontwikkeld. Alle plannen voor kerkbouw en restauratie moesten nu aan Van Heukelum worden voorgelegd. Anders dan de richting van Alberdingk Thijm en P.J.H. Cuypers, die zich vooral baseerde op de dertiende-eeuwse Franse gotiek, meende Van Heukelum dat men de uitgangspunten voor kerkelijke kunst in de eerste plaats moest zoeken binnen de eigen landsgrenzen, en wel in het bijzonder bij de Nederlandse baksteengotiek van de late middeleeuwen. In zijn voorkeur voor baksteenbouw komt wellicht ook zijn herkomst uit een steenbak-kersfamilie tot uiting. In geografisch opzicht werd wel een beperking aangebracht: Nederlands betekende veelal Nederrijns, en wel met inbegrip van het Duitse Nederrijngebied.

Om de geestelijkheid voor zijn ideeën te winnen, richtte hij in 1869 het Sint-Bernulphus-Gilde op, naar het voorbeeld van het Belgische Sint-Thomas-en Lucasgilde. Deze vereniging, waarvan Van Heukelum deken (voorzitter) werd, poogde bij de geestelijkheid belangstelling te wekken voor kerkelijke kunst door het organiseren van lezingen en excursies, alsmede door de uitgave van een tijdschrift Het Gildeboek, na 1886 voortgezet tot 1917 onder de titel Verslag van het St.-Bernulphus-Gilde. Aanvankelijk was een volledig lidmaatschap alleen voor geestelijken mogelijk, sinds 1886 konden ook anderen gewoon lid worden. Gedurende de eerste jaren nam het aantal leden snel toe, daarna trad een stagnatie op, die weliswaar werd overwonnen, doch zich telkens zou herhalen. Van Heukelum was binnen het gilde in feite almachtig, anderen hadden weinig te vertellen. Dit werkte op den duur verstarrend en is het gilde ten slotte zelfs noodlottig geworden. Niettemin heeft het activiteiten van belang ontplooid.

Van Heukelum had reeds in zijn studietijd kerkelijke kunst verzameld. Deze collectie vormde de kern van het in 1868 opgerichte Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht. Hij had met dit museum een tweeledig doel voor ogen: in de eerste plaats werden zo belangrijke objecten voor vernietiging gevrijwaard en in de tweede plaats konden de verzamelde voorwerpen als voorbeeld voor nieuwe scheppingen dienen. In de negentiende eeuw werden verscheidene musea met dit oogmerk opgericht. De collecties van het Aartsbisschoppelijk Museum zijn thans opgenomen in het Rijksmuseum Catharijneconvent te Utrecht.

De belangrijkste taak die Van Heukelum zich had gesteld, was het bijeenbrengen van een groep kunstenaars die zijn ideeën in de praktijk kon brengen. In vrij korte tijd wist hij vier kunstenaars aan zich te verbinden, die al spoedig de bijnaam Utrechts 'Kwartet' kregen. In 1868 was hij in contact gekomen met de uit Keulen afkomstige beeldhouwer Mengelberg, die zich, waarschijnlijk mede op instigatie van Van Heukelum, in Utrecht vestigde. Eveneens uit Keulen afkomstig was de glazenier Heinrich Geuer (1841-1904), een zeer produktief, maar onevenwichtig kunstenaar. Uit Nederland kwam de edelsmid Gerard Brom, wiens plaats spoedig werd ingenomen door zijn zoon Jan. Met het vinden van een geschikte architect had Van Heukelum aanvankelijk wat moeite. De toen al bekende architect Cuypers kwam wegens zijn afwijkende denkbeelden niet in aanmerking. Tussen 1868 en 1870 testte Van Heukelum een aantal architecten, die hij gedeeltelijk ontwerpen van anderen, o.a. Mengelberg, liet uitvoeren. De architect die uiteindelijk het meest aan zijn bedoelingen bleek te beantwoorden, was Alfred Tepe (1840-1920); hij werd het vierde lid van het Utrechtse 'Kwartet'.

De bemoeienissen van Van Heukelum als artistiek adviseur van de aartsbisschop stuitten wel op tegenstand. Om die redenen greep Van Heukelum de kans ergens pastoor te worden met beide handen aan. In het dorp Jutphaas, waar hij in 1873 zijn intrede deed en tot zijn dood zou blijven, kreeg hij bovendien de mogelijkheid geheel naar eigen inzicht een kerk te bouwen en in te richten. Toen de inrichting van dit gebouw nagenoeg voltooid was publiceerde hij een uitvoerige beschrijving hierover, die kan worden beschouwd als de beste samenvatting van zijn ideeën.

Ook na zijn benoeming te Jutphaas bleef hij zich actief en met succes met kerkbouwzaken bemoeien. Tussen 1875 en 1883 werd er in het aartsbisdom Utrecht vrijwel geen kerk gebouwd of ingericht waar het Utrechts 'Kwartet' niet bij was betrokken. Dit veranderde na de dood van Schaepman in 1883. Onder het bewind van aartsbisschop P.M. Snickers (1883-1895), voordien bisschop van Haarlem, nam de invloed van Van Heukelum iets af. Ook anders georiënteerde kunstenaars kregen toen in het aartsbisdom een kans. Van Heukelums principes hadden inmiddels echter dusdanig vaste voet gekregen, dat zij ook toen de overhand behielden. Onder aartsbisschop H. van de Wetering (1895-1929), zelf afkomstig uit de kring van het Sint-Bernulphus-Gilde, nam Van Heukelums invloed weer iets toe. Zijn verdiensten werden in 1900 erkend door zijn benoeming tot kanunnik van het Utrechtse kathedraalkapittel.

Na 1900 kwamen in de kerkelijke kunst nieuwe tendensen naar voren, die geleidelijk aan ook in het aartsbisdom Utrecht doordrongen. Ofschoon Van Heukelum zich hiertegen wel verzette, kon hij toch het tij niet meer keren. Tepe verhuisde in 1907 naar Duitsland, Geuer stierf in 1904 en Jan Brom toonde zich van de nieuwe ideeën allerminst afkerig. Alleen Mengelberg bleef de oude principes trouw. In het Sint-Bernulphus-Gilde bleek nu hoe groot het gevaar van een sterk geconcentreerde leiding was. Van Heukelum kon, mede door zijn verslechterende gezondheid, het gilde niet meer goed leiden, doch voor een ander plaats maken wilde hij niet. In 1907 staakte het gilde zelfs alle activiteiten. Pas na Van Heukelums dood zou het in andere vorm herleven.

Wat betreft de invloed die Van Heukelum uitgeoefend zou hebben op 'zijn' kunstenaars is er wel gesproken over de dictatuur van Van Heukelum. Hij zou zijn kunstenaars geheel vastgelegd hebben op de navolging van oude voorbeelden en hun geen enkele vrijheid hebben gegund. Hij heeft inderdaad de inrichting van zijn kerk in Jutphaas zelfontworpen en ook elders duidelijke voorbeelden ter navolging aanbevolen. Zijn oogmerk was daarbij dat men zich door het volgen van goede voorbeelden dusdanig in de vormentaal der gotiek moest inleven, dat men daarin tot zelfstandige scheppingen kon komen. Bij nauwkeurige beschouwing van de werken van het Utrechts 'Kwartet', in het bijzonder bij Mengelberg, zal duidelijk blijken dat de vormen der gotiek dikwijls met de nodige vrijheid werden toegepast, al zijn bepaalde details op bestaande voorbeelden terug te voeren. Van Heukelum had zeker autoritaire trekken, doch te spreken van een artistieke dictatuur is overdreven en onrechtvaardig.

Reeds Alberdingk Thijm had zich in zijn geschriften fel gekeerd tegen het gemakzuchtige utilitarisme van veel geestelijken, en Van Heukelum besloot op die weg voort te gaan. Ook was hij bezorgd over de invloed van de opkomende massa-industrie, die zich ook op het gebied der devotionalia manifesteerde en het land met een stortvloed van minderwaardige produkten begon te overstromen. Hiertegenover diende men de beginselen van een waardige en eerlijke kunst in brede kring bekend te maken. Daartoe greep Van Heukelum, in navolging van o.a. Thijm en Reichensperger, terug op de beginselen der middeleeuwse kunst. Als kunsttheoreticus is hij geen zeer oorspronkelijk denker. Zijn concepties hebben echter het aanzien gegeven aan tal van kunstwerken, welker waarde thans weer opnieuw gewaardeerd wordt.

A: Enige aantekeningen en schetsen in collectie-St.-Bernulphus-Gilde in Rijksmuseum Catharijne-convent Utrecht.

P: Behalve Van sunte Christoffels beelden ('s-Gravenhage, 1865): met H.J.A.M. Schaepman, De St. Nicolaas-kerk van Jutfaas (Utrecht, [1906]): volledig overzicht van publikaties in hieronder genoemd werk van A.J. Looyenga.

L: Alb. van Rooijen, in Utrechtsch Jaarboekje 70 (1911) X-XXX en 71 (1912) XXXVI-XXXVII; Gerard Brom, De herleving van de kerkelijke kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933); D.P.R.A. Bouvy, 'Enige bewijzen voor de 'dictatuur' van Van Heukelum', Miscellanea J.Q. van Regieren Altena (Amsterdam, 1969) 222-223; H.P.R. Rosenberg, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972); A.J. Looyenga, 'De Utrechtse school in de neogotiek' (in voorbereiding).

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A3729.

A.J. Looyenga


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013