Hollander, Arie Nicolaas Jan den (1906-1976)

 
English | Nederlands

HOLLANDER, Arie Nicolaas Jan den (1906-1976)

Hollander, Arie Nicolaas Jan den, socioloog en amerikanist (Rotterdam 23-4-1906 - Amsterdam 16-6-1976). Zoon van Pleun den Hollander, schoolhoofd, en Clasina Maria Elisabeth Mighorst. Gehuwd op 30-3-1950 met Ida High. Dit huwelijk, waaruit geen kinderen werden geboren, werd ontbonden op 1-12-1953. afbeelding van Hollander, Arie Nicolaas Jan den

Den Hollanders jeugd werd beheerst door een zeer strikte vader. Deze was aanvankelijk hoofdonderwijzer in het Rotterdamse Katendrecht, waar het gedrag en de sociale omstandigheden van zijn pupillen hem met zorg vervulden. Hij sloot zich daarom aan bij verenigingen als Pro Juventute, werd lid van de Tuchtraad en de Commissie tot wering van het schoolverzuim. Ook droeg hij bij tot de samenstelling van een verslag van de Vereeniging Pro Juventute over De misdadige jeugd in het havenbedrijf (Rotterdam, [1904]). In december 1914 verhuisde het gezin naar Amsterdam. Den Hollander senior zou er andermaal als schoolhoofd gaan functioneren, en vanaf 1926 als directeur van het Stadsbestedelingenhuis aan de Prinsengracht 434.

Arie - de enige zoon - was een enigszins eenzelvige jongen, die zich vermeide in zelfuitgevonden spelletjes en niet wilde dat er aan hem gefrunnikt werd (de omschrijving is van hemzelf). Schoolproblemen ondervond hij niet; integendeel, hij doorliep de 5-jarige HBS-B met glans en slaagde in 1924 en passant ook voor de onderwijsakte. In dat zelfde jaar liet hij zich aan de Universiteit van Amsterdam inschrijven voor de studie sociale geografie, of sociografie, zoals zijn leermeester S.R. Steinmetz liever zei. Zijn 'penchant voor het exotische' leerde hij ondergeschikt te maken aan de precisie vereist voor adequate landbeschrijving. Nauwgezette plichtsbetrachting was Den Hollander thuis al ingeprent. Om zelf een bijdrage te leveren tot de financiering van zijn studie gaf hij in de avonduren middelbare scholieren bijles.

Zijn doctoraal scriptie over 'Het moderne Egypte als landbouwland' (1929) lazen zijn docenten met waardering. Hierdoor gesterkt solliciteerde hij naar een beurs van de Rockefeller Foundation te New York. Hij kreeg deze ook. Van november 1930 tot oktober 1932 verrichtte hij literatuuronderzoek en veldwerk in het zuiden van de Verenigde Staten, met de universiteit van Noord-Carolina als basis. Op deze regio, een Amerikaans probleemgebied, concentreerde zijn aandacht zich, vooral op de situatie waarin de arme landelijke blanken daar verkeerden. Het was een originele keuze. Zeker, er was al het een en ander over dit onderwerp verschenen, maar Den Hollander zou toch terecht vaststellen dat zowel wetenschap als politiek de armoede in het zuiden schromelijk had verwaarloosd. De zorgvuldige, lucide beschrijving die hij van de zuidelijke klassenstructuur en van de leefomstandigheden der 'poor whites' gaf maakt nog steeds indruk. Hij promoveerde in 1933 cum laude bij Steinmetz op De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten: een sociaal-historische en sociografische studie, 27 jaar oud. Den Hollander wist precies wat hij waard was. Van belang voor de toekomst was dat Amerika hem niet meer zou loslaten. Terug in het vaderland publiceerde hij vooral over wat hij het onofficiële Amerika noemde, dus niet dat van de grote politiek en de in het oog springende sociaal-economische bewegingen, maar over de uithoeken van het land, over de verliezers en vergetenen: Indianen en zwarten. Hij putte daarbij steeds uit de ervaringen en waarnemingen van 1930 tot 1932 gedaan.

Een jong academicus kon in de crisistijd slechts met moeite werk vinden. Den Hollander slaagde daar toch heel behoorlijk in, hij was niet voor één gat te vangen. Hij hield voordrachten, deed vertaalwerk, en gaf aan middelbare scholen onderricht in aardrijkskunde en geschiedenis. Artikelen van zijn hand verschenen in kranten en tijdschriften, bijv. in het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, waarvan hij in 1935 redacteur werd. In de tweede helft van de jaren dertig richtte hij zijn wetenschappelijke belangstelling op de historisch-geografische eigenaardigheden van de grote Hongaarse laagvlakte en onderzocht hij ter plaatse hoe dit van oorsprong vruchtbare landschap was veranderd in een cultuursteppe en hoe de bewoners er een - armoedig - bestaan opbouwden.

Deze en zijn andere werkzaamheden werden tijdelijk onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Samen met 84 andere Amsterdammers werd hij in januari 1942 opgepakt als represaille voor bomaanslagen die in de hoofdstad waren gepleegd. Hij zat drie maanden in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort gevangen. Dank zij een 'knappe Uilenspiegelhouding' wist hij zich er staande te houden. Bovendien leerde hij in het kamp de historicus Jan Romein goed kennen en waarderen. Mede door toedoen van Romein werd Den Hollander kort na de bevrijding, in maart 1946, benoemd tot hoogleraar in de inleiding tot en encyclopedie van de sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In verband met de oprichting van de Politiek-Sociale Faculteit werd zijn leeropdracht in 1947 uitgebreid met het vak amerikanistiek.

De Verenigde Staten waren te onzent tot aan de oorlog slechts incidenteel bestudeerd. De Tweede Wereldoorlog en natuurlijk vooral het Amerikaanse aandeel daarin zouden verandering in deze situatie brengen. Den Hollander was een van de weinigen die zich al voordien in de Amerikaanse samenleving hadden verdiept. Het lag dan ook voor de hand juist hem te belasten met de taak samenleving en cultuur van onze bevrijders toegankelijker te maken. Omwille van die toegankelijkheid breidde hij in Amsterdam het Amerika Instituut uit, dat een voor Europa unieke collectie americana zou gaan herbergen. Het grootste deel van zijn onderwijstaak besteedde hij echter aan de sociologie. Vele aankomende sociologen, politicologen en sociaal-pedagogen maakten onder zijn leiding kennis met dit, althans in de Nederlandse academische wereld, tamelijk jonge vak. Zijn colleges placht hij te doorspekken met scherpe aperçus en aforismen, waarin men de invloed van Schopenhauer kon herkennen. School zou hij niet maken, daarvoor was hij te veel individualist en te weinig systematicus. Wel leerde hij studenten een attitude van scepsis en wantrouwen, die voor hemzelf een tweede natuur waren. Zijn wetenschappelijke arbeid werd gevoed door een intense nieuwsgierigheid. Hij wilde van maatschappelijke verschijnselen weten 'hoe zij eigenlijk in elkaar zaten', daarbij niet afgaande op het gezag van anderen, maar op de eigen waarneming. Sociologie betekende voor hem in de eerste plaats - zelf-observeren.

Buiten de persoonlijke kring was hij niet gemakkelijk in de omgang. Hij kwetste nogal eens om niet gekwetst te worden. Domheid kon hij slecht verdragen. Wellicht definieerde hij dom wat al te ruim. Het gevoel weinig of geen gelijken te hebben in de naaste (Amsterdamse) omgeving bracht hem ertoe zijn vleugels naar buiten uit te slaan. Reizen, al dan niet voor congresbezoek, ondernam hij frequent en naar alle windstreken der aarde. Enige artikelen liet hij in vertaling verschijnen. Hij was actief betrokken bij internationale organisaties als de United Nations Educational Scientific and Cultural Organisation, de International Sociological Association en bovenal de European Association for American Studies, waarvan hij vanaf 1969 tot aan zijn dood voorzitter was en die hij voorzag van een krachtiger financiële basis. Dat hij een bekwaam organisator was staat buiten kijf. De Nederlandse Sociologische Vereniging, het Amerika Instituut en het Sociologisch Seminarium te Amsterdam plukten er evenzeer de vruchten van. Het bezorgde hem tegelijk een status waarop hij zich graag liet voorstaan, volgens sommigen al te graag.

Pretenties in de sociale wetenschappen prikte hij veelvuldig door, en ook dat werd hem niet overal in dank afgenomen. Hij distantieerde zich van opvattingen als zou de sociologie leiden tot definitieve wetten en waarheden. Hij was meer geïnteresseerd in de grenzen dan in de expansie van deze discipline. In de verzameling opstellen Visie en verwoording (1968) formuleerde hij met zijn gebruikelijke acribie de beperkingen die de taal der wetenschap in het algemeen oplegt. Zijn eigen taalgebruik was sober, zorgvuldig en tot en met de punten en komma's doordacht. Met George Orwell was hij van mening dat taalvervuiling tot politiek onheil kan leiden. Het politiek bedrijf boeide hem overigens weinig. Volgens zijn opvatting kwam het verwoordingsprobleem in de sociale wetenschappen nagenoeg overeen met dat in de letterkunde. Hij streefde ernaar in zijn publikaties verstaanbaar te blijven, zijn lezers te purgeren van clichés en nonsens en hen te wapenen tegen de 'leuzen van de tijd'.

De roep om - universitaire - democratisering, die in de tweede helft van de jaren zestig begon op te klinken, achtte hij zo'n holle frase. Democratie en wetenschap verdragen elkaar niet, vond Den Hollander. Hij kantte zich dan ook bij voorbaat tegen de eisen van de contesterende studenten. Dat juist zijn persoon in 1969 het voorwerp werd van heftige kritiek van hun kant was misschien niet onvermijdelijk, maar evenmin verwonderlijk. Buitenstaanders kunnen zich wel verwonderen over de lakonieke wijze waarop bestuurderen op alle niveaus Den Hollanders optreden tijdens het beruchte college van 14 februari 1969 laakten. Tijdens dat college wees hij het verzoek om syllabi en de eis tot discussie over de door hem geboden stof af. Provocerende taal van studenten beantwoordde hij met even provocerende uitlatingen - men kon dat gevoeglijk aan hem overlaten. Waar anderen er de voorkeur aan gaven een toegeeflijke houding aan te nemen, weigerde hij concessies te doen aan 'luiheid en middelmaat'. Het gevolg van dit alles was dat hij zijn colleges in de sociologie moest staken en zelf na 1969 niet langer de bereidheid toonde deze te vervolgen. Wel bleef hij voor gevorderden amerikanistiek doceren.

De onverkwikkelijke 'affaire-Den Hollander', die heel wat pennen in beweging bracht, was voor hemzelf een traumatische ervaring. Hij voelde zich door zijn naaste collega's verraden en brak met de meesten van hen volledig. Hij zou zich nu praktisch geheel op zijn schrijfwerk toeleggen. Had hij voordien hoofdzakelijk in artikelvorm gepubliceerd, na de troebelen van 1969 liet hij enkele boeken het licht zien, waarvan met name genoemd moet worden Het démasqué in de samenleving (1976), Den Hollander ten voeten uit. Hij behandelde er de werkzaamheden van de zogenoemde 'muckrakers' in, Amerikaanse journalisten en schrijvers die vlak na 1900 maatschappelijke misstanden en corruptie signaleerden en aan de kaak stelden. In het tweede gedeelte van het boek weidt hij uit over de menselijke behoefte aan en de positieve sociale waarde van het Grote Pseudo, van de schijn die op individueel en maatschappelijk vlak hardnekkig wordt opgehouden. De sympathie van Den Hollander lag natuurlijk bij de ontmaskeraars, degenen die de moed hebben (op gevaar af in het maatschappelijk verkeer te worden buitengesloten) door de schijn heen te breken naar waarheid en authenticiteit. Date hij zichzelf tot de categorie der onthullers rekende lijdt geen twijfel. Hij schamperde dikwijls over de intellectuele kwakzalverij die aan de universiteiten opgeld zou doen, over het oprukken van de parasociologen en hun ingewikkelde begrippenapparaat, waarachter hij slechts leegheid aantrof.

Ook met betrekking tot de amerikanistiek zag hij zijn taak liggen in de onthulling, zij het in een ietwat andere betekenis van dat woord. In 1970 schreef hij bijvoorbeeld: 'De waarneming door de Europeaan van al wat in Amerika te zien is schijnt altijd door een waas te geschieden, door een irrationeel tot stand gekomen voorkennis te moeten breken.' Met deze versluiering had Den Hollander geen vrede: in plaats van de magische abstracta over Amerika wilde hij kennis van de concrete Amerikaanse werkelijkheid brengen. Tegelijk bleef het bestaan van de 'vage mythe' over Amerika hem bezighouden binnen het algemeen kader van het cognitief proces waarmee groepen en volken het andere en het vreemde proberen te vatten of te verdringen met stereotypen. Al in 1946 had hij in zijn intreerede Het andere volk behartigenswaardige opmerkingen gemaakt over de zin en onzin van groepsbeeldvorming. Het anti-amerikanisme dat tijdens de jaren zestig in zwang kwam rangschikte hij grotendeels onder het hoofdstuk onzin, al hield hij ook degenen die de Verenigde Staten door dik en dun wilden verdedigen op afstand. 'Amerika en Europa: divergentie of convergentie' (Internationale Spectator 29 (1975) 649-669) is een van zijn beste en een van zijn laatste artikelen.

Kort voor zijn emeritaat overleed hij aan een hartkwaal, die zich na 1969 had geopenbaard. In necrologieën aan hem gewijd werd gememoreerd dat hij samen met anderen als F. van Heek, J.P. Kruijt en P.J. Bouman de naoorlogse sociologie in Nederland gestalte had gegeven, en dat hij enige generaties studenten had voorgehouden het bestaande sceptisch, zelfs sardonisch te ontleden. Of hij met dat laatste ook bijdroeg tot de door hem veelal verfoeide 'anti-deferential society' der jaren zestig kan worden gesuggereerd, maar is natuurlijk lastig te bewijzen. Voor biografen vormde hij geen dankbaar object, al verleende hij nog zijn medewerking aan een televisieportret van zijn persoon in de serie Markant van de Nederlandse Omroep Stichting (NOS), dat op 16 november 1975 werd uitgezonden. Men moest hem en de details van zijn leven liever niet te na komen. Van belang was alleen zijn geschreven werk, en dat kon men lezen, had hij gemeend.

Het beste van dat werk zal de toets der kritiek blijven doorstaan door de tonische kwaliteit ervan, en omdat Den Hollander de sociale wetenschappen dicht bij de letterkunde zag liggen en zich dat herinnerde wanneer hij de pen ter hand nam.

P: Behalve de reeds genoemde publikaties: Nederzettingsvormen en -problemen in de Groote Hongaarsche Laagvlakte. Een Europeesch .frontier" gebied (Amsterdam, 1947); Americana. Studies over mensen, dieren en een kaktus tussen Rio Grande en Potomac (Meppel, [1970]); De verbeeldingswereld van Edgar Allen Poe en enkele tijdgenoten. Bijdrage tot Amerika"s ideeëngeschiedenis (Amsterdam, 1974). Voor een vrijwel volledige bibliografie: '...de Gewone ervaring leert al anders'. Afscheidsbundel ter nagedachtenis aan prof. dr. A N.J. den Hollander. Onder red. van J. Berting en R. Kroes (Alphen aan den Rijn, 1976) 185-189.

L: Zie de hierboven genoemde bundel van J. Berting en R. Kroes. Voorts J.E. Ellemers, in The Netherlands' Journal of Sociology 12(1976) 103-106; Th.J. Hooning, in Folia Civitatis, 26-6-1976; R. König, in Kölner Zeitschrift für Soziologie und Sozialpsychologie 28 (1976) 607-608; L. Turksma, in Mens en maatschappij 51 (1976)228-229; J. Berting, in Vrij Nederland, 26-6-1976. Interviews met enig biografisch materiaal: S. Piet, 'Prof. den Hollander: 'Ik heb mij nooit één moment verveeld' ', in NRC Handelsblad, 10-4-1976 en K. Peereboom, 'In academische wereld woekert de schijn', in Het Parool 17-4-1976. Zie ook J.F. Hunsche, P.D.A. (Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort). Herinneringen van een gijzelaar [Amsterdam, ca. 1949]; S. Skard, American Studies in Europe. Their history and present organisation (Philadelphia, 1958. 2 dl.) II, 368-378; J.A.A. van Doorn, Beelden betekenis van de Nederlandse sociologie (Utrecht, [1964]); S. Skard, 'In memoriam A.N.J. den Hollander', in Vistas of a continent. Concepts of nature in America. Ed. bij T.A. Riese (Heidelberg, 1979) 11-18; F. de Jong Edz., Macht en inspraak: de strijd om de democratisering aan de Universiteit van Amsterdam (Baarn, 1981).

I: '...de Gewone ervaring leert al anders'. Afscheidsbundel ter nagedachtenis aan prof. dr. A N.J. den Hollander. Onder red. van J. Berting en R. Kroes (Alphen aan den Rijn, 1976) afbeelding tegenover titelblad.

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013