Jacobs, Ezechiƫl (1868-1914)

 
English | Nederlands

JACOBS, Ezechiël (1868-1914)

Jacobs, Ezechiël (bekend onder de naam Eduard , later Edouard Jacobs), cabaretier (Amsterdam 2-4-1868 - Amsterdam 6-12-1914). Zoon van Hyman Jacobs, musicus, en Judik Hamburger. afbeelding van Jacobs, Ezechiël

Eduard Jacobs kwam uit een joodse muzikantenfamilie: niet alleen zijn vader maar ook zijn oom Elie Hamburger was musicus, terwijl zijn broer Jacob later dirigent werd in Londen. In 1872 overleden zijn vader en zijn zusje Ester, waarna hij zorgelijke jeugdjaren heeft moeten ondergaan, die wellicht iets van de bittere toon in zijn werk kunnen verklaren. Toch stelde zijn moeder - bijgestaan door haar broer - alles in het werk om haar twee zoons een goede opleiding te garanderen, waarbij muzieklessen en talenkennis voorop stonden. Maar in de gegeven omstandigheden brachten economische motieven haar tot de overtuiging dat Eduard zich het best aan een burgervak zou kunnen wijden in plaats van de onzekere artiestenwereld tot zijn domein te kiezen. Hoewel hij op vijftienjarige leeftijd al van zijn muzikale aanleg blijk had gegeven, werkte hij tot 1890 in de diamantindustrie, waarbij hij zich in zijn vrije tijd verder bekwaamde in het schrijven en zingen van liedjes.

In het milieu rond het diamantsnijdersatelier Van Wezel leerde hij een aantal socialistische voorvechters kennen die een grote invloed op zijn karaktervorming hebben gehad: Henri Polak, Herman Kuyper. Jan van Zutphen, Franc van der Goes en A.S. de Levita (dichter van het strijdlied Op socialisten, sluit de rijen, het rode vaandel volgen wij!) . Omdat zijn artistieke bloed kroop waar het niet gaan kon, nam hij op 22-jarige leeftijd op goed geluk de trein naar Parijs, waar hij vier jaar zijn brood heeft verdiend als pianist: eerst op een dansschool en later als begeleider van variété-artiesten in het vermaakscentrum Le Moulin Rouge. In deze - voor zijn toekomst beslissende - Franse jaren kwam hij in contact met een nieuwe, elitair gerichte amusementsvorm die zich in 1881 had geopenbaard: het intieme cabaret-artistique (kunst in een kroeg). Op Montmartre maakte hij kennis met belangrijke vertegenwoordigers van deze jonge, literaire beweging, zoals Rodolphe Salis (stichter van Cabaret Le Chat Noir) en de dichter-zanger Aristide Bruant (Cabaret Le Mirliton).

In 1894 kwam hij met een koffer vol Frans cabaretmateriaal naar Nederland terug, in de hoop ook Amsterdam met deze aparte amusementskunst te mogen doen kennismaken. Na een moeilijk jaar, waarin hij onder meer als pianoleraar werkzaam was, kreeg hij zijn grote kans in de zomer van 1895. Tijdens de wereldtentoonstelling 'Hotel en reiswezen' op het huidige Museumplein leidde een toevallig bezoek aan de nachtsociëteit Het Wapen van Habsburg (later ook De Kuil en Sociëteit Apollo genoemd) in het benedenhuis van Quellijnstraat 64 tot de eerste cabaretovereenkomst in ons land, die op 19 augustus 1895 door Eduard Jacobs (toen 27 jaar oud) enthousiast werd getekend: een rijksdaalder per avond en vijftig procent van de collecteopbrengst.

Bij het debuut van deze cabaretpionier (die wij onze allereerste protestzanger mogen noemen) boog zijn Rotterdamse leeftijdgenoot Koos Speenhoff zich nog zuchtend over het isolatiemateriaal in de fabriek van zijn vader in Krimpen aan de Lek. Jean-Louis Pisuisse was nog maar een vijftienjarige leerling in Middelburg die van een journalistieke toekomst droomde, terwijl de twaalfjarige Louis Davids als coupletten zingend wonderkind op kermissen werd geëxploiteerd. Hoewel Jacobs nooit de artistieke hoogte van deze beroemd geworden opvolgers heeft bereikt, komt hem de eer toe het echte cabaret in ons land te hebben geïntroduceerd. Hij bracht de sfeer van Boulevard Rochechouart over naar de Quellijnstraat. Deze straat maakte deel uit van een nieuwe wijk, die door de stadsplannenmakers op de plattegrond met de serieletters YY werd aangeduid, maar in de volksmond De Pijp werd genoemd. In deze buurt - tussen 1870 en 1895 uit de grond gestampt - werd de politie geconfronteerd met een onderwereld waarin prostitutie (ook van kinderen) hoogtij vierde. Net als voor Aristide Bruant in de obscure buurt van Montmartre (niet voor niets Montmerde genoemd!), ging ook voor Eduard Jacobs het licht schijnen in een donkere Amsterdamse wijk. Bijna tien jaar heeft hij daar, zichzelf staande begeleidend aan de piano, zijn baanbrekend werk verricht. Eduard Jacobs zette het mes in de toenmalige schijnwereld van het burgerlijk vermaak: de vrijblijvende, tot niets verplichtende, algemeen neutrale ontspanningsprogramma's. Want de époque was niet zo 'belle' en de 'nineties' waren niet zo 'gay' als men in de Salon des Variétés of in het Café Chantant deed voorkomen; over de maatschappelijke misstanden die achter het pluche gordijn van het fin de siècle verborgen waren, werd geheimzinnig gezwegen. Maar Eduard Jacobs durfde zijn verontwaardiging te uiten in rauw realistische, fel getuigende, niets en niemand ontziende spot- en klaagliederen, waarin de bewogenheid van het opkomende socialisme (in 1894 had Troelsta met de zg. twaalf apostelen de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij opgericht) te beluisteren viel. De kleinburgerlijke lol van 'Tararaboemdié', de commerciële smart van 'Weet ge moeder wat ik droomde' en de quasi pikante dubbelzinnigheden van 'Adèle, Adèle, "k heb zo'n buste nog nooit gezien' werden door hem ondubbelzinnig beantwoord met schokkende hartekreten, die door een recensent uit die tijd 'lugubere zangen' werden genoemd.

Historisch gezien blijft het nog altijd interessant van deze antieke cabaretuitingen kennis te nemen, omdat ze ons, beter en duidelijker dan droge geschiedschrijving, een boeiend facet tonen van het dagelijkse leven rond de eeuwwisseling. Het zijn, in tegenstelling tot het beste werk van Koos Speenhoff, geen voorbeelden van echte poëzie, maar wel van heldere scherpe foto's, die vaak meedogenloos de harde waarheid hebben geregistreerd. Sommige 'momentopnamen' zijn bovendien met zoveel vakmanschap en zoveel gevoel voor theater vervaardigd, dat ze ons nu ook nog artistiek kunnen boeien. Maar dat is dan voornamelijk te danken aan de kundigheid van de veelzijdige auteur Martin Liket. Hij is, eerst in losse dienst, later op een vast maandsalaris, de schaduwschrijver van Jacobs geweest. Liket heeft de meeste liedjes en monologen anoniem geschreven of (zonder bronvermelding) uit het Frans vertaald of bewerkt. Eduard Jacobs 'componeerde' er meestal melodietjes bij die hij op Montmartre had gehoord; dat hij zichzelf dichter-zanger noemde is derhalve ten onrechte. Maar het blijft een vaststaand feit dat hij jarenlang de eerste en de enige is geweest die dit 'gewaagde' cabaretrepertoire durfde te zingen.

Omdat het Amsterdamse publiek nog niet rijp was voor deze waaghalzerij heeft ons eerste cabaret in 1904 het onderspit moeten delven. Dat de door onderwerpen en taalgebruik provocerende liedjes van Jacobs ertoe hebben bijgedragen de samenleving en de overheid attent te maken op sociale misstanden, lijkt geen gewaagde veronderstelling. In wezen was hij al jaren een actief sociaal werker (ook door buiten de cabaretwereld misdeelde medemensen te steunen), voordat de Nationale Raad voor Maatschappelijk werk in 1908 werd opgericht. En in dat licht is het dubbel pijnlijk dat die zelfde overheid door toepassing van allerlei zedelijkheidswetten het bezoek van het publiek aan het etablissement waar Jacobs optrad ongunstig beïnvloedde, zodat de belangstelling voor zijn cabaretoptreden sterk verminderde. Hij heeft nog cabaretpogingen ondernomen in Vlaanderen en Duitsland, nestelde zich nog drie jaar in de Amsterdamse Warmoesstraat (Cabaret de Sphinx), maar wendde zich meer en meer met aangepast repertoire tot de amusementssector die hij had willen ontvluchten: revue, variété en de voorprogramma's in bioscopen.

In 1912 ging hij (na een afscheidsavond in de Kleine Zaal van het Concertgebouw) op tournee door Ned.-Indië. Zijn zwakke gezondheid was er de oorzaak van dat hij als een lichamelijk wrak in Nederland terugkeerde. Tegen medisch advies in, liet hij zich toch weer overal engageren. In oktober 1914 trad hij nog op in de Amstelstraat, maar voor alle zekerheid wachtte een koetsje voor het theater om hem snel naar huis te kunnen brengen. Hij stierf op 6 december, 46 jaar oud, als een teleurgesteld man, wiens cabaretinitiatief was mislukt. Het enige lied van Jacobs dat nu nog bij het grote publiek voortleeft is Liefde alleen, de commerciële tophit waarmee hij in 1912 de eerste prijs bij een liedjeswedstrijd had gewonnen en die voor de variétéwereld was bestemd.

Cabaretpionier Eduard Jacobs, imitator van Aristide Bruant, heeft van zijn collega's Koos Speenhoff en Jean-Louis Pisuisse veel waardering ondervonden, maar het zou een halve eeuw duren voordat zijn cabaretformule van het artistieke kroeg-theatertje opnieuw werd gehanteerd, en wel door Sieto Hoving en diens volgelingen.

A: Documentatiemateriaal in Nederlands Theater Instituut te Amsterdam en in de verzameling van Wim lbo, Amsterdam.

P: In 't leven (Amsterdam, [ca. 1905]); Repertoir-Lombok- en trassi-bundel-humor en satyre (Bandoeng, [ca. 1912]). Xeroxkopie in Koninklijk Instituut voor taal- land- en volkenkunde te Leiden.

L: Edmond Visser, Het Nederlandsche cabaret (Leiden, 1920); Alex de Haas, De minstreel van de mesthoop (Amsterdam, 1958); Wim lbo. En nu de moraal van dit lied. Overzicht van 75 jaar Nederlands cabaret (Amsterdam [etc.], 1970); idem. En nu de moraal... (Alphen a/d Rijn, [1981]).

I: Wim Ibo, En nu de moraal... Geschiedenis van het Nederlands cabaret 1895-1936 (Alphen a/d Rijn 1981) 103.

Wim lbo


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013