Jaeger, Frans Maurits (1877-1945)

 
English | Nederlands

JAEGER, Frans Maurits (1877-1945)

Jaeger, Frans Maurits, chemicus en chemiehistoricus ('s-Gravenhage 11-5-1877 - Haren 2-3-1945). Zoon van Frans Maurits Jaeger, oud-officier der artillerie en docent wiskunde, en Maria Agnes Eleonore Adolfina Jaeger. Gehuwd op 3-4-1902 met Maria Arnoldina de Bruyn. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Jaeger, Frans Maurits

Bij Jaeger ontwikkelde zich op het gymnasium in Den Haag een liefde voor zowel de schilderkunst als de natuurwetenschappen. Hoewel de kunst nooit werd vergeten, won de wetenschap het. In 1895 ving hij zijn studie scheikunde in Leiden aan. Na het behalen van het kandidaatsexamen (1898) besteedde hij een deel van zijn tijd als assistent aan het geologisch museum waar hij zich bekwaamde in de mineralogie en de kristallografie. Na zijn doctoraal examen (1900) studeerde Jaeger in Berlijn kristallografie. In 1902 werd hij leraar scheikunde aan de HBS te Zaandam. Zijn promotie had plaats op 9 oktober 1903 op een proefschrift: Kristallogrqfische en molekulaire symmetrie van plaatsings-isomere benzolderivaten. Promoter was A.P.N. Franchimont. In 1904 werd Jaeger toegelaten als privaatdocent in Amsterdam. In 1908 volgde zijn benoeming te Groningen tot lector in de chemische propaedeuse als opvolger van J. Böeseken. Hij hield zijn openbare les op 25 maart 1908: Natuurkundige onderzoekingsmethoden in het chemisch laboratorium. In 1909 werd hij hoogleraar in de anorganische en fysische chemie en het propaedeutisch onderwijs in de chemie in Groningen. Op 20 maart 1909 hield hij zijn oratie: Atomistische en energetische voorstellingen in den ontwikkelingsgang der algemeene chemie. Van 1910 tot 1911 werkte hij als research-fellow op de geofysische afdeling van het Carnegie Institution in Washington. Hier bestudeerde hij tevens de inrichting van het laboratorium, hetgeen van belang was voor het nieuwe chemische laboratorium van de Rijksuniversiteit Groningen, waarvan de bouw in 1910 was begonnen. Op 23 november 1912 opende Jaeger het laboratorium met een rede: Een en ander uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het chemisch onderwijs aan de Groningsche Universiteit. In 1916 werd het propaedeutisch onderwijs in de chemie overgedragen aan de hoogleraar H.J. Backer.

Jaegers wetenschappelijk onderzoek vertoonde een grote veelzijdigheid. Hij werkte op vrijwel alle gebieden van de zuivere en fysische en zelfs op dat van de toegepaste scheikunde. Kristallografisch geschoold had de chemie van de vaste toestand zijn voornaamste interesse. In het middelpunt van zijn belangstelling stonden fysisch-chemische metingen bij hoge temperaturen en onderzoekingen over optische activiteit. In zijn Lectures on the principle of symmetry and its applications in all natural sciences (1917. 2e dr. 1920) onderzocht hij op verrassende wijze de rol van de symmetrie in de natuurwetenschappen. In 1924 verscheen zijn leerboek: Inleiding tot de studie der kristalkunde. Jaeger probeerde in zijn onderzoekingen de betrekkingen tussen de kristallografische eigenschappen, de symmetrie van rooster en molekuul en de optische activiteit van tal van complexe verbindingen vast te stellen. Als resultaten van dit onderzoek kunnen bijv. genoemd worden publikaties betreffende het structuuronderzoek over complexe kobaltzouten (met P. Koets, 1925) en over complexe zouten met actieve liganden (met C.A.J. Dippel, 1931). Andere onderzoekingen betroffen het lichtgevend geleidingsvermogen van antimoniet (1907) en de fotochemische reactie van organische stoffen (met G. Berger, 1920). In 1914 begon hij met H. Haga het röntgenografisch onderzoek van kristallen. Later deed hij belangrijk werk over de röntgenografische structuurbepaling van ultramarijnen (vanaf 1927).

Belangrijk werk deed Jaeger ook op het gebied van de chemie van de hoge temperaturen (met name de bepaling van fysische constanten als oppervlaktespanning, elektrisch geleidingsvermogen, soortelijk gewicht, inwendige wrijving en soortelijke warmte). In deze onderzoekingen, waar zeer hoge temperaturen (tot boven 1600°C) voor nodig waren, kwam stagnatie door de Eerste Wereldoorlog. Buitenlandse medewerkers (onder wie A. Simek) waren bij het uitbreken van de oorlog teruggeroepen, het aantal studenten was door de mobilisatie sterk verminderd en de benodigde elektrische stroom gerantsoeneerd.

Jaeger was zich onder die omstandigheden gaan bezighouden met historische studies, waarvoor hij al lang belangstelling koesterde. Hij gaf jarenlang in zijn colleges een beknopt overzicht van de geschiedenis van de chemie en publiceerde daartoe zijn Elementen en atomen eens en thans. Schetsen uit de ontwikkelingsgeschiedenis der elementenleer en atomistiek (1918.2edr. 1920). Belangrijke studies over een aantal Nederlandse natuurwetenschapsbeoefenaars uit de 16e en 17e eeuw (1918) werden gebundeld uitgegeven als Historische studiën (1919). In 1919 publiceerde hij een verhandeling 'Over Johan Joachim Becher en zijne relaties met de Nederlanden...' (in Economisch-Historisch Jaarboek 5 (1919) 60-135 en in 1922 een interessante studie over Cornelis Drebbel en zijne tijdgenooten.

Jaegers wetenschappelijke verdiensten vonden in binnen- en buitenland erkenning. Zo werd hij in 1915 benoemd tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en vervulde hij in 1929 een 'George Fisher Baker non-residential lectureship in chemistry' aan de Cornell University in Ithaca (USA). In 1943 sloot hij zijn hoogleraarschap af zogenaamd om gezondheidsredenen maar in feite omdat hij het niet eens was met de maatregelen van de bezetter, die ook gericht waren tegen de universiteit.

Jaeger was een verbazend veelzijdig man, die naast scheikunde en kristallografie als liefhebber de astronomie, schilderkunst en muziek beoefende en bovendien een begaafd en produktief schrijver was. Maar een gemakkelijk mens was hij niet. 'Achter zijn vaak cynische opmerkingen en zijn betuigingen van weinig waardeering voor het menschdom verschool zich een zacht gemoed, een idealistische geest', aldus zijn leerling en medewerker A.J. Zuithoff (Chemisch Weekblad 43 (1947) 67-68). Zijn gevoel voor rechtvaardigheid was sterk ontwikkeld en hij heeft zeer geleden onder de gruwelen van de beide wereldoorlogen. Ondanks de hoge eisen die hij aan zijn medewerkers stelde, promoveerden er bij hem 27. Hij was een mens 'die zoo geniaal mopperen [kon], maar onder een soms stroef lijkend uiterlijk een warm kloppend hart [verborg]' (Chemisch Weekblad 43 (1934) 186).

P: Bibliografie door J. Beintema, in Chemisch Weekblad 31 (1934) 205-212 en W. Froentjes, ibidem, 43 (1947) 69-71.

L: Herdenkingsartikelen t.g.v. zijn 25-jarig professoraat door W.P. Jorissen, I. Lifschitz, A. Simek, P. Terpstra en D.W. Dijkstra, in Chemisch Weekblad 31 (1934) 181-205; W.P. Jorissen, ibidem, 43 (1947) 67-68; A.J. Zuithoff, 'Jaeger"s laatste levensjaren', ibidem, 43(1947) 68-69; Universitas Groningana MCMXIV-MCMLXIV (Groningen, 1964-1966. 2 dl.) I, passim.

I: Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1944-45, afbeelding tegenover pagina 145.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013