Jong, Jan de (1885-1955)

 
English | Nederlands

JONG, Jan de (1885-1955)

Jong, Jan de, aartsbisschop en kardinaal (Nes op Ameland 10-9-1885 - Amersfoort 8-9-1955). Zoon van Jan de Jong, bakker en landbouwer, en Trijntje Mosterman. afbeelding van Jong, Jan de

Jan de Jong kwam uit een gezin van acht kinderen, zes jongens en twee meisjes. Naast Jan, de oudste, zouden nog twee broers priester van het aartsbisdom Utrecht worden; het oudste meisje werd benedictines in het klooster Arca Pacis te Driebergen-Rijsenburg. De Jong studeerde aan de seminaries van Culemborg en Rijsenburg, werd reeds op 15 augustus 1908 priester gewijd en promoveerde in 1910 in de wijsbegeerte en in 1911 in de godgeleerdheid aan de Gregoriana te Rome. Van september 1911 tot april 1912 was hij assistent in de parochie van de H. Franciscus Xaverius te Amersfoort; vervolgens tot november 1914 conrector in het klooster van de zusters van O.L. Vrouw aldaar. Daarna was hij 21 jaar hoogleraar in de kerkgeschiedenis aan het groot-seminarie Rijsenburg.

De Jongs belangstelling richtte zich op de geschiedenis van de diverse theologische stromingen in de historie van de kerk. Hij had een grote studiezin, een fabelachtige eruditie en een goed inzicht in de grote lijnen van de kerkgeschiedenis, maar hij was geen boeiend docent. Zijn naam als geleerde vestigde De Jong door zijn Handboek der kerkgeschiedenis (1929-1931. 2 dl.). De derde druk in vier delen, nog grotendeels door hemzelf verzorgd, verscheen in 1937. Het werk bedoelde een studieboek te zijn en werd op de groot-seminaries in Nederland ook bij verschillende ordes en congregaties en op Nederlandstalige priesteropleidingen in België als verplicht handboek voorgeschreven. Ondanks de apologetische inslag kreeg het werk de waardering van protestantse vakgenoten.

Toen De Jong op 14 augustus 1931 tot president van het groot-seminarie Rijsenburg werd benoemd, aanvaardde hij deze post uit plichtsbesef en in gehoorzaamheid jegens zijn kerkelijke overheid. De benoeming van deze verlegen onhandige geleerde, die nauwelijks raad leek te weten met zijn houding en zich zo heerlijk kon verspreken, was voor veel priesters van het aartsbisdom een reden tot grote verbazing en bezorgdheid. De Jong, zelf wellicht het meest onthutst, had een benoeming op deze verantwoordelijke post, die geheel tegen zijn persoonlijke wensen en aspiraties inging, in het geheel niet geambieerd. Zijn voorkeur ging uit naar een pastoorsfunctie in een kleine parochie, waar hij de tijd hoopte te vinden om, in samenwerking met een paar vakgenoten, de geschiedenis van het katholieke volksdeel te gaan bestuderen en beschrijven. Toen de functie van president hem geen ruimte meer liet dit project te realiseren - hij had al twee voorstudies gepubliceerd - vond hij de Rotterdamse historicus L.J. Rogier in 1932 bereid deze taak over te nemen.

Door zijn functie van president werd hij ook lid van het kapittel van het aartsbisdom. Zijn bestuurlijke gaven en zijn tact werden in dit college opgemerkt. Hij bleek bovendien een goede kijk op mensen te hebben. In zijn vroomheid stond hij in de traditie van het Noordnederlandse katholicisme: sober, nuchter, beïnvloed door het protestantisme, zonder franje, wel ultramontaans. De priester-kandidaten hield hij het stipt vervullen van de 'plichten van staat', doen wat waar, echt en verstandig was, als het na te streven ideaal voor. Buitengewone dingen achtte hij niet nodig.

Op 3 augustus 1935 werd hij benoemd tot coadjutor met recht van opvolging van de aartsbisschop J.H.G. Jansen en tot titulair aartsbisschop van Rusio; zijn bisschopswijding vond plaats op 12 september 1935. Op 8 februari 1936 aanvaardde paus Pius XI de aanvrage om ontslag van mgr. Jansen en werd De Jong aartsbisschop van Utrecht. Zes dagen later nam hij bezit van de Utrechtse zetel.

Kort daarna vaardigde De Jong samen met de andere bisschoppen van Nederland op 6 mei 1936 de brief uit waarin werd bepaald dat zij die in belangrijke mate steun zouden verlenen aan de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), niet langer tot de heilige sacramenten konden worden toegelaten. Enkele dagen na de Duitse inval liet de aartsbisschop aan zijn suffragaan-bisschoppen weten dat de maatregelen tegen de NSB koste wat kost gehandhaafd moesten blijven. Bisschop A.F. Diepen van 's-Hertogenbosch had wel enige moeite met die beleidslijn, maar volgde toch de aartsbisschop, die zich tegenover de bezetter allesbehalve meegaand wilde betonen. Dit beleid maakt hij duidelijk tegenover enkele vooraanstaande Nederlandse priesters, die hem aanspoorden op een tegemoetkomende manier te reageren op een rede van de rijkscommissaris, Arthur Seyss-Inquart, uitgesproken in de Ridderzaal op 29 mei 1940. De aartsbisschop weigerde te verklaren dat hij de Duitsers loyaal tegemoet zou treden, als dezen het kerkelijk leven, de katholieke scholen, de charitatieve instellingen en de sociale en culturele organisaties niet zouden ontzien. Ook weigerde hij de verklaring af te leggen dat de katholieken zich van elke activiteit op politiek gebied hadden te onthouden.

Op 13 januari 1941 verklaarde het episcopaat dat voor katholieken behalve het lidmaatschap van partijen die de socialistische, communistische of liberale beginselen op godsdienstig of zedelijk gebied openlijk aanhingen, ook het 'enkele lidmaatschap [van de NSB] gewoonlijk reeds in hooge mate ongeoorloofd' was. Het was een duidelijke en openlijke herhaling van het standpunt uit 1936. In de brief van 25 juli 1941, door De Jong geschreven, paste het Nederlandse episcopaat de sancties tegen de NSB ook op hun mantelorganisaties toe. Uit de eerste zinnen van deze brief, die op zondag 3 augustus 1941 in alle katholieke kerken werd voorgelezen, vernam Nederland dat de bisschoppen niet langer meer konden zwijgen '... over het velerlei onrecht, dat ons als katholieken de laatste maanden [was] aangedaan'. Het episcopaat onder leiding van De Jong mobiliseerde thans het katholieke volksdeel, dat sinds enkele maanden zijn eigen communicatiemiddelen als dagbladpers en radio kwijt was geraakt en dat nu de organisaties van het Roomsch-Katholiek Werklieden Verbond (RKWV) op bevel van Seyss-Inquart in dienst van de NSB gesteld zag. Wie voortaan lid zou blijven van dit verbond in zijn nieuwe opzet zouden de Sacramenten worden geweigerd. Dit gold ook voor de leden van andere mantelorganisaties, zoals het Agrarische Front, de Kultuurkamer, het Medisch Front en het Rechtsfront. Ten aanzien van het lidmaatschap van de Waffen-SS en het Vrijwilligerslegioen stelde het episcopaat zich minder absoluut op.

Seyss-Inquart had in de nacht van zaterdag 2 op zondag 3 augustus de aartsbisschop bevel gegeven de voorlezing van deze bisschoppelijke brief af te gelasten. De Jong weigerde dit bevel telefonisch aan de pastoors door te geven. Als reactie op de voorlezing van de brief arresteerden de Duitsers in die eerste week van augustus verscheidene priesters en leken, die voor de verspreiding van het herderlijk schrijven hadden gezorgd. De aartsbisschop werd een boete van f500,- opgelegd. Enkele weken na de afkondiging van het bisschoppelijk mandement waren er van de circa 180.000 leden die het RKWV had geteld, nog geen 7000 overgebleven. Ook de andere katholieke organisaties die kort na 3 augustus 1941 onder de NSB werden gesteld, zoals de Katholieke Nederlandsche Boeren- en Tuindersbond en het Katholieke Onderwijzers Verbond, stroomden leeg. De katholieken droegen voortaan ook zorg voor hun geloofsgenoten die door hun principiële houding in financiële moeilijkheden zouden geraken. Een initiatief-voorstel van de aartsbisschop tot oprichting van een 'Fonds voor bijzondere nooden' was door het hele episcopaat overgenomen.

Tijdens de eerste jaren van de Duitse bezetting bleek dat het tempo van de strijdbare aartsbisschop werd afgeremd door de bejaarde bisschoppen van Breda en 's-Hertogenbosch. Van de Bredase bisschop, A.P.W. Hopmans, ging nauwelijks iets uit; de bisschop van 's-Hertogenbosch, mgr. Diepen, die in 1942 door W.P.A.M. Mutsaerts werd opgevolgd, kon de gebeurtenissen nauwelijks meer volgen. De bisschoppen J.P. Huibers van Haarlem en J.H.G. Lemmens van Roermond waren in de regel even strijdbaar als de aartsbisschop. Toen De Jong in oktober 1940 van mening was dat ook het episcopaat, net als de leiding van de protestantse kerken in Nederland, tegen de anti-joodse maatregelen van de bezetter moest protesteren, schaarden de bisschoppen van Haarlem en Roermond zich achter het voorstel van de aartsbisschop, maar bleven Hopmans en Diepen bezwaren opperen. Aangezien de aartsbisschop steeds de instemming van de suffraganen vroeg, ging het protest van het Nederlands episcopaat toen niet door.

De positie van de aartsbisschop binnen het bisschoppencollege werd gaandeweg sterker. Daartoe droeg bij dat hij vaak het eerst met de voor de katholieke gemeenschap belangrijke kwesties werd geconfronteerd. Hij confereerde in de loop van de oorlogsjaren met tientallen deskundigen en met bestuurders van verenigingen en organisaties. Deze priesters en leken hadden hun eigen bijdrage en vonden een scherp luisterende aartsbisschop tegenover zich, die - zo werd beweerd - de mensen ook zeer goed kon uithoren. Zijn bevindingen legde De Jong dan in concept-besluiten of concept-herderlijke brieven voor aan zijn medebisschoppen, die het beleid door hun voorzitter uitgestippeld steeds meer gingen volgen. Zo groeide de overtuiging dat aartsbisschop De Jong katholiek Nederland leidde.

Voor de bisschop en historicus De Jong heeft de toenadering tussen de katholieke kerk en de andere christelijke kerken in Nederland tijdens de Duitse bezetting zeer veel betekend. Reeds in 1927 had hij in het Historisch tijdschrift op p. 159 en p. 160 geschreven: 'Ook Thijm en Nuyens zagen in de Calvinisten nog te veel de onderdrukkers hunner vaderen. Maar het veldwinnend ongeloof toonde steeds meer de verwantschap van orthodoxe protestanten en katholieken en de basis, waarop zij samen konden staan.' De contacten met de protestanten waren al spoedig na de Duitse inval gelegd door de oud-minister J.H. Slotemaker de Bruïne, voorzitter van het Convent van Kerken. Deze kwam met de aartsbisschop de noodzaak van de geestelijke verzorging in geval van massa-evacuatie bespreken. Enkele maanden later overlegde hij met De Jong over de mogelijkheid van een katholiek protest tegen de jodenververvolging, hetgeen om de hierboven vermelde redenen geen doorgang zou vinden. De relaties met de protestantse kerken werden veelzijdiger na het belangrijke onderhoud op 31 oktober 1941 tussen de Amsterdamse hoogleraar Paul Scholten, op dat ogenblik voorzitter van het Convent van Kerken, en De Jong. Zij bespraken de wenselijkheid van een nauwere samenwerking tussen de christelijke kerken en namen het besluit om samen uit naam van de christenheid van Nederland bij Seyss-Inquart te pleiten voor een betere behandeling van de joden. Dit geschiedde door een telegram van 11 juli 1942, waarin tien Nederlandse kerkgenootschappen verklaarden diep geschokt te zijn over de nieuwe maatregelen waardoor joodse gezinnen uit Nederland naar het Duitse rijksgebied werden vervoerd. Zij vroegen hem aan deze maatregelen, die tegen het 'diepste zedelijke besef van het Nederlandsche volk' streden en indruisten 'tegen hetgeen van Godswege als eisch van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld' werd, geen uitvoering te geven. Dit telegram had tot gevolg dat op 14 juli 1942 namens de rijkscommissaris werd toegezegd dat christen-joden die vóór 1 januari 1941 tot een der christelijke kerken behoorden, niet zouden worden weggevoerd.

In het interkerkelijk overleg was verder besloten dat op zondag 26 juli in alle kerken de tekst van het protest-telegram aan de Duitse overheid voor te doen lezen en in alle diensten een speciaal gebed uit te laten spreken. Toen Seyss-Inquart inzage kreeg van deze verklaring, eiste hij dat de tekst van het telegram uit de inleiding tot het gebed geschrapt zou worden. De krachtige bewoordingen van het telegram bevielen hem in genen dele. De leiding van de Hervormde Kerk gaf aan het dringende verzoek van de rijkscommissaris gevolg. De besturen van acht andere protestantse kerkgenootschappen en het episcopaat weigerden en lieten het telegram voorlezen. Ook maakten zij melding van de reeds gedane toezegging inzake de christen-joden. De Jong had de overige bisschoppen niet over deze kwestie geraadpleegd. Hij vond het vanzelfsprekend dat de wereldlijke overheid niet mocht beslissen wat er in de kerk werd voorgelezen. Als tegenmaatregel werden op zondagmorgen 2 augustus 1942 over het hele land 245 katholieke joden gearresteerd en naar het concentratiekamp Amersfoort gebracht. Hiervan werden er 44 spoedig vrijgelaten, de rest kwam in Westerbork terecht. In dezelfde maand werden hiervan 92 personen naar Auschwitz gevoerd. Bij zijn beslissing was de aartsbisschop geadviseerd door de officiaal van het aartsbisdom, F.H.H. van de Loo, de vertegenwoordiger van het episcopaat in het Interkerkelijk overleg. Hoezeer De Jong ook persoonlijk diep getroffen was door de strafactie van Seyss-Inquart, hij zou deze beleidslijn niet laten varen.

Toen de aartsbisschop in november 1942 een eerste hersenbloeding kreeg, nam het vroegtijdige verval van zijn lichamelijke krachten ernstige vormen aan. Maanden verliepen vóór hij zijn bestuurswerkzaamheden kon hervatten. In deze periode namen de vicaris-generaal, D. Huurdeman en de eerste secretaris van het aartsbisdom, J.A. Geerdinck, het bestuur van het aartsbisdom waar. Zij hebben zeer waarschijnlijk ook de brief ontworpen die op 21 februari 1943 in de katholieke kerken werd voorgelezen. Hierin stelde het episcopaat de Duitse misdaden buitengewoon scherp aan de kaak en verklaarde het de medewerking aan maatregelen tegen vervolgde groepen in geweten ongeoorloofd. Dit strijdvaardige schrijven riep op bepaalde punten op tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Later heeft de aartsbisschop zich ernstig afgevraagd of hij met deze brief niet een onvoorzichtig beleid had gevoerd. Een bestuurder kon immers niemand heldenmoed als strikte gewetensplicht voorschrijven. Mocht men van de gelovigen meer vergen dan zij in redelijkheid konden opbrengen en volhouden? De Jong was niet bevreesd voor zijn eigen lot. Hij wilde, als hij om zijn houding in gevangenschap zou geraken, trouw aan zijn geloof volharden in hetgeen hij als principieel het juiste beleid zag. In het bisschoppelijk mandement dat op 16 mei 1943 aan katholiek Nederland werd voorgelezen, nam hij geen blad voor de mond en hekelde hij, op basis van principiële en vaderlandslievende motieven, in krasse bewoordingen de wegvoering en de gedwongen tewerkstelling van Nederlanders in het buitenland.

Geerdincks invloed op het bestuur werd groter toen de aartsbisschop 27 juli 1944 na een auto-ongeluk met een ernstige hersenschudding in het ziekenhuis te Apeldoorn werd opgenomen, waar hij tot begin oktober van dat jaar zou verblijven. De secretaris, huisgenoot en vertrouwensman, had voordien de aartsbisschop soms over aarzelingen heen geholpen, wanneer deze, in zijn academische houding, de zaken van alle kanten wilde bekijken en niet snel tot een besluit kon komen. Sinds die zomer van 1944 werd Geerdinck, die in zeer vele, zo niet alle kwesties door zijn aartsbisschop was gekend, de medebestuurder van het aartsbisdom en hij zou dit blijven, tot dat de Nijmeegse hoogleraar in de bijbelwetenschap, B.J. Alfrink, op 28 mei 1951 coadjutor van De Jong werd.

De zorg voor de toekomst van het Nederlands katholicisme en vooral de vrees voor een desintegratie van de katholieke eenheid in Nederland na de oorlog hebben de aartsbisschop en zijn staf na de bevrijding van Nederland doen vasthouden aan het gesloten katholicisme. Voor de uiterst voorzichtige aartsbisschop, die verontrust de secularisatie van het Westen in een snel tempo zag voortschrijden en die voor het gevaar van een staatssocialisme zeer bevreesd was, boden de vernieuwingstendenties en de doorbraakgedachten allesbehalve garanties om de negatieve ontwikkelingen te stuiten. Hij achtte bescherming binnen de eigen confessionele kring vooralsnog dringend noodzakelijk. Zo vroeg hij op 5 februari 1950 J.H.C. Creyghton S.J., de hoofdredacteur van De Linie, uitdrukkelijk de openlijke kritiek op de Katholieke Volkspartij (KVP) te staken. De katholieke eenheid op politiek gebied zou erdoor worden ondermijnd, meende hij. 'Als deze [eenheid] zou verdwijnen zouden wij machteloos staan.'

In 1947 werd Geerdinck tot vicaris-generaal benoemd. De vermoeide aartsbisschop, wiens gezondheid door de spanningen van de oorlog zeer geleden had, hield voortaan slechts de grote lijnen van het beleid in het oog en liet zeer veel over aan Geerdinck, die het relativisme van zijn aartsbisschop duidelijk miste. Na de komst van Alfrink als coadjutor viel alle last van het bestuur van De Jong af. Hij werd toeschouwer vanuit het klooster van de zusters van O.L. Vrouw te Amersfoort, waar hij vroeger conrector was geweest. De afbrokkeling van de eenheid van katholiek Nederland bleef hem in zijn laatste levensjaren benauwen. Bij het eeuwfeest der herstelde hiërarchie op 16 mei 1953 vroeg de aartsbisschop de katholieken van Nederland nogmaals uitdrukkelijk deze eenheid te bewaren. Het waren zijn laatste woorden in het openbaar. De Jong overleed in de vroege ochtend van donderdag 8 september 1955 na een langdurig ziekbed, twee dagen voor zijn 70e verjaardag.

Aartsbisschop De Jong zou, indien het onheil van de bezetting niet over Nederland was gekomen, wellicht de geschiedenis zijn ingegaan als een goed en geleerd bisschop die leefde en dacht in de tradities van een minderheidskatholicisme, dat zich bewust was van de kracht die in zijn eenheid lag. Hoewel hij van nature allerminst strijdlustig was en geen dominerende figuur en daarbij afkerig van ieder optreden in de openbaarheid, zou deze gevoelige man in moeilijke tijdsomstandigheden een grote moed aan de dag leggen. Hij had de beschikking over veel adviseurs, die hem dikwijls tegenstrijdige adviezen gaven, maar hij kreeg vooral steun van Geerdinck, Huurdeman en Van de Loo, mensen uit zijn directe omgeving. Deze naaste medewerkers gaven hem steeds weer de raad niet toe te geven.

Pius XII benoemde De Jong op 18 februari 1946 tegelijk met andere bisschoppen die in de nazitijd getuigenis hadden afgelegd van grote moed, tot kardinaal. Ook in Nederland bleek de erkentelijkheid voor de geestelijke steun die hij tijdens de bezetting had gegeven. Samen met dominee K.H.E. Gravemeyer, secretaris van de Algemene Synodale Commissie van de Nederlandse Hervormde Kerk, werd aan De Jong door de Utrechtse universiteit op 26 maart 1946 een eredoctoraat resp. in de faculteit der godgeleerdheid (promotor prof. J. Severijn) en in de faculteit der letteren en wijsbegeerte (promotor prof. P. Geyl) uitgereikt. Op 12 februari 1948 verleende de universiteit van Leuven De Jong het eredoctoraat in het canoniek recht.

A: Archief-aartsbisschop J. de Jong in het Archief van het aartsbisdom Utrecht.

P: Herderlijke brieven in de periode van 1936 tot 1951 in Analecta voor het aartsbisdom Utrecht; bibliografie in H.W.F. Aukes, Kardinaal de Jong (Utrecht [etc.], 1956) 555-561.

L: S. Stokman O.F.M., Het verzet van de Nederlandsche bisschoppen tegen Nationaal-Socialisme en Duitsche tyrannie. Herderlijke brieven, instructies en andere documenten (Utrecht, [1945]); R. Post, in Archief van de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 73 (1954-1955) I-VIII; L.J. Rogier, in Jaarboekje "Oud-Utrecht" 1955, 23-32; J.A. Geerdinck, Lijkrede gehouden bij de uitvaart van wijlen Zijne Eminentie Johannes Kardinaal de Jong, Aartsbisschop van Utrecht, in Analecta voor het aartsbisdom Utrecht 28 (1955) 96-102; L.J. Rogier, in Terugblik en uitzicht. Verspreide opstellen van L.J. Rogier (Hilversum [etc.], 1956) II, 421-431; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969- ) I, IV, V, VI, VII passim; Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1973. Een documentenboek. Onder red. van A.F. Manning [et al.] (Bilthoven, 1974) passim; G.A.M. Abbink, 'Geerdinck 1902-1977', in Analecta voor het aartsbisdom Utrecht 50 (1977) 247-266; B.R.C.A. Boersema, De Linie 1946-1963. Een weekblad in handen van de Jezuïeten (Amsterdam, [1978]); A.F. Manning, 'De Nederlandse katholieken in de eerste jaren van de Duitse bezetting', in Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 21 (1979) 105-129.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 754.

M.G. Spiertz


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013