Jong, Karel Hendrik Eduard de (1872-1960)

 
English | Nederlands

JONG, Karel Hendrik Eduard de (1872-1960)

Jong, Karel Hendrik Eduard de, classicus en parapsycholoog (Biebrich aan de Rijn (Duitsland) 9-2-1872 - Zeist 27-12-1960). Zoon van Willem de Jong, theeplanter te Wonosobo op Java, en Anna Maria Schnell.

De Jongs vader overleed op verlof in Duitsland enkele maanden voor de geboorte van zijn zoon. Deze bezocht eerst in Duitsland en in Genève de lagere school, later het Haags gymnasium. Op 23 september 1892 werd hij te Leiden ingeschreven als student in de klassieke letteren. Van de hoogleraren maakte vooral de latinist J.J. Hartman indruk op hem. De studie werd op 8 december 1900 bekroond met een cum laude verdedigd proefschrift De Apuleio Isiacorum Mysteriorum teste. De hier opgevatte bestudering der antieke mysteriën mondde in 1909 uit in een fundamenteel werk over Das antike Mysterienwesen... (2e dr. 1919). Met ingang van de cursus 1910/1911 werd De Jong daarom te Leiden toegelaten als privaatdocent voor de wijsbegeerte van de Romeinse tijd. Inderdaad was aanvankelijk vooral de wijsbegeerte het onderwerp van zijn publicistische activiteit. Naast studies over de oude filosofen, onder wie vooral de stoïci en de neoplatonici zijn voorliefde hadden, wees De Jong ook op het belang van de vergeten Duitse denker Andreas Rüdiger. In zijn boek Rüdiger und ein Anfang! Kant und ein Ende! (1931) trad hij in het strijdperk voor deze tijdgenoot van Leibniz en Wolff. Minder dan deze laatsten was het Rüdiger te doen geweest om het vinden van wijsgerige uitgangspunten, en stelliger dan de meeste filosofen wees hij het streven naar kennis van de werkelijkheid als de eigenlijke taak van de filosoof aan. Hieruit vloeide dan voort de veroordeling van de idealistische richting die de filosofie sinds Kant had ingeslagen. Deze nadrukkelijke stellingneming hing natuurlijk samen met De Jongs eigen levensvisie, die wellicht nog het best als een dualistisch materialisme mag worden aangeduid. Op menige plaats in zijn geschriften verzette hij zich tegen het monistisch materialisme zoals dat door Büchner en Haeckel was verdedigd. Mede op grond van de stoïsche leer van het 'pneuma', de geest die oorspronkelijk als allerfijnste stof werd geacht de wereld te doortrekken, kwam hij tot een opvatting die aanleunde tegen het 'religieuze materialisme' zoals dat was ontworpen door de Nederlandse predikant Hendrik Thoden van Velzen. Op het belang van diens systeem heeft De Jong herhaaldelijk gewezen. Door deze inzichten geleid nam hij ook een voortbestaan na de dood als feitelijk gegeven aan.

In de richting van het onkenbare, de mysterieuze grensgebieden tussen stoten geest, zoals de Studievereeniging voor "Psychical Research" die sinds de tijd rond 1900 bestudeerde, verrichtte De Jong baanbrekend werk. Van oudsher in magie en mysterie geïnteresseerd, publiceerde hij in 1921 zijn populaire boekje over De magie bij de Grieken en Romeinen (herdr. 1948) en in 1936 een inleidend werk De parapsychologie (herdr. 1954). Daarop volgden nog studies over De zwarte magie (1938, herdr. 1955) en Witte magie (1951). Op grond van deze activiteiten kon hij in 1940 in Leiden tevens gaan optreden als privaatdocent in de parapsychologie, een functie die hij tot zijn dood vervulde. Alle genoemde werken hebben een overwegend refererend karakter. De Jong gaf erin blijk van een grote belezenheid en eruditie, maar hij bleef tevens de literator, de man die het laboratoriumexperiment schuwde, en die daarom uiteindelijk weinig op had met de moderne onderzoeksmethoden die de parapsychologie in navolging van de psychologie steeds meer is gaan bezigen. Dat neemt echter niet weg dat De Jong in zijn tijd als een van de eersten in Nederland de parapsychologische verschijnselen tot voorwerp van wetenschappelijke studie zocht te maken.

In de jaren twintig heeft hij geprobeerd ook een rol te spelen op politiek terrein. Hij werd leider van het Verbond van Actualisten, een antidemocratische beweging die hij in 1922 met enkele jongeren (onder wie Alfred Haighton) oprichtte. In die functie bleek de kamergeleerde die De Jong was echter weinig succesvol; de beweging viel al spoedig weer uit elkaar, niet het minst door interne verdeeldheid over de te volgen richting. De Jong wilde uiteindelijk niet de meer radicaal-fascistische weg gaan die Haighton wenste; hij ruimde in 1926 het veld door naar het Vaderlandsch Verbond te vertrekken. In de praktische politiek is hij sindsdien niet meer actief geweest.

Zijn persoonlijk leven kenmerkte zich door een uiterste soberheid. Tot de dood van zijn moeder in 1918 woonde hij bij haar, daarna in een voormalig schildersatelier aan de Beeklaan in Den Haag. Behalve door zijn slordige kledij viel hij op door zijn ascetische verschijning, die tot in het jaar van zijn dood vrijwel dagelijks viel waar te nemen in de Koninklijke Bibliotheek. Behalve door zijn privaatdocentschap voorzag hij in zijn levensonderhoud door het geven van privé-lessen in de klassieke talen. Daarnaast waren er de lezingen en de intensieve journalistieke arbeid die zijn leven vulden. Zijn geweldige eruditie deed hem zich bewegen op tal van gebieden van filosofie, geschiedenis en letterkunde. Speciale belangstelling verdient nog zijn verering voor Bilderdijk, aan wie hij nog vele opstellen wijdde. In Bilderdijk bewonderde hij de eenzame voorganger, die, evenals De Jong zelf, de gaven had mensen tegen de haren in te strijken en die mede daarom, evenals De Jong, bleef steken in een Leids privaatdocentschap.

P: Zie de beknopte bibliografieën bij de hierna genoemde levensberichten door Poortman en Tenhaeff.

L: Coena apparata in honorem doctissimi C.H.E. de Jong (Hagae Comitis, 1925); W. Kloos, 'Over dr. Karel de Jong en diens geschrift over de Stoa', in De Nieuwe Gids 52 (1937) II, 356-363; Alfred A. Haighton, 'Dr. De Jong zeventig jaar!', ibidem, 57 (1942) 325-328; J.J. Poortman, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1960-1961, 89-93; W.H.C. Tenhaeff, in Tijdschrift voor parapsychologie 29 (1961) 1-14; A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie... (Assen, 1968) passim.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013