Jorissen, Willem Paulinus (1869-1959)

 
English | Nederlands

JORISSEN, Willem Paulinus (1869-1959)

Jorissen, Willem Paulinus, scheikundige (Amsterdam 11-11-1869 - Leiden 27-7-1959). Zoon van Willem Jorissen, kantoorbediende, en Johanna Paulina Gildemeijer. Op 16-8-1906 gehuwd met Clara Louise Elizabeth Versteeg. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Na de HBS in Amsterdam te hebben doorlopen (1888 eindexamen Haarlem), studeerde Jorissen Latijn en Grieks voor het staatsexamen (l890). Van 1890 tot 1895 studeerde hij scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam. Op 21 oktober 1896 promoveerde hij cum laude op een dissertatie: Langzame oxydatie van en zuurstofactiveering door triaethylphosphien, propionaldehyd en benzaldehyd. Promotor was H.W. Bakhuis Roozeboom. Inmiddels was Jorissen na zijn doctoraal examen tot promotieassistent van A.P.N. Franchimont aan het chemisch laboratorium van de Leidse Universiteit benoemd. Hierop volgde nog in 1896 de aanstelling tot chemicus aan het laboratorium en chemisch instituut van B. van Dijken in Rotterdam en daarna gedurende het eerste halfjaar van 1900 in dezelfde functie aan de chemische fabriek van Epenhuysen in Zwijndrecht. Van september 1900 af werd hij leraar scheikunde en analytische meetkunde aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord (Den Helder) en tevens sedert 1902 privaatdocent voor technische en fysische chemie te Leiden, de laatste functie aanvaardend op 19 april 1902 met een openbare les: 'Over de toepassing van de physische chemie in de chemische techniek en over het belang van de studie der technische chemie voor onze aanstaande doctoren in de chemie en pharmaceuten' (Tijdschrift voor toegepaste scheikunde en hygiëne 5 (1902) 225-234). In 1908 werd Jorissen benoemd tot lector in de anorganische en fysische chemie te Leiden. De openbare les van dit lectoraat werd op 23 september 1908 gehouden en handelde over: 'De ontwikkeling van de denkbeelden op het gebied der oxydatieverschijnselen' (Chemisch Weekblad 5 (1908) 725-744). In 1940 ging hij met emeritaat.

Jorissens wetenschappelijk werk bewoog zich op verschillend gebied: zuiver chemisch, fysisch-chemisch, chemisch-technologisch en chemie-historisch. Op aanraden van zijn leermeester J.H. van 't Hoff was hij voor zijn dissertatieonderzoek begonnen met de bestudering van de zuurstofopname door triaethylphosphine. Na zijn promotie werden andere oxydatieverschijnselen onderzocht. Vervolgens wijdde hij zijn aandacht aan de inwerking van door radium uitgezonden straling op een aantal chemische verbindingen (chloorknalgas, 1905, met L.Th. Reicher; Jodoform, 1907; colloïden, 1911) en op de omzetting van elementen (1915). Na 1908 deed hij ook onderzoekingen over verschijnselen die zich voordoen bij het verbranden en exploderen van gasmengsels. In de jaren 1918 e.v. hield hij zich bezig met een theoretisch onderzoek over kookpuntsbetrekkingen en associatie en met tal van onderzoekingen op verschillende gebieden van de toegepaste chemie (ketelsteenvorming, 1902; corrosie, 1909). Als een rode draad loopt door Jorissens werk het onderzoek van oxydatieverschijnselen (autooxydatie; geïnduceerde oxydatie en explosieve reacties), die hij tenslotte samenvattend wilde beschouwen vanuit het standpunt van de theorie van de kettingreacties, zoals in zijn werk: Induced'oxidation (1959) werd weergegeven. Daarnaast hielden ook belangrijk praktische problemen van chemische aard zijn aandacht vast, zoals het verhinderen van explosies en het doven van vlammen o.a. door verschillende zouten. Op deze terreinen van de chemie kwamen onder zijn leiding 22 dissertaties tot stand. Ten slotte bleek Jorissens belangstelling op het gebied van de wetenschapsgeschiedenis van de chemie uit talrijke artikelen en een tweetal boeken: Het chemisch (thans anorganisch chemisch) laboratorium der Universiteit te Leiden van 1859-1909 en de chemische laboratoria dier universiteit vóór dat tijdvak en hen, die er in doceerden (1909) en J . H. van 't Hoffs Amsterdamer Periode: 1877-1895 (1912, met Reicher).

Jorissen verleende bovendien belangrijke diensten aan de organisatie van de Nederlandse chemici. Al vanaf de winter 1896-1897 maakte hij met J. Rutten plannen om te komen tot een vereniging voor chemici. Besloten werd tot de uitgave van een Scheikundig Jaarboekje (1899, 1901, later Chemisch Jaarboekje). In 1902 werden door Jorissen, Reicher en Rutten de plannen nader uitgewerkt en op 15 april 1903 werd de 'Nederlandsche Chemische Vereeniging' opgericht. Jorissen was vice-voorzitter (1903-1906) en bestuurslid (1908-1910) en werd in 1928 benoemd tot erelid. Met Van Dijken had Jorissen in 1897 het Tijdschrift voor toegepaste scheikunde en hygiëne opgericht. Na de stichting van de chemische vereniging werd dit blad omgezet in het Chemisch Weekblad, waarvan Jorissen en Reicher de redactie vormden (1903). Van 1911 tot 1940 was Jorissen rédacteur-administrateur van het Recueil des travaux chimiques des Pays-Bas (1920-1940). Behalve dit vele werk was hij nog lid van talrijke commissies, waaronder die van de gezondheidscommissie in Den Helder (1903 e.v.) Jorissen was een bescheiden, opgewekt en hulpvaardig man, een consciëntieus werker met grote verdiensten voor de Nederlandse chemische wereld.

P: Chemisch Weekblad 18 (1921) 598-601; 30 (1933) 615-618; 37 (1940) 411-412.

L: 'Jubileumnummer ter gelegenheid van het vijfen-twintigjarig doctoraat van Dr. W.P. Jorissen 21 october 1896-21 october 1921', Chemisch Weekblad 18 (1921) 591-610; C. Groeneveld, 'Bij het 25-jarig lectoraat van Dr. W.P. Jorissen', ibidem 30 (1933) 614-615; Chemisch Weekblad 36 (1939) 845-855; ibidem, 37 (1940) 410-411; K. Posthumus, ibidem 55 (1959)589 .

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013