Kalf, Jan (1873-1954)

 
English | Nederlands

KALF, Jan (1873-1954)

Kalf, Jan (ook bekend onder de naam Kalff), directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg (Amsterdam 10-5-1873 - 's-Gravenhage 6-3-1954). Zoon van Martinus Kalf (bekend onder de naam Kalff), letterkundige, en Jacoba Marceline Sophia Gijswijt. Gehuwd ca. 1899 met Magthilda Geertruida Goedkoop. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na echtscheiding (5-12-1918) gehuwd op 9-9-1919 met Marie Kapteijn. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Kalf, Jan

Jan Kalf groeide op als zoon van de redacteur van het Algemeen Handelsblad in een milieu waar grote belangstelling was voor het culturele leven en in het bijzonder voor de bouwkunst en de boekdrukkunst. Hij doorliep in Amsterdam het gynasium, schreef in Vox Gymnasii en was een groot bewonderaar van de Tachtigers. Van 1892 tot 1896 studeerde hij Nederlandse letteren en kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In deze tijd werd hij sterk beïnvloed door de Franse symbolistische literatuur. Kalf ontwikkelde zich tot een 'negentiger' bij uitstek, hetgeen vooral gestalte kreeg in zijn medewerking aan De Kroniek van P.L. Tak, waarin hij van 1895 tot en met 1901 artikelen schreef. Van 1895 tot 1897 verzorgde hij de toneelrubriek, waarin hij kritiek uitoefende op het in zwang zijnde romantische toneel. Zijn onbarmhartige commentaren leverden hem de bijnaam 'wreede Jan' op. Samen met enkele andere medewerkers van De Kroniek nam hij het initiatief tot vernieuwing van het toneel, aansluitend bij de ideeën van de symbolistische kunstenaars. In het bijzonder streefde hij naar een meer gestileerd toneel, en een grotere samenhang tussen decor, kostumering en wijze van spelen. Vanaf 1897 betreffen Kalfs bijdragen aan De Kroniek vooral onderwerpen op het gebied van de kunstnijverheid en de monumentenzorg.

In deze jaren richtte Kalf zijn aandacht meer en meer op deze twee terreinen. Van 1898 tot 1903 was hij verbonden aan het Nederlandsch Museum van Geschiedenis en Kunst te Amsterdam (dit is later opgenomen in het Rijksmuseum), voor welk museum hij een belangrijke Catalogus van de textiele kunst (1903) samenstelde. Kalfs waardering voor ambachtelijke schoonheid - hij werd hiertoe geïnspireerd door John Ruskin en William Morris -strekte zich ook uit tot de boekdrukkunst, die hij in Nederland tot nieuw leven wilde brengen, en bovenal tot de bouwkunst en de monumentenzorg, waaraan hij later zijn leven zou gaan wijden. Een bijzondere plaats nam daarbij de kerkelijke kunst in. Onder invloed van de opleving van de mystiek in de internationale literatuur trad Kalf in 1899 toe tot de rk kerk, die zijn vader vroeger verlaten had. Met een groep jonge katholieke kunstenaars richtte hij de kunstkring 'De Violier' op. Als vooraanstaand lid van deze kunstkring drong hij aan op verhoging van het peil van de kerkelijke kunst en veroordeelde hij de zoetelijke beelden in de katholieke kerken en de kerkgebouwen in neogotische stijl, die naar zijn mening elke oorspronkelijkheid misten.

In 1903 verwisselde Kalf zijn functie bij het Nederlandsch Museum voor die van secretaris van de in dat jaar ingestelde 'Eene Rijkscommissie tot het opmaken en uitgeven van een Inventaris en eene beschrijving van de Nederlandsche monumenten van Geschiedenis en Kunst'. In de jaren gedurende welke hij deze functie vervulde schoeide hij de monumentenbeschrijving in Nederland op wetenschappelijke leest. Zijn beschrijving van de monumenten in de voormalige Baronie van Breda, De Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Geïllustreerde beschrijving. I De voormalige Baronie van Breda (1912), werd het voorbeeld voor de verdere monumentenbeschrijving. Het wetenschappelijk werk van Kalf werd in 1912 gewaardeerd met een eredoctoraat in de letteren aan de Rijksuniversiteit van Utrecht en in 1927 met het lidmaatschap van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Toch was Kalf meer een man van de praktijk dan een geleerde. Het restaureren van de monumenten en de contacten met de architecten boeiden hem zeer. Hij zette zich af tegen de naar zijn mening achterhaalde uitgangspunten voor het restaureren. Daarbij deed hij zich kennen als een fel en scherp criticus, die er niet voor terugdeinsde mensen van naam in de monumentenzorg, zoals Victor de Stuers en P.J.H. Cuypers, te verwijten dat zij zich onverantwoorde reconstructies veroorloofden van wat naar hun mening de oorspronkelijke toestand van het gebouw moest zijn geweest en dat zij daarbij de historische ontwikkeling die het gebouw sindsdien had doorgemaakt over het hoofd zagen.

Gelijkgezinden vond Kalf in de in 1899 opgerichte Nederlandsche Oudheidkundige Bond. Hij had het hoofdaandeel in de in 1917 door de Bond uitgebrachte Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken. Onder het motto 'behouden gaat voor vernieuwen' waren deze grondbeginselen een stellingname voor het consolideren van de monumenten in de vorm waarin zij worden aangetroffen en tegen het 'terugrestaureren' naar een verschijningsvorm die zij mogelijk in een ver verleden hebben gehad. Voor de opvulling van verloren gegane gedeelten of voor uitbreidingen geven de Grondbeginselen... de voorkeur aan moderne architectuur in plaats van de in zwang zijnde archaïserende oplossingen.

De kritiek in deze publikatie van de Bond op de praktijk van het restaureren zoals die van rijkswege werd uitgeoefend, leidde ertoe dat in 1918 de permanente Rijkscommissie voor de Monumentenzorg werd ingesteld om de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te adviseren, alsmede het Rijksbureau voor de Monumentenzorg als uitvoerende dienst. Kalf, die er overigens in 1915 nog over dacht zijn loopbaan in dienst van het toneel te stellen, maar afzag van een benoeming tot directeur van de Tooneelschool in Amsterdam toen de Rijkscommissie hem weigerde eenjaar verlof te geven om de Tooneelschool te kunnen reorganiseren, werd in 1918 directeur van dit Rijksbureau. Deze functie heeft hij tot 1939 vervuld, vanaf 1924 in combinatie met het secretariaat van de Rijkscommissie. In deze sleutelpositie kon hij niet alleen het apparaat opbouwen voor een effectieve monumentenzorg, maar ook zijn stempel drukken op de wijze van restaureren.

Soms leidde het doorvoeren van Kalfs principes tot restauraties die veel kritiek kregen vanwege de ijzeren consequentie waarmee eigentijdse vormen werden toegepast, zoals in 1926 het stadhuis van Schoonhoven. In de loop der jaren behoedde het feit dat hij ieder te restaureren bouwwerk op zich zelf bekeek en de restauratiebesprekingen ter plaatse voerde, hem echter voor een te dogmatisch vasthouden aan de Grondbeginselen... Kalfs opvattingen dat ook eigentijdse architectituur een kans moest krijgen en dat architecten als kunstenaars een grote vrijheid moesten genieten bij het restauratiewerk, maakten hem zeer gewaardeerd in de architectenwereld. In 1938 werd hem, hoewel hij geen architect was, het erelidmaatschap van de Bond van Nederlandsche Architecten aangeboden.

In de periode 1918-1939 heeft Kalfde overheidszorg met betrekking tot de monumenten aanzienlijk kunnen uitbreiden. In ruim 20 jaar werden onder zijn supervisie meer dan 350 bouwwerken gerestaureerd, voor die tijd een groot aantal. Anderzijds ging het slopen van monumenten ook in deze periode ongestoord voort. Een monumentenwet, op basis waarvan afbraak en veranderingen van monumenten verboden zouden kunnen worden, kwam ondanks pleidooien van Kalf niet tot stand.

In zijn functie van directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg gaf Kalf de meeste aandacht aan de ambtelijke en bouwtechnische werkzaamheden. De voortzetting van het door hem opgezette wetenschappelijke werk ten behoeve van de monumentenbeschrijving liet hij grotendeels over aan anderen, en ook kwam hij niet meer in die mate als voorheen tot wetenschappelijke publikaties. De grote nadruk die hij legde op de ambtelijke facetten van zijn werk, is door degenen die zijn wetenschappelijke capaciteiten kenden weleens betreurd.

In de laatste jaren van zijn directoraat hield Kalf zich in verband met het dreigend oorlogsgevaar intensief bezig met het vraagstuk hoe de monumenten in oorlogstijd beschermd zouden moeten worden. Begin 1939 kon de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg een door Kalf geschreven rapport Bescherming van kunstwerken tegen oorlogsgevaren aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aanbieden. In dit rapport heeft Kalf een aantal maatregelen voorgesteld, die in de Tweede Wereldoorlog van groot nut bleken te zijn, zoals de aanleg van bomvrije rijksbergplaatsen in de duinen. In 1939 aanvaardde hij de benoeming tot rijksinspecteur voor de kunstbescherming. Dit betekende dat hij in de mobilisatietijd en tijdens de oorlog de verantwoordelijkheid droeg voor de beveiliging van de monumenten en de museumcollecties in Nederland.

Na zijn pensionering als directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg in 1939 bleef Kalf nog tot na de Tweede Wereldoorlog secretaris van de Rijkscommissie. Als zodanig schroomde hij niet de Duitse autoriteiten te trotseren, toen dezen meenden hun wil te kunnen opleggen aan de Rijkscommissie over de wijze waarop het stadhuis van Middelburg gerestaureerd moest worden. Ook liet hij zich niet verleiden mee te werken aan pogingen van NSB-zijde om een wettelijke bescherming van monumenten tot stand te brengen.

In de naoorlogse jaren maakte Kalf nog deel uit van een commissie van de nieuw ingestelde Voorlopige Monumentenraad, die in 1947 advies uitbracht over een aantal principiële punten ten behoeve van een toekomstige monumentenwet. De totstandkoming van deze lang verbeide wet, in 1961, heeft hij echter niet meer kunnen beleven. In 1954 overleed hij op 80-jarige leeftijd in Den Haag.

Kenmerkend voor Kalf was zijn veelzijdigheid. Zijn brede oriëntatie maakte het hem mogelijk de betrekkelijkheid van de monumentenzorg in te zien en een open oog te hebben voor het feit dat ook de eigentijdse bouwkunst haar rechten heeft. Kalf was in de eerste helft van de 20e eeuw de autoriteit op het gebied van de monumentenzorg om wie niemand heen kon. Zijn grootste betekenis is echter gelegen in de nieuwe wijze waarop hij monumenten beschouwde en in de daaruit voortvloeiende hervorming van de uitgangspunten bij het restaureren.

A: Persoonlijke archief-Kalf eigendom Rijksdienst voor Monumentenzorg, Zeist, in bruikleen bij Rijksuniversiteit Leiden.

P: Uitvoerige bibliografie met annotaties voor de periode tot en met 1938 in onder L genoemde Feestbundel..., 21-52. Verder 'Wat uit de stadsrekeningen te lezen valt over den bouw van het Middel-burgsche Raadhuis', in Exuli amico Huizinga historica..., (Haarlem, 1948) 51-92.

L: G. Brom, 'Violier' in Herleving der kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933) 315-415; H.A.J. Baanders, in Bouwkundig Weekblad Archilectura 60 (1939) 17 (29 april) 181-196; 'Feestbundel voor dr. Jan Kalf.,.', in Oudheidkundig Jaarboek 4e serie 8 (1939) 1-20. [Door A.E. van Beresteyn et al.]; H.E. van Gelder, 'Herinnering aan drie paladijnen', in Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 6e serie 8 (1955) kol. 165-178; J.G. van Gelder, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1955-1956, 252-261; W. Thys, De kroniek van P.L. Tak (Amsterdam [etc.], 1956); J.A.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland ('s-Gravenhage, 1975) passim; F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage, 1975) 26-31.

I: J.A.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland ('s-Gravenhage 1975) 257.

A.A.M. de Jong


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013