Kapteijn, Albertus Philippus (1848-1927)

 
English | Nederlands

KAPTEIJN, Albertus Philippus (1848-1927)

Kapteijn, Albertus Philippus (bekend onder de naam Kapteyn), werktuigkundig ingenieur (Barneveld 31-3-1848 - 's-Gravenhage 12-1-1927). Zoon van Gerrit Jacobus Kapteijn (bekend onder de naam Kapteyn), kostschoolhouder, en Elisabeth Cornelia Koomans. Gehuwd op 21-12-1880 met Geertruida Agneta Muijsken (bekend onder de naam Muysken), schrijfster. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Kapteijn, Albertus Philippus

Kapteyn werd geboren als vijfde zoon in een groot gezin van vijftien - meest zeer begaafde - kinderen. De astronoom J. C. Kapteyn was een jongere broer. Albert werd door zijn vader niet als een uitblinker gezien, maar meer geschikt bevonden voor het leren van een ambacht. Hij werd daarom in de leer gedaan bij een timmerman, vervolgens tewerkgesteld bij de dorpssmid van Barneveld en ten slotte in 1867 geplaatst in de werkplaats van de Nederlandsche Rijnspoorwegmaatschappij (nrs) te Utrecht. Daar bleek al gauw zijn buitengewone technische begaafdheid. Op aanbeveling van ingenieur C.W. Verloop van de nrs kreeg hij van zijn vader de kans zich voor te bereiden voor toelating aan de (Franstalige) Polytechnische School te Luik. Hoewel dit een zware opgave was voor een kandidaat met alleen maar lagere school, slaagde hij met vlag en wimpel en behaalde hij in 1870 na drie jaar studie het diploma van werktuigkundig ingenieur. Vervolgens werd hij als opzichter geplaatst bij de Rijksdienst voor het Stoomwezen en, na het afleggen van het zware examen daarvoor, bevorderd tot adspirant-ingenieur bij die dienst. In die tijd begon reeds zijn publicistische werk, vooral in het Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (kivi), over allerlei onderwerpen van wiskundige en technische aard. Bij het Stoomwezen was promotie vrijwel onmogelijk, en ook het werk beviel hem niet erg, zodat Kapteyn in 1877 graag weer naar de spoorwegen terugging, nu naar de Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij (ncs) in Utrecht, waar hij werd toegevoegd aan de ingenieur-werktuigkundige. Deze maatschappij was juist in contact gekomen met vertegenwoordigers van de Amerikaan George Westinghouse, de uitvinder van de doorgaande automatische luchtrem voor spoorwegen, die vanuit een vestiging in Engeland het Europese vasteland voor zijn vinding trachtte te winnen. De ncs bestelde op Kapteyns advies een installatie op proef om op een trein te worden aangebracht. Kapteyn was zeer onder de indruk van de kwaliteiten van de rem en wilde er meer van weten. Misschien ook met de gedachte aan een mogelijke carrière bij Westinghouse in het achterhoofd, zocht hij nader contact met diens vertegenwoordiging. Hier zag men zo veel in de jonge ingenieur dat hij in 1878 in dienst genomen werd, voorlopig met standplaats Parijs, waar zijn kennis van het Frans hem zeer goed van pas kwam. Daar ontmoette hij ook Westinghouse zelf, die een zeer goede indruk van hem kreeg en hem na drie jaar naar Londen overplaatste als bedrijfsleider van de fabriek aldaar. Toen Westinghouse kort daarna weer naar Amerika vertrok, stelde hij Kapteyn, nu bijna 34 jaar oud, aan als directeur-generaal van de Westinghouse Brake Company te Londen. Onder zijn leiding breidde het bedrijf zich geweldig uit met vestigingen in tal van landen, in Europa en Zuid-Amerika. Ondertussen was Kapteyn sinds 1880 getrouwd met Geertruida Muijsken (1855-1920), in haar tijd een bekend schrijfster van talrijke essays en brochures op ethisch en filosofisch terrein. Gedurende haar verblijf in Londen was zij bevriend met Shaw en Kropotkin; na haar terugkeer in Nederland werd zij actief lid van de vrijdenkersvereniging 'De Dageraad'.

Ondanks zijn drukke werkzaamheden als manager van een grote onderneming verloochende de ware uitvindersmentaliteit zich bij Kapteyn niet. Hij bracht voortdurend verbeteringen aan om problemen die zich bij het veeleisende spoorbedrijf hadden geopenbaard, uit de weg te ruimen en de rem voor alle soorten treinen geschikt te maken. Onvermoeibaar was hij in het propageren van 'zijn' rem in de technische pers, waar hij soms zeer scherpe polemieken voerde met tegenstanders, zoals bijv. in The Railway Times en The Railway News in 1884 en in Glaser's Annalen. Zeitschrift für Verkehrstechnik und Maschinenbau in 1886. Ook voor het kivi hield hij enige voordrachten om de voordelen van de Westinghouse-rem aan te tonen. Bij vele proefnemingen met verschillende typen van remmen op allerlei Europese spoorwegen had Kapteyn persoonlijk de leiding; bijna altijd kwam daarbij de Westinghouse-rem als beste uit de bus, dank zij de vele verbeteringen die Kapteyn had toegepast. Voor een groot deel is het aan hem te danken dat de Westinghouse-rem ten slotte over vrijwel de gehele wereld door de spoorwegen is ingevoerd. Een door hem ontworpen snelheidsmeter werd in 1889 aangebracht op 9 locomotieven voor de nrs; de Hollandsche IJzeren-Spoorwegmaatschappij, die deze machines het volgende jaar overnam, verwijderde de inrichting echter weer wegens de grote kwetsbaarheid.

In 1907 was Kapteyn het vele reizen en trekken in Europa en Amerika moe en vestigde hij zich in 's-Gravenhage, hoewel hij nog wel allerlei functies in het Westinghouseconcem behield. Hij werd weer een geregelde bezoeker bij de vergaderingen van het kivi, waar hij zich nu speciaal bezighield met de beginnende luchtvaart. Op zijn initiatief werd aan de th te Delft het aerodynamisch laboratorium gesticht, gedeeltelijk uitgerust met instrumenten die Kapteyn zelf had ontworpen en gebouwd. Ook was hij in 1909 de eerste voorzitter van de vakafdeling voor aviatiek van de Koninklijke Nederlandsche Vereeniging voor Luchtvaart. Verder had de fotografie zijn grote belangstelling, wat tot uiting kwam in artikelen van zijn hand in verscheidene vakbladen als Lux: in 1914 en 1915 en focus in 1917. Tot het laatst van zijn leven bleef hij actief op al deze gebieden.

Kapteyn was een veelzijdig begaafd man, niet alleen in technisch, maar ook in artistiek opzicht, hoffelijk in de omgang en een goed stilist. Hij kende zijn eigen beperkingen, want ondanks pogingen van Westinghouse om hem bij de leiding van zijn andere - meest elektrotechnische - bedrijven te betrekken, bleef hij trouw aan zijn eigen terrein, de spoorwegremmen.

P: Naast de polemieken in de reeds genoemde tijdschriften moeten vermeld worden: 'Over het belasten van veiligheidskleppen door middel van spiraalveren', in Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1876-1877, 87-91; 'Doorgaande remmen', ibidem, 1881-1882, 78-80; 'Mededeeling omtrent een nieuwe snelheidsmeter voor spoorwegtreinen, marine- en vaste stoomwerktuigen, alsmede over andere nauwkeurigheidstoestellen', ibidem, 1885-1886, 128-135; 'De rempijp-indicateur', ibidem, 1886-1887, 102-107; 'Versnelde werking van luchtremmen', ibidem, 1888-1889, 103-123; 'Ter herinnering aan George Westinghouse (6 october 1846-12 maart 1914)', in De Ingenieur 29 (1914) 306-308; 'Theodor Stang', ibidem 31 (1916) 226-227; 'Vliegmachines, bestuurbare luchtsche-pen en het luchtverkeer in de naaste toekomst', ibi-dem, 33 (1918) 827-848.

L: [Frans Netscher], in De Hollandsche Revue 19 (1914) 685-695; G. Kapteyn-Muysken, Revolutie en weder-geboorte. Met levensbeschrijving door B. Reyndorp (Blaricum, 1921); R.A. van Sandick, in De Ingenieur 42 (1927) 345-352; A.E. von Baumhauer, in Het Vliegveld 11 (1927) 3 (maart) 107.

I: De Ingenieur 42 (1927) 345.

A.J. Veenendaal jr.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013