Kempe, Gerrit Theodoor (1911-1979)

 
English | Nederlands

KEMPE, Gerrit Theodoor (1911-1979)

Kempe, Gerrit Theodoor, criminoloog (Utrecht 16-6-1911 -Utrecht 26-12-1979). Zoon van Gerrit Theodoor Kempe, vertegenwoordiger, en Hendrika Anna Klasina Sluijter. afbeelding van Kempe, Gerrit Theodoor

Kempe deed na het doorlopen van lagere school en HBS (1928) m zijn geboortestad in 1930 staatsexamen gymnasium en ging vervolgens in Utrecht rechten studeren. Hier bleek al dat zijn liefde voor muziek, literatuur en toneel, naast een grote werklust, Kempes meest in het oog lopende kenmerk was. Zo schreef hij later een toneelstuk in drie bedrijven, In media vita (Amsterdam, 1947), dat enkele keren door amateurgezelschappen is opgevoerd.

Na zijn doctoraal examen Nederlands recht op 10 juli 1934 werd Kempe, evenals enige andere net afgestudeerden, door W.P.J. Pompe, hoogleraar strafrecht en criminologie in Utrecht, aangetrokken voor het in oprichting zijnde Criminologisch Instituut. Onder Pompes bezielende doch veeleisende leiding werd daar de grondslag gelegd voor een later in betekenis toenemend wetenschappelijk centrum (thans het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen).

Na zijn promotie op 7 juli bij Pompe op het proefschrift Criminaliteit en confessie ([Utrecht], 1937), later uitgegeven als Criminaliteit en kerkgenootschap (Utrecht, 1938) bleef Kempe zonder onderbreking verbonden aan de Utrechtse universiteit, hetgeen hem niet belette gedurende de oorlogsjaren zeer principieel mee te werken aan ondergrondse activiteiten, slechts door een korte gevangenschap onderbroken. In 1946 werd hij privaatdocent. Zijn openbare les op 25 februari 1947 droeg als titel: Over schrijvers, speurders en schurken (Utrecht [etc.], 1947). In 1949 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de criminele sociologie, de criminele psychologie en de leer van de straf. Zijn oratie handelde over Schuldig zijn (Utrecht [etc., 1950]). Op 1 januari 1957 volgde een ordinariaat, dat hij tot 1 juli 1976 zou uitoefenen.

Aanvankelijk richt Kempe zich vooral op meetbare en daardoor statistisch samen te vatten aspecten van criminaliteit en criminelen (beide begrippen bepaald en omlijnd door wettelijk omschreven strafbare feiten). Dit blijkt uit zijn dissertatie evenals uit zijn, samen met J. Vermaat gepubliceerde, Criminaliteit in Drenthe (Utrecht [etc.], 1939). In zijn Misdaad en wangedrag vóór, tijdens en na den oorlog. Opstellen over criminologie (Amsterdam, 1947) wordt een voorzichtige doorbraak naar niet wettelijk omschreven misdragingen ondernomen; in zijn openbare les komt de mens als herkenbaar en geïndividualiseerd wezen in de belangstelling te staan. De zeer sterke gerichtheid op de mens, de menselijke waardigheid en de verantwoordelijkheid van de mens voor zijn daden komt tot uitdrukking in Kempes oratie, evenals in 'Criminologie in existentialistische doorlichting', in Tijdschrift voor Strafrecht 61 (1952) 166-186. Dit welhaast programmatische artikel, evenals de beide bijdragen 'Vers une criminologie mieux fondée' en 'Le point de vue du criminologue', in Une nouvelle école de science criminelle, l'école d'Utrecht (Paris, 1959) 81-94 en 103-107, vinden hun grondslag in de nauwe samenwerking van Kempe, Pompe en de psychiater P.A.H. Baan. Hieruit groeit een gedurende een aantal jaren gehandhaafde wetenschappelijke opvatting die bekend werd als de 'Utrechtse school'. In zekere zin vormt Kempes Inleiding tot de criminologie (Haarlem, 1967) het eindpunt van deze richting. In het slothoofdstuk ligt ook Kempes credo: de criminoloog als een dienende figuur, die kritisch coördinerend verworvenheden van andere wetenschappen m.b.t. de crimineel geworden mens bundelt, eigen inzicht hierdoor verdiept en dit inzicht zo vertaalt dat practici het nuttig kunnen aanwenden. Vanuit deze overtuiging werkt Kempe in de criminologie eerder als geïnspireerde spoorzoeker dan als inspirerende voortrekker, meer ontdekker dan profeet. Een grote moedeloosheid spreekt dan ook uit een van zijn laatste 'openbare' activiteiten, een rede in 1974 gehouden bij het 40-jarig bestaan van het Criminologisch Instituut, 'De publieke opinie en de strafrechter in de laatste halve eeuw; enkele inleidende opmerkingen', in Dilemma's in het hedendaagse strafrecht 2e dr. (Utrecht, 1975) 5-22. In een wereld vol onrecht, ongelijkheid, onderdrukking en oorlog ziet hij voor 'zijn' vak geen verschiet en nauwelijks nog een plaats. In 1963 tot lid benoemd van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, houdt Kempe daar de voordracht 'Franz von Liszt en de criminologie' (Meded. Kon. Ned. Akad. van Wetensch., afd. letterkunde N.R. 31:3), die een ander facet van zijn wetenschappelijke belangstelling toont: die voor de geschiedenis, vooral van de nieuwe en nieuwste tijd. Ook in zijn laatste publikatie, 'Uitvoerder of Kruisvaarder?' in Recht, macht en manipulatie. Onder red. van C. Kelk, M. Moerings, Nico Jörg et al. (Utrecht [etc., 1976]) 47-62, waarin de rol van E.R.H. Regout bij het tot stand komen van de zedenwetten van 1911 geschilderd wordt, geeft hij hiervan blijk.

Naast en in nauwe samenhang met zijn wetenschappelijke werk beweegt Kempe zich in de praktijk vooral op het gebied van reclassering en psychopatenzorg. Zo is hij o.a. lid van de Centrale raad van advies voor het gevangeniswezen, de psychopatenzorg en de reclassering en voorzitter van de Bijzondere commissie van advies voor de verklaring omtrent het gedrag (1959-1972). Bij de voorbereiding van de Psychiatrische Observatiekliniek van het gevangeniswezen (thans: Pieter Baan Centrum) is Kempe nauw betrokken, evenals bij die van de Dr. H. v.d. Hoevenkliniek voor ter beschikking van de regering gestelden. Als hoofdbestuurslid van het Nederlands Genootschap tot reclassering en als voorzitter van de Dr. F.S. Meyersvereniging werkt hij mee aan de samenvoeging van vrijwel alle reclasseringsverenigingen tot de Algemene Reclasseringsvereniging (ARV).

In de Utrechtse faculteit der rechtsgeleerdheid vervult Kempe van 1963 tot 1967 de functie van secretaris, een dubbele ambtstermijn, omdat hij zich 'te weinig jurist' voelt om het hem naar anciënniteit toekomende voorzitterschap op zich te nemen. De studentenacties en de veranderingen in het universitaire bestel rond 1970 hebben zijn instemming en ondersteuning: soms lijkt het alsof hij wil inhalen wat hij in eigen studentenjaren te kort gekomen was.

Kempe selecteerde zijn vrienden streng en bleef hun daarna uiterst trouw. In kleine kring kon hij pregnante, vaak geestige meningen geven over mensen en gebeurtenissen en gaf hij zich vooral bij gelegenheidstoespraken voor zijn medewerkers wel bloot. Naar buiten toe was er echter sprake van een geslotenheid die op rijpere leeftijd trekken van norsheid vertoonde. In zijn laatste levensjaren leek een druk van hem weggevallen, en wist hij een kleine kring van jongeren als nieuwe vrienden om zich heen te verzamelen.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken: Reclassering in onze samenleving. Voorlichten, recht doen, helpen (Arnhem, 1958). Voorts een groot aantal artikelen vnl. in Nederlandse vaktijdschriften en in opiniebladen; verslagen, boekbesprekingen, bijdragen in gedenkboeken en libri amicorum.

L: H. Bianchi, in Tijdschrift voor criminologie 22 (1980) 49-50; C. Kelk en M. Moerings, in Delikt en delinkwent 10 (1980) 76-82.

I: Met schuld beladen. De kern en de actuele betekenis van het werk van G.Th. Kempe over straf en reclassering. Onder red. van J.A. Janse de Jonge en C. Kelk (Arnhem 1992) afbeelding na titelblad.

W.M.E. Noach


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013