Kempers, Karel Philippus (1897-1974)

 
English | Nederlands

KEMPERS, Karel Philippus (1897-1974)

Kempers, Karel Philippus (door naamstoevoeging bij kb van 5-4-1919 nr. 67 gewijzigd in Bernet Kempers), musicoloog (Nijkerk 20-9-1897 - Amsterdam 30-9-1974). Zoon van Karel Jan Wïllem Kempers, directeur van Registratie en Domeinen, en Anna Geertruida Sara Wilhelmina ten Doesschate. Gehuwd op 18-7-1934 met Geertruida Dorothea Boursse. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. afbeelding van Kempers, Karel Philippus

Bernet Kempers bezocht de HBS in Dordrecht en legde daar het eindexamen afin 1915. Reeds tijdens zijn middelbare schooljaren had hij grote belangstelling voor muziek, maar daar zijn vader kandidaat-notaris was (al oefende hij dit beroep niet uit), werd ook voor de zoon besloten tot een opleiding voor het notariaat. Enige tijd was hij volontair bij de gemeenteontvanger in Dordrecht. Het perspectief van een dergelijke carrière lokte hem echter allerminst. Hij brak zijn studie dan ook af, om zich geheel aan de muziek te kunnen gaan wijden. Van 1918-1922 studeerde hij in Amsterdam muziektheorie en compositie bij Bernard Zweers en muziekgeschiedenis bij Simon van Milligen, auteur van een van de eerste meer uitgebreide Nederlandse handboeken der muziekgeschiedenis. Daarnaast nam hij pianolessen bij Gonda van Dam. Zijn cultuurhistorische gerichtheid voerde hem bijna onvermijdelijk naar de muziekwetenschap, een vak dat in die tijd echter nog aan geen enkele Nederlandse universiteit werd onderwezen. Bernet Kempers liet zich daarom in 1922 inschrijven aan de universiteit van München, om daar muziekwetenschap te studeren bij de bekende musicoloog Adolf Sandberger. Daartoe diende hij eerst een examen in de klassieke talen af te leggen aan het Realgymnasium, hetgeen zeer spoedig geschiedde. Reeds na vier jaar, in 1926, promoveerde Bemet Kempers bij Sandberger summa cum laude op een in het Duits geschreven proefschrift over de motetten van de 16de-eeuwse componist Jacobus Clemens non Papa, een van de belangrijkste vertegenwoordigers der zg. vierde Nederlandse School. Het boek verscheen in 1928.

In deze tijd zag hij zich, bij gebrek aan eigen inkomsten, genoodzaakt bij de familie in Den Haag in te trekken. Hij legde zich toe op publicistische arbeid, die noodgedwongen wel een populair karakter moest dragen bij gebrek aan een Nederlandse markt voor wetenschappelijk werk. Zijn publikaties betroffen de Italiaanse opera (1929), en inleidingen tot Die Zauberflöte van Mozart en de Carmen van Bizet. Daar hij sinds 1929 leraar was voor muziekgeschiedenis aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag werd hij geconfronteerd met het feit dat aanvaardbare moderne handboeken op dit gebied niet voorhanden waren. Zo ontstond de eerste versie van zijn Muziekgeschiedenis (1932), die daarna nog vijf drukken zou beleven, waarvan vooral de tweede, van 1940, het meest ingrijpend gewijzigd is. Omdat dit handboek een geschiedenis van muzikale stijlen en genres wil zijn en niet een compilatie van biografieën, oordeelde hij het wenselijk in 1939 een boek te publiceren in de vorm van een aantal biografische schetsen onder de titel Meesters der muziek, welk boek eveneens verscheidene drukken beleefde.

Sinds 1929 doceerde Bernet Kempers ook muziekgeschiedenis als privaatdocent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verrichtte hiermee pioniersarbeid, want hij was de eerste musicoloog die werkzaam was aan een Nederlandse universiteit, ook al werd reeds in 1930 te Utrecht een leerstoel voor muziekwetenschap ingesteld, die bezet werd door dr. A. Smijers. Dit leidde al spoedig tot een conflict, daar Smijers de bibliotheek van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis naar Utrecht wenste te laten overbrengen. Het gelukte Bemet Kempers echter deze voor zijn studenten wezenlijke studieverzameling voor Amsterdam te behouden. Intussen was het vak muziekwetenschap in de universitaire wereld nog allerminst in aanzien gekomen: velen meenden dat het vak hoogstens bij een conservatorium thuishoorde. Het moet voor de privaatdocent dan ook een grote voldoening zijn geweest toen hij in 1937 tot lector werd benoemd, zij het na veel discussie binnen het gemeentebestuur. In 1934 werd Bernet Kempers benoemd tot hoofdleraar muziekgeschiedenis aan het Amsterdamse conservatorium. In dat zelfde jaar trad hij in het huwelijk met de pianiste Truus Boursse. Het echtpaar vestigde zich in de hoofdstad.

Tijdens de Duitse bezetting nam Bernet Kempers actief deel aan het kunstenaarsverzet tegen de cultuurpolitiek van de bezetter, hetgeen hem enige maanden gevangenschap te Scheveningen en Amersfoort kostte. Slechts moeizaam wist hij zich van deze beproeving te herstellen. Daarentegen vond hij na de bevrijding spoedig een brede erkenning. In 1946 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar en in 1953 tot gewoon hoogleraar te Amsterdam. Na veel strijd met het universiteitsbestuur kreeg hij bovendien eindelijk een eigen instituut, al bleef dat voorlopig wel minder indrukwekkend dan dat te Utrecht.

Bernet Kempers nam overigens ook actief deel aan buitenuniversitaire aangelegenheden, waarbij het hem erom ging op een of andere manier de wetenschapsbeoefening te combineren met de praktische muziekbeoefening. Zo was hij vanaf 1934 secretaris van de Koninlijke Nederlandse Toonkunstenaars-Vereniging (KNTV), waarvan hij later, tot 1965, voorzitter zou zijn. In dit verband moet zijn werkzaamheid als redacteur van De wereld der muziek, het vooroorlogse orgaan van de KNTV, gezien worden. Na de oorlog werkte hij mee aan het maandblad Praeludium en maakte hij deel uit van het bestuur van de Nederlande orkeststichting het Concertgebouworkest, van de Raad voor de Kunst en van de Amsterdamse Kunstraad. Een hem aangeboden ordinariaat in de muziekwetenschap te Bern wees hij af, omdat het Amsterdamse milieu te veel voor hem betekende.

Als docent heeft Bernet Kempers verschillende generaties van muziekstudenten en aankomende musicologen helpen vormen. Zijn veel gelezen en bestudeerde Muziekgeschiedenis geeft een duidelijk beeld van zijn opvattingen, volgens welke vooral de nadruk gelegd dient te worden op de immanente ontwikkelingsfactoren en de sociale voorwaarden waardoor stijlveranderingen binnen de afzonderlijke genres worden bepaald. Ook de samenhang tussen muzikale en litteraire fenomenen boeide hem zeer, getuige zijn bundel Muziek in den ban der letteren... van 1936. Als voorzitter van de KNTV is hij voor vele musici een steun en toeverlaat geweest, mede dank zij zijn organisatorische en diplomatieke talenten. Zijn wetenschappelijke uitgave in 21 delen van de complete werken van Clemens non Papa, waarmee hij een in zijn dissertatie impliciet vervatte belofte inloste, zal zeker tot zijn meest blijvende verdiensten behoren.

Na zijn emeritaat in 1968 bezocht hij nog verscheidene buitenlandse congressen, hoewel een hartkwaal zijn laatste levensjaren verduisterde. Deze werd hem, nadat hij enige operaties overleefd had, ten slotte noodlottig.

P: Voornaamste geschriften in onder L genoemde necrologie van F. Noske.

L: C.J. Maas, in Folio civitatis, 9-10-1974; E. Reeser, in Tijdschrift van de vereniging voor Nederlandse muziekgeschiedenis 24 (1974) 95-96; Chr. Maas, in Mens en melodie 29 (1974) 375-376: F. Noske, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1975-1976, 53-59.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 130.

J. van der Veen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013