Ket, Dirk Hendrik (1902-1940)

 
English | Nederlands

KET, Dirk Hendrik (1902-1940)

Ket, Dirk Hendrik (Dick), schilder, tekenaar en graficus (Den Helder 10-10-1902 - Bennekom, gem. Ede 15-9-1940). Zoon van Libbe Ket, apothekersassistent, en Juliana Christina Otten. afbeelding van Ket, Dirk Hendrik

Ket, enig kind, toonde reeds als kleine jongen zijn tekentalent. Daar de vader als militair apothekersassistent vele malen werd overgeplaatst, verhuisde het gezin o.a. van Den Helder naar Den Haag, waar Ket de HBS bezocht, maar in Hoorn deed hij in 1921 eindexamen. In Ede volgde hij lessen voor de aktes lager en middelbaar tekenen bij het Arnhemse genootschap 'Kunstoefening' (een tekenschool voor beeldende kunst en kunstnijverheid). Vooral geïnspireerd door de schilderlessen van de directeur, G.J. van Lerven, behaalde Ket de aktes resp. in 1923 en 1925. Zijn medeleerling en vriend was de schilder Johan Mekkink, die naderhand ook door Kets stijl werd beïnvloed.

Sinds 1930 woonde Ket met zijn ouders in het onder zijn leiding gebouwde huis te Bennekom bij Ede, tot zijn vroege dood: het gevolg van een hartgebrek, waaraan Ket zijn vreemde huidkleur en opmerkelijke vingers met de blauw-grijze nagels te danken had. Deze vingers beeldde hij ook in zijn vele zelfportretten met nadruk uit. Ondanks zijn broze gezondheid, die hem belette naar het buitenland te reizen, en ondanks moeilijke familieomstandigheden, o.a. door het inwonen bij een dominerende moeder, is Ket toch - vooral de laatste tien jaren van zijn korte leven - bijzonder produktief geweest.

Zijn werk omvat, afgezien van de vele tekeningen en het grafisch werk - hout, linoleumsneden en litho's - meer dan honderd schilderijen, vooral zelfportretten, portretten (o.a. van zijn vader, met wie Ket een speciale binding had) en stillevens. In zijn leven en werk vond Ket bovenal steun door de innige vriendschap met Nel Schilt, die hij al tijdens zijn Arnhemse studiejaren had leren kennen. Uit de vele brieven die hij vooral aan haar schreef, blijken een scherp observatievermogen, een gevoel voor humor en zelfspot, een plezier in woordspelingen en een grote belangstelling voor literatuur, muziek en beeldende kunst, vooral van tijdgenoten als Wim Schuhmacher en Leo Gestel.

Begonnen als bewonderaar van zijn landgenoot en voorganger Floris Versier maakte Ket in brede penseelstreek, en met gebruik van het paletmes, landschappen en stillevens, o.a. met geraniums, flessen en eieren, om na omstreeks 1930 van dit impressionisme over te gaan op een strakkere compositie. Hoewel Ket tijdgenoot was van de magische realisten als Carel Willink, Pyke Koch en Raoul Hynckes, zocht hij niet, zoals deze kunstenaars, met zeer minutieuze weergave van mensen en dingen een onwerkelijke of lugubere realiteit uit te beelden. Met zijn gevoel voor orde, ritme en maat schiep Ket - wèl met dezelfde exactheid van stofuitdrukking als de magische realisten - stillevens en zelfportretten waaruit een voorkeur voor het kubisme tot uiting komt. Ket was namelijk vooral geboeid en beinvloed door de Franse ontwerper van affiches A.M.Cassandre. Dit kubisme: de opbouw van de voorstelling met behulp van geometrische vormen als kubus, rechthoek, cilinder, ovaal en cirkel, gaat bij Ket samen met een plezier in het rangschikken van de voorwerpen in diagonalen, door bijv. een tijdschrift, een papier of boek dwars over elkaar heen te leggen op een tafelkleed. Door het perspectief bovendien hoog in het beeldvlak te plaatsen bereikte Ket een effect alsof men van bovenaf, als het ware in vogelvlucht-perspectief het kunstwerk beziet. Dit is het geval bij Stilleven met rode lap (1931 ; Gem. mus., Arnhem). Hier ziet men een tafel met tijdschriften en een viool; tegen deze tafel staat een stoel met een ronde leuning waarover een rode doek hangt, en op de zitting ziet men een lampetkan. Deze wijze van componeren, die men ook weer terugvindt in Stilleven met druiventros (1934; Gem. mus., Arnhem), is typerend voor het oeuvre van Ket. Door zorgvuldig afgewogen gebruik van enkele kleuren als wit, beige, geel, bruin en rood weet Ket met raffinement aan de vertrouwde, meestal op een tafel uitgespreide dingen uit eigen omgeving als een emaille kom met een ei, een rood-wit geblokte theedoek of een affiche van Droste cacao, ook een verdieping te geven. Een dergelijk voorbeeld is het Stilleven met drie broodjes (1933; Gem. mus.. Den Haag). Door een speciale keuze van voorwerpen legt Ket vaak nog een symbolische betekenis in stilleven of zelfportret. In het "St. Nicolaas stilleven" (ca. 1933 particuliere collectie; onvoltooid) liggen, van boven naar onder gezien, op een tafel bijeen: een gedeelte van een affiche met stoomboot, een wit masker (Sinterklaas), een zwart masker (Zwarte Piet), een speelgoedpaardje, een plaat van een Spaanse tangodanseres en de hoed van de schilder.

Uit zijn portretten - zoals van Nel Schilt en de verticale zelfportretten, waarop Ket, veelal uitgedost met hoed of baret, de toeschouwer vorsend aanziet - blijkt ook zijn bewondering voor de portretkunst van de Vlaamse Primitieven uit de 15e eeuw. Zelfspot drukt Ket uit in een triptiek van Drie zelfportretten (ca. 1939; Gem. mus., Arnhem), waar hij zich een lachend, ernstig en laatdunkend gezicht geeft. Op de achtergrond van de portretten zoals die van Nel Schilt (1933), een pendant van Zelfportret (1933), en op Dubbelportret van de schilder en zijn vader (ca. 1938-1940 onvoltooid; Gem. mus., Arnhem) komt vaak een speelgoedpaardje met een Oostaziatische ruiter voor. Wellicht een toespeling op Kets naam, daar een klein paard ook wel een 'ket' wordt genoemd. In 1932 kreeg Ket de Willink van Collen-prijs voor een getekend portret van de Vader zittend op een stoel met hoed en cape (Gem. mus.. Den Haag). In 1935 verleende koningin Wilhelmina de schilder de gouden medaille voor Zelfportret met baret (1935; Sted. mus., Amsterdam), dat grote overeenkomst vertoont met het laatste onvoltooide Zelfportret (1934-1940; Gem. mus., Den Haag), waar de schilder breeduit gezeten met turende blik frontaal de toeschouwer aanziet.

Van de meer in kubistische trant werkende kunstenaars is Dick Ket een van de meest begaafde Nederlandse stillevenschilders geweest van de generatie van vóór de Tweede Wereldoorlog.

A: Meeste brieven (ca. 450) in de periode van 1928-1940 aan mw. N.J. Hagelen-Schilt in Koninklijke Bibliotheek, 's-Gravenhage; 203 brieven aan mw.A.Maas-vanderMoer(† 29-4-1975) in het Gemeentemuseum, Arnhem.

P: Basiscollectie in Gemeentemuseum, Arnhem; Gemeentemuseum, 's-Gravenhage; Stedelijk Museum, Amsterdam; Rijksmuseum Kröller-Müller, Otterlo; Museum Boymans-Van Beuningen, Rotterdam; overzicht van zijn werken samengest. door Joh. Mekkink, in Dick Ket, 1902-1940. [Tentoonstelling]. Gemeentemuseum Arnhem 1962 [Inl. door W.. de Gruyter, Wageningen, 1962] 2e herz. dr. (Wageningen, 1968) 149-184.

L: Behalve literatuur over Ket in bovengenoemde catalogus, J.R. de Groot, 'Vijf maal Dick Ket omvat een leven in tekeningen', in Uit de kunst in Arnhem 1 (1970) 5 (januari) 19-21; 'Dick Ket. De drie broodjes', in Openbaar kunstbezit 18 (1974) 79-81; J.R. de Groot, '"Het laatste stilleven": schilderijen van Dick Ket in Arnhems museum', in Uit in Arnhem 8 (1976) 5 (januari) 24; Hans Redeker, 'Dick Ket', in De generatie van 1900 m Nederland en België. Onder red. van Christiane Buysse-Dhondt, Hans Redeker en Walther Vanbeselaere (Venlo, [ca. 1979]) 128-131.

I: A. Ottevanger, Dick Ket. Vier studies (Den Haag 1995) 92 [Foto: Johan Mekkink; Ket omstreeks 1939].

B.H. Spaanstra-Polak


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013