Kluijver, Albert Jan (1888-1956)

 
English | Nederlands

KLUIJVER, Albert Jan (1888-1956)

Kluijver, Albert Jan (wijziging geslachtsnaam bij vonnis Arr. Rb. te Breda van 12-9-1941 in Kluyver), microbioloog (Breda 3-6-1888 - Delft 14-5-1956). Zoon van Jan Cornelis Kluijver, hoogleraar in de wiskunde, en Marie Honigh. Gehuwd op 29-7-1916 met Helena Johanna van Lutsenburg Maas (1892-1952) (naamstoevoeging Van Lutsenburg bij KB van 26-4-1892 nr. 82). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.

afbeelding van Kluijver, Albert Jan

Kluyver studeerde, na zijn eindexamen aan de hogere burgerschool te Leiden, van 1905 tot 1910 chemische technologie aan de Technische Hoogeschool te Delft, waar hij zowel het kandidaats- als het ingenieursexamen met lof behaalde. Van 1911 tot 1916 was hij assistent op het Laboratorium voor microscopische anatomie onder G. van Iterson jr. Op 15 mei 1914 promoveerde Kluyver cum laude bij hem tot doctor in de technische wetenschappen op zijn proefschrift Biochemische suikerbepalingen. Ondertussen was hij enige tijd te Wenen aan het plantenfysiologisch laboratorium van prof. H. Molisch werkzaam geweest. Na zijn promotie volgde een verblijf van 1916 tot 1919 in Ned.-Indië waar Kluyver eerst nijverheidsconsulent op Java was. Vervolgens maakte hij een studie over de klappervezelbereiding op Malakka en Ceylon, en ten slotte werd hij enige tijd belast met de leiding van het laboratorium van de NV Oliefabrieken te Bandoeng.

In 1921 werd Kluyver, hoewel hij geen specifiek microbiologische opleiding had genoten, benoemd tot hoogleraar in de microbiologie aan de Technische Hoogeschool te Delft als opvolger van de wereldberoemde botanicus en microbioloog M.W. Beijerinck, die later zou verklaren dat met Kluyver een zeer gelukkige keuze was gedaan. Kluyvers inaugurele rede was trouwens reeds verrassend en veelbelovend genoeg. Hieruit bleek een grote openheid voor de praktische aanwending van wetenschappelijk onderzoek in de microbiologie. Sprekend over Microbiologie en industrie gaf Kluyver op vooruitziende wijze aan dat door ingrepen in het metabolisme van micro-organismen een groot scala van verbindingen industrieel bereid kon worden en sprak hij de verwachting uit dat, gezien de beperktheid van de fossiele brandstoffen, eens de intra-atomaire energie vrijgemaakt en gebruikt zou kunnen worden. Voortbouwend op de methodieken ontwikkeld door Beijerinck werd Kluyver al spoedig de organisator die de onderzoekingen bundelde en de 'Delftse School' verder uitbreidde.

In eerste instantie was dit onderzoek gericht op de processen waarmee de organismen energie verkrijgen. Onderzoek van de diverse gistingen leidde in 1928 tot de industriële produktie van butaandiol 2,3 en van acetoine, waaruit weer het boteraroma diacetyl bereid kon worden. Ook aceton en butanol werden al spoedig geproduceerd. Kluyver zocht bij de grote verscheidenheid in de levensverrichtingen naar het bindend element ervan. In zijn gedachtengang waren de verschillen waargenomen bij de stofwisseling der micro-organismen, terug te brengen tot een gevarieerde aaneenschakeling van eenvoudige, stapsgewijze zich voltrekkende, uit slechts enkele prototypen bestaande, processen.

Dit kwam tot uiting in de wijze waarop Kluyver met zijn medewerker H.J.L. Donker, gelijktijdig met de nobelprijswinnar A. Szent-Györgyi maar onafhankelijk van deze, twee schijnbaar tegengestelde meningen over het chemisme van de ademhaling wist te verenigen. Kluyver heeft tevens het eerst met nadruk gewezen op het voorkomen van overeenkomstige Chemismen in cellen van zeer uiteenlopende aard. Zijn in 1926 samen met Donker verschenen artikel over 'Die Einheit in der Biochemie', in Chemie der Zelle und Gewebe is klassiek te noemen en bracht ordening in de verwarrende hoeveelheid materiaal.

In de volgende jaren werkte Kluyver doelbewust aan zijn werkhypothese dat er een essentiële eenheid aanwezig is in de stofwisseling van alle levensvormen. De resultaten van een stelselmatig onderzoek van bacteriegroepen met zeer verschillende stofwisselingstypen leidden op zijn gebied tot een volledige bevestiging van deze hypothese. Reeds in 1930 gaf Kluyver als zijn mening te kennen dat de vergelijkende biochemie in de toekomst van grote betekenis zou zijn. Door experimenteren met de zo hanteerbare micro-organismen zouden conclusies van algemene strekking kunnen worden getrokken. Deze veronderstelling is volkomen gewettigd gebleken. De huidige kennis van o.a. de genetica is voor een groot deel verkregen met behulp van micro-organismen. In 1930 werd door C.B. van Niel (een leerling van Kluyver) de biochemische overeenkomst aangetoond tussen de bacteriële fotosynthese en die der algen en planten. De inzichten verkregen bij de studies van bacteriën leidden in 1936 tevens tot de classificatie volgens het 'Kluyver-Van Nielsysteem'. Delen ervan zijn nog steeds terug te vinden in de tegenwoordig gebruikte classificatie. Voor het kweken van schimmels ontwikkelden Kluyver en L.H.C. Perquin een methode die al spoedig in de industrie werd toegepast en heden nog in een meer geavanceerde vorm wordt gebruikt. In 1935 werd door Kluyver en L.S. Ornstein met financiële hulp van de Rockefeller Foundation de Biofysische Werkgroep Utrecht-Delft opgericht. De onderzoekingen hiervan waren vooral gericht op de fotosynthese en de bioluminescentie van bacteriën.

Reeds in 1922 was Kluyver met het Centraal Bureau voor Schimmelcultures te Baam overeengekomen dat de gistenverzameling hiervan in het Delftse laboratorium zou worden ondergebracht. Op het gebied van de systematiek van gisten is door Kluyver en zijn medewerkers veel onderzoek verricht. Deze gistenverzameling is nog steeds de belangrijkste ter wereld. Daarbij richtte Kluyver ook de laboratoriumverzameling van bacteriën op met als basis de bacteriecultures die door zijn voorganger waren nagelaten. Ook deze verzameling bestaat nog steeds. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het onderzoek nagenoeg stil te liggen, maar Kluyver wist toch, onder moeilijke omstandigheden, deze verzamelingen in stand te houden.

Na de oorlog trad Kluyver als ervaren microbioloog en vooraanstaand geleerde ook naar buiten steeds meer naar voren. Van 1947 tot 1954 was hij president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waarvan hij al in 1926 tot lid was benoemd. In deze hoedanigheid was Kluyver voorzitter van de naar hem genoemde commissie die de Nederlandse regering moest adviseren betreffende de toepassing van atoomenergie in Nederland. Het werk van deze commissie heeft geleid tot de oprichting van het Reactorcentrum Nederland. Daarna was Kluyver nog voorzitter van de commissie voor bestudering van de gevaren bij het gebruik van atoomwapens. In 1951 was hij reeds in Delft opgetreden als promotor bij het verlenen van het eredoctoraat in de Technische Wetenschappen aan prins Bernhard. Vele eredoctoraten, erelidmaatschappen en gouden medailles zijn in de loop der jaren aan Kluyver uitgereikt.

Als leermeester liet Kluyver aan zijn medewerkers en studenten een grote mate van vrijheid. Hierdoor waren vele onderzoeksproblemen tegelijkertijd onderwerp van studie. Zulk een brede aanpak verruimde de horizon, maar kan wellicht een snelle ontwikkeling in een bepaalde richting verhinderd hebben. Hoewel Kluyver dit wel besefte heeft hij groepswerk nooit aangemoedigd. Hij koos op zijn manier voor de ontwikkeling en training van de microbioloog die later in een bedrijf de problemen moest zien op te lossen.

A: Archief-Kluyver in het Laboratorium voor Microbiologie der Technische Hogeschool Delft.

P: Bibliografie in hieronder vermeld werk: Albert Jan Kluyver. His life and work, 527-539.

L: Overzicht artikelen gewijd aan Kluyvers leven en werk in Albert Jan Kluyver. His life and work [ed. A.F. Kamp et al.] (Amsterdam, 1959) 558-559.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 818.

J. van der Toorn


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 07-09-2016