Koenraadt, Wilhelmus Matthias Johannes (1896-1973)

 
English | Nederlands

KOENRAADT, Wilhelmus Matthias Johannes (1896-1973)

Koenraadt, Wilhelmus Matthias Johannes, priester (Steenbergen 15-2-1896 - Breda 4-3-1973). Zoon van Gerardus Johannis Koenraadt, landbouwer, en Elizabeth Cornelia Maria Hopmans. afbeelding van Koenraadt, Wilhelmus Matthias Johannes

Koenraadt kende na zijn wijding tot priester in 1920 twee uiteenlopende perioden: die waarin hij onderwijs genoot en gaf, en die waarin hij betrokken werd bij het kerkelijk beleid. Hij was een typische West-brabander, wat stug, niet gemakkelijk contacten leggend, maar een krachtige persoonlijkheid, die in wezen goedhartig en oprecht bleef. Hij werd heel zijn leven gedragen door een vast geloof. Na zijn wijding tot priester van het bisdom Breda in 1920 gaf zijn bisschop. Petrus Hopmans (broer van Koenraadts moeder), de begaafde jongeman opdracht naar Leuven te gaan voor politieke en sociale studies, in die dagen voor een priester een weinig gekende richting. Daarop volgde in 1922 een docentschap in de moraal en sociologie aan het groot-seminarie van het bisdom Breda in Hoeven.

Onderwijl werkte hij aan zijn proefschrift over Rechtvaardig arbeidsloon ('s-Hertogenbosch, 1929), waarop hij eind 1928 in Leuven promoveerde. De hierin verkondigde opvattingen waren voor die tijd revolutionair en Koenraadt kreeg er nationale vermaardheid mee. Koenraadts ideeën gingen uit van de mening dat het beginsel van rechtvaardigheid voorrang had boven naastenliefde. Hij bepleitte een gezinsloon boven een prestatieloon en vestigde met nadruk de aandacht op de wenselijkheid van een scala van sociale verzekeringen, op invoering van kinderbijslag, op het verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten en een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Wettelijk geregelde loonminima wees hij echter af. Vooral in kringen van de georganiseerde katholieke arbeiders werd zijn proefschrift vele jaren als een standaardwerk beschouwd. In latere publikaties zette hij zijn gedachten nader uiteen. Tussen 1929 en 1931 werkte hij tevens mee aan een 3e herz. bijgew. dr. van de Verklaring van den katechismus der Nederlandsche bisdommen ('s-Hertogenbosch, 1928-1931), waarvan hij de delen 4, 5 en 6 verzorgde. Aan een latere versie van dit werk ('s-Hertogenbosch, 1951-1961) gaf hij eveneens zijn naam, maar hierin is zijn aandeel geringer.

Twintig jaar lang was Koenraadt verbonden aan het groot-seminarie in Hoeven. In 1942 werd hij pastoor van de St. Laurentius-parochie te Dongen, maar vier jaar later reeds werd hij in het bestuur van het bisdom Breda opgenomen. Met toestemming van paus Pius XII - vereist wegens de familiebanden - benoemde bisschop Hopmans hem tot zijn vicaris-generaal. In die functie heeft hij nadien ook de bisschoppen Jos Baeten en G. de Vet gediend. Met een enorme werkkracht vervulde hij tegelijk andere posten: deken van Breda (1946-1950), pastoor van het Begijnhof te Breda (1946-1952), lid van het kapittel van het bisdom Breda (1946-1965), deken van Princenhage (1950-1960), officiaal (1946-1952) en rector van het moederhuis Maria Mater Dei te Breda (1952-1971). Hij was voorzitter van het kapittel van 1961 tot 1965.

Per 1 januari 1965 legde Koenraadt alle bisdommelijke en landelijke functies neer, afgezien van het rectoraat van Maria Mater Dei. De voornaamste tot dat moment waren die van vicaris-generaal van bisschop G. de Vet, vooral betreffende de zorg voor religieuzen en onderwijs, voorzitter en kanunnik van het kathedraal kapittel, voorzitter van het diocesaan missiecomité, voorzitter van het bestuur van de Petrus van Kesselstichting (gymnasium Ypelaar), bisschoppelijk commissaris van de stichting

Onderweg, lid van de bisschoppelijke beoordelingscommissie voor kerkelijke architectuur en voorzitter van de diocesane commissie voor kerkelijke registratie en statistiek. Landelijke functies die hij vervulde waren: voorzitter van de Nederlandse Katholieke Schoolraad, voorzitter van de raad van bestuur van het Centraal Bureau voor Onderwijs en Opvoeding, bestuurslid van het Instituut voor Doven te St. Michielsgestel, voorzitter van de bisschoppelijke adviescommissie Opbouw Sociale Organisaties, voorzitter van het curatorium van het Hoger Katechetisch Instituut en voorzitter van de bisschoppelijke catechismuscommissie. Hij werd vele malen met kerkelijke en wereldlijke onderscheidingen begiftigd. Toen bleek in zijn laatste jaren, toen hij alle functies had neergelegd, dat door zijn bestuurswerkzaamheden een zekere afstand was ontstaan tussen hem en degenen die zijn collega's en leeftijdgenoten waren.

A: Archief-Koenraadt in archief-bisdom Breda te Breda.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: Wettelijke bescherming van het kleinbedrijf. Preadviezen samen met H.L. Jansen voor ...Nederl. RK Middenstandsbond ('s-Gravenhage [1933]); Corporatieve maatschappij, organische staat (Hilversum, 1934); Katholieke actie (Hilversum, 1937); samen met Max van Poll Handboek der maatschappijleer (Hilversum, 1938).

L: 'Promotie professor Koenraadt', in Sancta Maria 6 (1928) 13 (27 december) 102; G. de Vet, 'Een vicaris en een plebaan ten afscheid', in Onderweg 9 (1965) l (9 januari) 1; H. Ernst, in Overweg 5 (1973) 6 (17 maart) 4; C. van Duyse, 'Bespiegelingen rondom W. Koenraadt en zijn tijd', ibidem 5 (1973) 7 (7 april) 5-6 en 8 (21 april) 8-9; A. Mouwen, 'Rechtvaardig arbeidsloon 50 jaar geleden en nu', ibidem 11 (1979) 1 (6 januari) 4-5.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a16898 [Foto: Wil Beenhakkers, Breda].

Frans Oudejans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013