Koopmans, Johan Gerbrand (1900-1958)

 
English | Nederlands

KOOPMANS, Johan Gerbrand (1900-1958)

Koopmans, Johan Gerbrand, monetair theoreticus en hoogleraar (Haarlem 9-8-1900 - Amsterdam 25-12-1958). Zoon van Gerbrand Carel Adrien Koopmans, levensverzekeringswiskundige, en Emma Loreij. Gehuwd op 25-4-1946 met Wilhelmina ten Bokkel Huinink. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Koopmans was telg uit een Fries geslacht van kooplieden, doopsgezinde predikanten, kerkelijke hoogleraren en assurantiemakelaars, dat zich in de Napoleontische tijd vestigde in Amsterdam. Koopmans bezocht in Den Haag, waar zijn ouders sinds 1903 woonden, het Stedelijk Gymnasium (thans Gymnasium Haganum). Van 1918 tot 1921 studeerde hij rechten in Leiden, waar hij de meestertitel behaalde. Een aansluitende studie gedurende 1921-1922 aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam werd bekroond met een diploma handelseconomie. Gedurende 1924-1928 was hij werkzaam bij de Amsterdamse assurantiefirma Blom & Van der Aa. In 1928 nam hij ontslag om zich geheel aan zijn studie te kunnen wijden. Intussen debuteerde hij in De Economist van 1925 met een artikel 'De zin der bankpolitiek', waarin hij zich scherp keerde tegen de opvatting van J. A. Schumpeter dat monetair conjunctuurbeleid ongewenst zou zijn. In navolging van A tract on monetary reform (London, 1923) van J. M. Keynes ziet Koopmans stabilisatie van de prijzen als de voornaamste doelstelling van de geldpolitiek van de centrale bank. Mede beïnvloed door de Zweedse school van K. Wicksell - tot wiens volgeling Koopmans gerekend mag worden - en een kritiek van S. Posthuma in De Economist van 1926 herroept hij deze norm en kiest hij voor het criterium van een neutrale geldvoorziening. Hiermede wordt bedoeld een zodanige geldpolitiek dat de afloop van het economisch proces in een geldgebruikende economie niet afwijkt van die in een uitsluitend op directe ruil gebaseerde volkshuishouding. De uitwerking van deze neutraliteitsconceptie houdt Koopmans geruime tijd bezig. De belangrijkste vrucht van dit denken is het opstel 'Zum Problem des "neutralen" Geldes', dat opgenomen is in de bundel Beiträge zur Geldtheorie. Hrsg. von F.A. Hayek (Wien, 1933) 211-359. Met dit opstel verwierf Koopmans internationale erkenning als geldtheoreticus. Het opstel is een bekorte versie van zijn omstreeks 1930 gereedgekomen dissertatie, die hij om niet achterhaalde redenen nimmer heeft verdedigd.

In 1933 aanvaardt Koopmans de functie van secretaris bij de Nederlandse Organisatie van de Internationale Kamer van Koophandel. Deze werkkring bood hem royaal de gelegenheid zijn in voorgaande jaren gelegde internationale contacten verder te verdiepen. In 1936 verbleef hij met een stipendium van de Rockefeller Foundation in Stockholm en aan de London School of Economies. Hij publiceerde gedurende deze jaren voorts een aantal journalistieke bijdragen in het weekblad Economisch-Statistische Berichten.

In 1939 werd Koopmans benoemd tot gewoon hoogleraar in de openbare financiën aan de Nederlandsche Economische Hoogeschool in Rotterdam. Hij aanvaardde dit ambt op 17 oktober 1939 met een rede over De betrekkingen tusschen overheidshuishouding en volkshuishouding. Deze rede was voor velen een openbaring en een eerste kennismaking met de moderne macro-économie van Keynes. Koopmans zou, met een korte onderbreking tijdens de oorlog, tot 1954 hoogleraar in Rotterdam blijven.

Gedurende de oorlogsjaren maakte Koopmans - samen met de latere president van De Nederlandsche Bank M.W. Holtrop en de latere bankdirecteur S. Posthuma - deel uit van de onder voorzitterschap van prof. G.A.P. Weyer bijeenkomende studiecommissie van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel. Deze commissie bestudeerde de mogelijkheden het door de oorlog verbroken financiële evenwicht te herstellen. Minister P. Lieftinck koos het desbetreffende rapport, uitgebracht in 1945, tot uitgangspunt van de befaamde geldsanering uit september 1945. Koopmans raakte eveneens betrokken bij de voorbereiding van de vermogensaanwasheffing van 1946 en de werkzaamheden van de Raad voor het Rechtsherstel, afdeling Effectenregistratie. Hij vond hiervoor de tijd doordat in 1946, op eigen verzoek, zijn ordinariaat werd omgezet in een extraordinariaat. Koopmans' intellectuele en praktische bijdrage aan de oplossing van de naoorlogse financiële en monetaire problemen kreeg wetenschappelijke erkenning door zijn benoeming in 1946 tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

In 1954 verruilde Koopmans, tot verrassing van vele collega's in Rotterdam, zijn extraordinariaat aan de Nederlandse Economische Hogeschool voor een ordinariaat in de staathuishoudkunde aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Hij volgde F. de Vries op. Op 14 februari 1955 aanvaardde hij zijn ambt met een rede over De budgetvergelijking als verbindingsschakel tussen micro- en macro-économie. Kort tevoren had Koopmans voor het grote publiek van zich doen horen door zijn kritiek in Economisch-Statistische Berichten van 1953 op de bepaling van het prijsindexcijfer door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Eveneens aandacht trok Koopmans' bespreking van het Bankverslag 1953. Deze bespreking vormde het begin van een vruchtbare polemiek in Economisch-Statistische Berichten tussen economen als Holtrop, J. Tinbergen en H.J. Witteveen over de merites van de monetaire analyse van De Nederlandsche Bank. Opvallend en nog steeds actueel is ten slotte Koopmans' opstel over 'De taak van de economische politiek bij de bestrijding van het dreigende wereld-energietekort', in Bevolkingsgroei en energie-verbruik (Assen, 1958) 81-108, dat kort voor zijn overlijden verscheen.

Koopmans was een eminent geleerde en een singuliere, wat wereldvreemde, persoonlijkheid. Zijn werk valt op door uiterst verfijnde systematiek, waarin elke theoretisch denkbare mogelijkheid grondig wordt geanalyseerd. Hoewel hij wiskundig ongetwijfeld autodidact was, is zijn werkwijze die van de wiskundige. Koopmans voelde zich in zijn jonge jaren aangetrokken tot de wiskundige economie. Zijn artikelenserie over 'De mogelijkheid van een meervoudig economisch evenwicht', verschenen in De Economist van 1932, legt hiervan getuigenis af. Als hoogleraar in Rotterdam waren zijn werkcolleges befaamd als leerstoel in analytisch denken. Als monetair denker heeft hij een grote invloed uitgeoefend op de wetenschappelijke fundering van de monetaire politiek in Nederland. Opvallend is dat hij zich immer afzijdig hield van discussies over actuele economische vraagstukken. Evenzeer opvallend is zijn betrokkenheid bij de in 1956 gestichte NV "De Waerdije", Maatschappij van Levensverzekering op basis van Belegging in Aandeelen, te Rotterdam. De grondslag hiervan lag mede in Koopmans artikel over 'Een verstopte bron van risicodragend kapitaal?', in Economisch-Statistische Berichten van 1950.

A: Collectie-Koopmans in het archief van De Nederlandsche Bank NV.

P: Bibliografie van Koopmans en selectie uit Koopmans werk in onderstaande bundel.

L: J. Zijlstra, 'Prof. mr. J.G. Koopmans', in Neutraal geld. Een keuze uit de geschriften van prof. mr. J.G. Koopmans. Onder red. van M.M.G. Fase et al. (Leiden, 1982 [i.e. 1983]) IX-XII; M.M.G. Fase, 'J.G. Koopmans (1900-1958): een denker over economische samenhangen en neutraal geld', ibidem, XIII-XXXIX; idem, 'The 1930 correspondence between Koopmans, Robertson and Gregory', in De Economist 131 (1983) 305-343.

M.M.G. Fase


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013