Krämer, Frederik Jan Louis (1850-1928)

 
English | Nederlands

KRäMER, Frederik Jan Louis (1850-1928)

Krämer, Frederik Jan Louis, historicus (Dordrecht 3-1-1850 - 's-Gravenhage 2-5-1928). Zoon van Rudolph Carl Louis Krämer, praeceptor Latijnse school, en Anna Rosa Haver Droeze. Gehuwd op 19-7-1876 met Maria Elisabeth Haver Droeze. Uit dit huwelijk werden 4 zoons geboren. afbeelding van Krämer, Frederik Jan Louis

Krämer bezocht de lagere school te Dordrecht en werd na toelatingsexamen in 1867 student in de letteren te Utrecht, waar door hem in 1874 het kandidaatsexamen werd afgelegd. Van 1875 tot 1893 was hij met veel succes werkzaam als leraar geschiedenis en aardrijkskunde aan het gymnasium en de HBS voor meisjes te Utrecht en maakte hij vele jaren deel uit van de commissie-staatsexamen gymnasium. Blijken van publicistische activiteit gaf Krämer met zijn onderhoudend geschreven biografie Maria II Stuart, gemalin van Willem den Derden... (Utrecht, 1890) en de diepgravender studie De Nederlandsch-Spaansche diplomatie vóór den vrede van Nijmegen... (Utrecht, 1892). Op 22 juni 1893 verleende de Utrechtse Universiteit Krämer het eredoctoraat in de letteren, waarvan het diploma hem toegezonden werd. Deze procedure was kennelijk bedoeld om bij het ontbreken van zijn doctoraal de benoeming bij KB van 12 juni 1893 nr. 18 tot hoogleraar in de algemene geschiedenis, de vaderlandse geschiedenis en de politische aardrijkskunde als opvolger van prof. J.A. Wijnne te vergemakkelijken, toen P.J. Blok voor de eer bedankt had. Hij aanvaardde zijn ambt met een oratie De wetenschap der historie (Utrecht, 1893), waarin hij een overzicht gaf van de stand van het historisch bedrijf en zich een overtuigd Rankeaan betoonde. Van 1894 tot 1898 belastte men hem met het onderwijs in de algemene geschiedenis aan de jonge prinses Wilhelmina. Ook prins Hendrik en prinses Juliana hebben van hem les gehad. In 1903 kreeg Krämer om gezondheidsredenen ontslag als hoogleraar en accepteerde hij op 1 juli een benoeming tot directeur van het Koninklijk Huisarchief te 's-Gravenhage met de titel van Hofraad (1909) tevens grimer van de Huisorde van Oranje, welke functie door hem tot aan zijn dood bekleed zou worden. Tot verdere ordening en beschrijving van het archief droeg hij betrekkelijk weinig bij, maar wel wist hij de openbaarheid en toegankelijkheid te bevorderen, althans voor de periode tot 1813. Verdienstelijk was zijn redactionele arbeid voor Je maintiendrai: een boek over Nassau en Oranje... (Leiden, 1905-1906. 2 dl.). Hoewel hij wegens tijdgebrek van archiefonderzoek in Engeland moest afzien van zijn plan een biografie over stadhouder-koning Willem III te schrijven, gaf hij wel bronnen uit in de Werken en Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, waarop soms scherpe kritiek geuit werd. Vooral zijn bewerking van Van Hardenbroeks Gedenkschriften veroorzaakte in 1901 enige deining binnen het historisch bedrijf. H.Th. Colenbrander, toen adjunct-archivaris bij het Algemeen Rijksarchief en van 1902-1918 secretaris en directeur van het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, verweet het bestuur van het Historisch Genootschap (HG), dat tot uitgave besloten had, onzorgvuldige toepassing van de selectiecriteria, en de bewerker Krämer - op dat moment voorzitter van het HG - achtte hij te kort geschoten in editietechniek. Omgekeerd dienden G. Brom en S. Muller Fzn. namens het HG-bestuur Colenbrander van repliek. Deze discussie en andere tegenstellingen in de persoonlijke en zakelijke sfeer hebben lange tijd de verstandhouding tussen het HG en de Commissie voor Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën ongunstig beïnvloed.

Krämers grootste verdiensten lagen evenwel in de voltooiing van de uitgave van de Archives, ou correspondance inédite de la maison d'Orange-Nassau, waarvoor de hulp ingeroepen werd van C.H.Th. Bussemaker. Zelf bezorgde hij de 3e série [1689-1702] (Leyde, 1907-1909. 3 dl.), de 5e série [1766-1789] (Leyde, 1910-1915. 3 dl.), benevens het Supplément op de 4e série [1735-1747] (Leyde, 1917); het meeste materiaal hiervoor was echter al bijeengebracht door G. Groen van Prinsterer.

P: Behalve de bovengenoemde: P. de Groot, Lettres à Abraham de Wicquefort (1668-1674) publiées d'après les manuscrits par F.J.L. Kramer ('s-Gravenhage, 1894); Over gymnasiaal onderwijs (Groningen, 1898); De negentiende eeuw. Eene schets van hare geschiedenis (Amsterdam, 1900); Gijsb. Jan van Hardenbroek, Gedenkschriften (1747-1787). Uitg. en toegel. door F.J.L. Krämer (Amsterdam, 1901-1918. 6dl.) I, II, V, VI; Hooger Onderwijs in de historie. Afscheidswoord... (Utrecht, 1903).

L: N.J. [= N. Japikse], in Nederlandsch Archievenblad 35 (1927-1928) 156-158; De Utrechtsche Universiteit 1636-1936 (Utrecht, 1936.2 dl.) II, 356; C.B. Wels, 'Een nieuwe generatie kleine bronnen-publikaties', in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 97 (1982) 64-79; L.J. Dorsman, 'F.J.L. Krämer: leraar, hoogleraar, archivaris (1850-1928)', in Nederlands Archieven-blad 87 (1983) 219-225.

I: Website Universiteit Utrecht: http://www.uu.nl/uupublish/collecties/geschiedenis/4266main.html [28-6-2007].

S.B.J. Zilverberg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013