Kreling, Gerhardus Mattheus Bernardus (1888-1973)

 
English | Nederlands

KRELING, Gerhardus Mattheus Bernardus (1888-1973)

Kreling, Gerhardus Mattheus Bernardus (kloosternaam Petrus), theoloog (Nijmegen 23-9-1888 - Groesbeek 28-2-1973). Zoon van Gerhardus Kreling, kleermaker, en Johanna Maria de Bekker.

afbeelding van Kreling, Gerhardus Mattheus Bernardus

Kreling bezocht de openbare lagere school te Nijmegen en was van 1901 tot 1907 leerling van het Dominicuscollege aldaar. In 1907 trad hij in de orde der Dominicanen. Na het noviciaat studeerde hij filosofie te Zwolle en theologie te Huissen (Gld). In 1916 sloot hij zijn studie af met het lectoraatsexamen, dat hem de bevoegdheid gaf tot doceren in zijn orde. Van 1916-1918 vervolgde hij zijn studie in de wijsbegeerte te Fribourg (Zwitserland).

In zijn wetenschappelijke loopbaan zijn drie perioden te onderscheiden. Van 1918 tot 1926 doceerde Kreling als lector aan de studiehuizen van zijn orde in Nederland, aanvankelijk filosofie te Zwolle (1918-1921), daarna theologie te Huissen (1921-1926). Al spoedig drong zijn faam als denker en docent door tot het internationale bestuur van zijn orde te Rome. Het gevolg was dat hij in 1926 benoemd werd tot hoogleraar in de filosofie aan het Romeinse college van zijn orde, het Angelicum. In 1928 ontving hij bij zijn afscheid van het instituut een eredoctoraat in de filosofie. Ofschoon zeer gezien bij collega's en studenten, keerde hij na twee jaar naar Nederland terug, om benoemd te worden tot hoogleraar aan de theologische faculteit van de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Daarmee begint de derde periode, die duurt van 1928 tot zijn emeritaat in 1957 met als wetenschappelijk hoogtepunt in 1934 de onderscheiding met de graad van magister, hem verleend door zijn orde. Zijn leeropdracht omvatte dogmatiek, geschiedenis der theologie en apologie; het laatste vak droeg hij in 1939 over aan zijn collega A.J.M. Mulders.

Als theoloog was Kreling in zekere zin 'homo unius libri', en dat ene boek was het werk van Thomas van Aquino (1225-1274), zijn grote ordegenoot uit de Middeleeuwen. In tegenstelling tot de indertijd gangbare neoscholastiek stelde hij zich niet tevreden met het slappe aftreksel van de latere commentatoren en de theologische handboeken, maar verdiepte hij zich in de oorspronkelijke teksten. Zijn nieuwe Thomas-interpretatie werd zo een bijdrage tot de bevrijding van de katholieke theologie uit het slop van een rationalistisch ingestelde, contrareformatorische eenzijdigheid. In zijn rectorale rede van 1939, Het goddelijk geheim in de theologie, heeft hij zijn theologische positie het scherpst omlijnd. Daarin verdedigt hij het intellectualisme van Thomas als een radicale openheid van de menselijke geest voor heel de werkelijkheid, ook voor de werkelijkheid van de zich openbarende God. Daarmee zet hij zich af tegen een irrationalisme dat de waarde van het menselijk denken ondergraaft, maar tegelijk wijst hij iedere vorm van rationalisme af waarin geen plaats is voor het goddelijk geheim. Alleen door de genade van het geloof heeft de mens toegang tot Gods openbaring. De onderwerpen die hij in zijn colleges bij voorkeur behandelde, waren de godsleer, de christologie en het tractaat over de genade. In talloze publikaties heeft hij zijn visie op de theologie als gelovig denken over God uiteengezet en toegepast. Werken van grote omvang heeft hij echter niet geschreven.

Krelings betekenis voor de beoefening van de theologie in Nederland is daarom vooral gelegen in het onderwijs dat hij gedurende bijna dertig jaar aan de Nijmeegse faculteit heeft gegeven. Daarbij moet men bedenken dat in zijn tijd (tot 1964) in Nijmegen alleen een zg. cursus maior werd gegeven, die uitsluitend toegankelijk was voor studenten die reeds een volledige priesteropleiding van zes jaar hadden gevolgd. Dit betekent dat hij een hele generatie van theologiedocenten aan de tot in de jaren zestig zo talrijke groot seminaries heeft gevormd. Bij hen leeft hij voort als een begenadigd docent, wars van retoriek, en van een ongemene luciditeit, wiens onderwijs werd gekenmerkt door eerbied voor het mysterie van God, intellectuele openheid, kritische zin, denktucht, een diep geloofsbesef en een grote, ofschoon geenszins blinde, trouw aan de kerk. Indirect heeft Kreling zo zijn stempel gedrukt op een groot deel van de katholieke theologen in Nederland en mede het klimaat geschapen waarin de theologische vernieuwing, vooruitlopend op en gedeeltelijk bevestigd door het tweede Vaticaanse Concilie, zo'n opvallende weerklank kon vinden.

Krelings arbeidsveld bleef niet beperkt tot de theologische faculteit. Jarenlang heeft hij algemene colleges in de theologie gegeven voor studenten van andere faculteiten, die druk werden bezocht. Ook buiten de universiteit ontplooide hij zijn wetenschappelijke activiteiten. Zo is hij van 1931 tot 1957 redacteur geweest van het tijdschrift Studio C-tholica, was hij in 1935 mede-oprichter en eerste voorzitter van de Vereniging voor Thomistische Wijsbegeerte en in 1947 medeoprichter en eerste voorzitter van het Werkgenootschap van Katholieke Theologen in Nederland. Van 1938-1949 was hij voorzitter van het Geert Groote Genootschap; van 1931-1962 actief en zeer gezien lid van de Kring van Katholieke en Protestantse Hoogleraren, die door Gerard Brom en Gerardus van der Leeuw was opgericht ten behoeve van het oecumenisch gesprek. Hij schreef vele artikelen voor het Theologisch Woordenboek en voor de Katholieke Encyclopedie.

Ten slotte, de theoloog Kreling is niet te scheiden van de priester Kreling; vanaf zijn lectoraat te Huissen tot in zijn emeritaat heeft hij zich gewijd aan de prediking en de zielzorg. Hij hield voordrachten en ging preken, hij leidde retraites en was een gezocht biechtvader en geestelijk leidsman.

Ofschoon hij in de eerste jaren van zijn lectoraat in Huissen dikwijls werd geraadpleegd door katholieke politici als jhr. Ch.J.M. Ruijs de Beeren-brouck en W.H.Nolens, was hij niet echt in de politiek geïnteresseerd en heeft hij slechts een marginale rol gespeeld in het sociale leven van zijn tijd.

Toen na de Tweede Wereldoorlog de zg. Nouvelle Théologie vanuit Frankrijk in Nederland doordrong, vond deze bij Kreling een welwillend gehoor, maar een creatieve rol heeft hij in de nieuwe ontwikkelingen van de theologie niet meer gespeeld. Ook ten opzichte van de latere hermeneutische theologie bleef hij eerder een sympathieke, maar kritische buitenstaander. Gaandeweg moest hij toezien hoe de kritische theologieën, die geloof en openbaring zelf op hun vooronderstellingen gingen onderzoeken, geen ruimte meer lieten voor zijn beschouwende theologie, waarin dat geloof en die openbaring het vanzelfsprekende uitgangspunt waren. Door deze ontwikkeling dreigde hij het contact met zijn studenten te verliezen. Dit heeft, samen met zijn zwakke gezondheid, geleid tot zijn vervroegd emeritaat in 1957.

A: Archief-Kreling in Katholiek Documentatie Centrum, Katholieke Universiteit Nijmegen.

P: Het goddelijk geheim. Theologisch werk van G.P. Kreling O.P. Uitg. en ingel. door F.J.A. de Grijs [et al.] (Kampen, 1979). Dit bevat een keuze uit zijn publikaties, een volledige bibliografie en uitvoerige documentatie.

L: G. Brom, 'Inleiding', in Jubileumbundel voor Prof. Mag. Dr. G. P. Kreling O.P. Aangeboden ter gelegenheid van zijn 25 jarig Nijmeegs professoraat in zijn 65e levensjaar (Nijmegen [Utrecht etc.], 1953) 7-12; N. Versluis, 'De theoloog Kreling', in De Bazuin 56 (1973) 25 (18 maart) 1; F. Haarsma en F. de Grijs, 'Petrus Kreling als theoloog: open voor Gods geheim', in Tijdschrift voor Theologie 13 (1973) 190-202.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a13392 [Kreling in april 1947].

F. Haarsma


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013