Kuenen, Johannes Petrus (1866-1922)

 
English | Nederlands

KUENEN, Johannes Petrus (1866-1922)

Kuenen, Johannes Petrus, natuurkundige (Leiden 11-10-1866 - Leiden 25-9-1922). Zoon van Abraham Kuenen, hoogleraar in de theologie, en Wiepkje Muurling. Gehuwd op 11-7-1896 met Dora Wicksteed. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Kuenen, Johannes Petrus

Kuenen studeerde, na het gymnasium in zijn geboortestad te hebben doorlopen, van 1884 tot 1892 wis- en natuurkunde te Leiden, o.a. bij H.A. Lorentz en H. Kamerlingh Onnes. Op 12 april 1892 promoveerde hij op een proefschrift: Metingen betreffende het oppervlak van Van der Waals voor mengsels van koolzuur en chloormethyl. Het was het antwoord op een prijsvraag van de Leidse Universiteit, reeds bekroond met de gouden erepenning. Promotor was Kamerlingh Onnes. Van 1890-1893 was hij assistent van Kamerlingh Onnes; van 1893-1895 conservator van het natuurkundig laboratorium van de Leidse Universiteit en in dezelfde periode privaatdocent. In 1895 volgde een verblijf in Engeland, waar hij werkte op de laboratoria van W. Ramsay in Londen en van J. Walker in Dundee. In hetzelfde jaar werd Kuenen benoemd tot gewoon hoogleraar in de natuurkunde aan het University College St. Andrews in Dundee. Van 1906 tot aan zijn overlijden was hij gewoon hoogleraar in de natuurkunde te Leiden met als speciale taak Lorentz te ontlasten van de colleges voor candidandi. Zijn ambtsaanvaarding geschiedde op 25 februari 1907 met een oratie Het tegenwoordig standpunt en de beteekenis der molekulair theorie. In 1911 werd hij benoemd tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Kuenens voornaamste wetenschappelijke werk ligt op het gebied van de thermodynamica van mengsels van twee stoffen. Na de publikatie van de dissertatie van J.D. van der Waals, Over de continuïteit van den gas- en vloeistoftoestand (1873), werden door Nederlandse natuurkundigen tal van onderzoekingen uitgevoerd over kritische verschijnselen en fasenevenwichten. In 1890 publiceerde Van der Waals zijn theorie van de binaire mengsels. De dissertatie van Kuenen bevat experimentele gegevens waarmee de theorie van Van der Waals kon worden getoetst. Bij het onderzoek had Kuenen het verschijnsel van de zogenaamde retrograde condensatie gevonden. Kuenens wetenschappelijke werk was vooral gewijd aan de studie van de binaire mengsels. Hij ontwikkelde hiervoor tal van nieuwe instrumenten en mat een grote hoeveelheid gegevens. Hierdoor werd zijn naam gevestigd als een uitstekend experimentator, die overigens voor de problemen die uit zijn proeven voortkwamen, ook theoretische oplossingen gaf. Van groot belang zijn zijn onderzoekingen naar aanleiding van proeven van de Moskouse fysicus B. Galitzin, die tot de gevolgtrekking was gekomen dat de theorie van Van der Waals de verschijnselen in de nabijheid van het kritische punt niet behoorlijk kon verklaren. Kuenen wist met zeer zorgvuldige en originele experimenten aan te tonen dat de conclusie van Galitzin onjuist was. Hij maakte voorts studies van de kritische toestanden van enkelvoudige stoffen en onderzocht in het jaar '13 de persistentie van de moleculaire beweging bij diffusie van gassen. Naast deze meer gespecialiseerde onderzoeksprojecten bleek Kuenens ruimere belangstelling en omvattender vermogen uit een aantal belangrijke bijdragen die hij in handboeken publiceerde, bijdragen die soms zelfs aparte banden konden worden.

Naast zijn hoogleraarschap was Kuenen ook op andere terreinen actief. Zo was hij lid van het curatorium van het Meteorologisch Instituut in De Bilt en lid van de Rijkscommissie voor grondmeting en waterpassing. Naast zijn activiteiten op het terrein van de fysica was hij maatschappelijk en religieus geïnteresseerd. Van dat laatste aspect legde hij in de brochure Natuurwetenschap en godsdienstig geloof (1911) verantwoording af. Verder verleende hij o.a. zijn medewerking aan het Gedenkboek van het Bataafsche Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam 1769-1919 waarin hij 'Het aandeel van Nederland in de ontwikkeling der natuurkunde gedurende de laatste 150 jaren' voor zijn rekening nam. Ook werkte hij mee aan een verantwoorde popularisatie van de vooruitgang van de natuurkunde in De Gids waarvan hij van 1916 tot zijn dood in 1922 redacteur was.

P: W.J. de Haas, 'Lijst van verhandelingen van Professor Dr. J.P. Kuenen' [1892-1917], in Physica 2(1922) 342-344.

L: W.J. de Haas, in Physica 2 (1922) 281-287; H. Kamerlingh Onnes, in Nature 110 (1922) 673-674; Redactie, 'J.P. Kuenen †25 Sept. 1922', in De Gids 86 (1922) IV, 154-155; H.A. Lorentz, 'Kuenen als natuurkundige', in De Gids 86 (1922) IV, 209-215; F. A.F.C. Went, 'Johannes Petrus Kuenen', in Verslag van de gewone vergaderingen der wis- en natuurkundige afdeeling der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 31 (1922) 349-352; M. de Haas, in De Ingenieur 37 (1922) 41 (14 oktober) 821-822; 'Johan Kuenen (1866-1922), grafrede', in H.A. Lorentz, Collected Papers (The Hague, 1939) IX, 404-406.

I: R.E.O. Ekkart e.a., Knappe koppen. Vier eeuwen Nederlands professorenportret (Utrecht [etc.] 1991) 42. [Portret: J.P. Veth, 1922].

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013