Kuile [jr.], Gijsbert Johan ter (1906-1975)

 
English | Nederlands

KUILE [JR.], Gijsbert Johan ter (1906-1975)

Kuile [jr.], Gijsbert Johan ter, archivaris (Ambt-Almelo 24-6-1906 - Zwolle 29-10-1975). Zoon van Gijsbertus Johannes ter Kuile, advocaat, inspecteur Lager Onderwijs, en Geertruida Suzanna Colenbrander.

Ter Kuile stamde uit een gezin met een grote historische belangstelling: zijn vader was gedurende bijna veertig jaar achtereenvolgens secretaris en voorzitter van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsen Regt en Geschiedenis. Een oudere broer was hoogleraar in de geschiedenis van de bouwkunst aan de Technische Hogeschool te Delft.

Na het gymnasium in Deventer doorlopen te hebben, studeerde hij rechten te Leiden, met een duidelijke voorkeur voor het oudvaderlands recht. Zijn leermeester was A.S. de Blécourt, bij wie hij in 1935 promoveerde op een proefschrift Inleiding tot een oorkondenboek..., waarin enkele juridische begrippen werden behandeld ter voorbereiding van zijn latere hoofdwerk. Na enige jaren op de gemeentesecretarieën van Almelo en Assen te hebben gewerkt en na het examen wetenschappelijk archief-ambtenaar eerste klasse te hebben afgelegd, werd hij in 1944 benoemd tot gemeentearchivaris van Breda. In 1946 keerde hij naar de provincie Overijssel terug ten gevolge van zijn benoeming tot gemeentearchivaris van Deventer en bibliothecaris van de Athenaeum Bibliotheek. Ook deze dubbele functie zou hij slechts twee jaren bekleden, want in 1948 volgde de benoeming tot rijksarchivaris in Overijssel. Dit ambt vervulde hij tot 1971, toen hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte.

Als archivaris heeft hij een aantal inventarissen van archieven gemaakt, maar zijn kwaliteiten liggen vooral op het wetenschappelijke terrein. Hij was een bekwaam rechtshistoricus, met een speciale belangstelling voor de Middeleeuwen. In zijn onderzoekingen richtte hij zich bij voorkeur op de regionale omgeving: de geboorteplaats Almelo, het gewest Twente en de provincie Overijssel.

Van zijn hand verschenen meer dan honderd publikaties. Gedurende de jaren van zijn werkzaamheden in Assen hield hij zich met de Drentse en Groningse geschiedenis bezig, hij publiceerde o.a. een tweetal delen van de Drentse 'goorspraken'. In Overijssel ging zijn aandacht uit naar de geschiedenis van de heerlijkheden Almelo, Zalk en Veecaten, naar de kastelen Buckhorst, de Herinckhave en hun bewoners. Als zijn hoofdwerk dient beschouwd te worden het in zes delen verschenen Oorkondenboek van Overijssel, 797-1350 (Zwolle, 1963-1969. 6dl). Reeds in 1931 was hij met voorstudiën voor het oorkondenboek begonnen.

Van betekenis zijn voorts de publikaties over het ontstaan van het wereldlijk overheidsgezag in Overijssel, over het voorspel van de Landsbrief van 1478 en over de rechtspraak en bestuur in Overijssel tijdens de Republiek. Een goede samenvatting van zijn rechtshistorische studiën bieden de twee bijdragen over de rechtskundige verschijnselen in Overijssel in de middeleeuwen en in de nieuwe tijd in het verzamelwerk Geschiedenis van Overijssel. Onder red. van B.H. Slicher van Bath, G.D. van der Heide [et al.] (Deventer, 1970).

Hoewel rechtspraak en bestuur veel aandacht hebben gekregen van Ter Kuile, zijn er ook andere onderwerpen waarmee hij zich heeft beziggehouden. Nieuwe gebieden werden betreden met de geschiedenis van de handel van de IJsselsteden in de veertiende eeuw. De Kamper kooplieden voerden in hun verhouding tot Engeland en Scandinavië een nogal agressieve politiek.

Ter Kuile was een typisch 19de-eeuwse kamergeleerde, geheel opgaande in zijn historische studiën; hij was een wat in zichzelf gekeerd man, een celibatair. Zijn ontspanning bestond uit de dressuur van paarden met een 'moeilijk karakter'. Dit leidde tot een aantal artikelen over de paardensport en -fokkerij, o.a. over de geschiedenis van de paarden in Overijssel in de achttiende eeuw. Zijn conclusie luidde dat het toen met de paardenfokkerij maar droevig was gesteld. Evenals zijn vader vervulde hij een belangrijke rol in de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, gedurende vijftien jaar was hij de secretaris en de spil van deze vereniging (1954-1969). Na zijn aftreden werden zijn verdiensten erkend door de benoeming tot erelid. Van 1972 tot 1975 bekleedde hij het voorzitterschap van de Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht.

P: Behalve in de tekst genoemde werken, bibliografie in onder vermelde publikatie van Slicher van Bath en Eijken en van Ter Kuile, Eijken en Koch.

L: B.H. Slicher van Bath en E.D. Eijken, Gijsbert Johan ter Kuile. Een biografie en overzicht van zijn geschriften aangeboden aan mr. G.J. ter Kuile ter gelegenheid van zijn aftreden als rijksarchivaris in de provincie Overijssel [Kampen, 1971]; 'Het afscheid van mr. G.J. ter Kuile als rijksarchivaris in Overijssel' met 'Toespraak van prof.dr. B.H. Slicher van Bath', in Nederlands Archievenblad 75 (1971) 172-178; E.H. ter Kuile, E.D. Eijken en A.C.F. Koch, in Verslagen en mededeelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis 90e stuk (1975) l-4; E.D. Eijken, in Nederlands Archievenblad 80 (1976) 109-111.

B.H. Slicher van Bath


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013