Laar, Johannes Jacobus van (1860-1938)

 
English | Nederlands

LAAR, Johannes Jacobus van (1860-1938)

Laar, Johannes Jacobus van, scheikundige ('s-Gravenhage 11-7-1860 - Clarens bij Montreux (Zwitserland) 9-12-1938). Zoon van Johannes Jacobus van Laar, paardenarts, en Gerarda Johanna Rost van Tonningen. Gehuwd op 7-4-1885 met Woutera Hendrika Timona ten Brink. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Laar, Johannes Jacobus van

Van Laar verloor al vroeg zijn ouders: zijn moeder overleed in 1862, zijn vader in 1873. Hij bezocht toen de HBS in Haarlem, waar zijn liefde voor de natuur- en scheikunde ontvlamde. Zijn voogden besloten echter dat hij zeeofficier moest worden. Na vier klassen HBS volgde in 1876 tegen zijn zin de opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Nieuwediep. In 1879 werd hij adelborst eerste klasse. Hij maakte drie grote zeereizen, werd in 1881 bevorderd tot luitenant ter zee tweede klasse en nam toen ontslag uit de dienst. Omdat wegens de vooropleiding geen academische graad kon worden behaald, besloot hij voor de middelbare akte te gaan studeren. Van 1881 tot 1884 volgde hij daartoe in Amsterdam de colleges van de chemicus J.H. van 't Hoff, de fysicus J.D. van der Waals sr. en de wiskundige D.J. Korteweg, waarna hij leraar wiskunde aan de HBS te Middelburg (1884-1895) en te Utrecht (1895-1897) werd.

Na een ernstige ziekte kreeg hij in 1897 eervol ontslag met behoud van een kleine uitkering. Gedurende zijn leraarsjaren had hij een aantal leer- en vraagstukkenboeken over algebra en driehoeksmeting geschreven en in 1892 zijn eerste wetenschappelijke artikel gepubliceerd, in 1893 gevolgd door het boek: Die Thermodynamik in der Chemie. Eenmaal met pensioen zette Van Laar zich, ondanks zijn beperkt inkomen, enthousiast tot voortgaand wetenschappelijk werk. In 1898 werd hij toegelaten als privaatdocent in de mathematische chemie aan de Universiteit van Amsterdam. In verband met deze leeropdracht kwam zijn Lehrbuch der mathematischen Chemie in 1901 tot stand. In 1903 werd Van Laar assistent van H.W. Bakhuis Roozeboom. Hij gaf colleges thermodynamica en elektrochemie en, na het overlijden van Bakhuis Roozeboom in 1907, tot de benoeming van A. Smit ook colleges fasenleer. Van 1908 tot 1912 was hij lector in propaedeutische wiskunde voor chemici, maar deze nieuwe opdracht kon hem slechts matig bevallen. Om gezondheidsredenen moest hij ten slotte ontslag nemen. In 1912 vertrok hij naar Zwitserland, waar hij tot zijn overlijden met uiterst bescheiden middelen vrij eenzaam leefde. Hij bleef publiceren en werd vast medewerker aan de Tables annuelles internationales de constantes et données numériques de chimie...

Van Laars verdiensten voor de ontwikkeling van de fysische chemie zijn groot geweest. 'Vooral door zijn critischen zin, maar ook door zijn volharding, [heeft hij] medegeholpen... het gebruik van de thermodynamica in ons land in goede banen te leiden' (Korvezee, 17). De grondslag voor zijn werk was de thermodynamica van J. Willard Gibbs, die hij combineerde met de moleculair-kinetische opvattingen van Van der Waals en met de intuïtieve denkwijze van Van 't Hoff. Een groot deel van zijn omvangrijk oeuvre gaat over de toestandsvergelijking van Van der Waals (1873), die een betrekking aangeeft tussen een druk, temperatuur en volume van een stof, onafhankelijk of die stof aanwezig is als gas of als vloeistof. De in de vergelijking voorkomende stofconstanten zijn voor grote temperatuurs- of druk-intervallen echter niet onveranderlijk. Het was Van Laar die probeerde de vorm van de temperatuur- en drukafhankelijkheid van de beide grootheden te berekenen. De resultaten werden samengevat in zijn Die Zustandsgleichung von Gasen und Flüssigkeiten mit besonderer Berücksichtigung der Veränderlichkeit der Werte von a und b, des kritischen Zustandes und der Theorie der Dampfspannungskurven (1924). Hij onderzocht voorts spinodale en plooi-puntslijnen bij binaire mengsels (1907-1909) en smeltlijnen (1903-1909) en schreef het gedegen werk Die Thermodynamik einheitlicher Stoffe und Lampin binärer Gemische (1935). Daarnaast publiceerde hij veel over de toepassingen van de toestandsvergelijking op de theorie van de homogene en heterogene evenwichten (osmotische druk, 1894; theorie van de oplossingen, 1898; elektrometrische verschijnselen, 1902-1907, enz.). Zijn bovengenoemde leerboeken, evenals zijn Lehrbuch der theoretischen Elektrochemie auf thermodynamischer Grundlage (1907), zijn mathematisch van opbouw. Ze ondervonden in het begin weinig waardering, pas een twintig jaar later werd de grote betekenis ervan erkend. Hoewel de boeken door hun wiskundige behandeling moeilijk zijn, is het een van de grote verdiensten van Van Laar geweest dat hij de behandeling en de toepassing van de thermodynamica op chemische vraagstukken algemeen bekend maakte onder de Nederlandse scheikundigen. Van belang is in dit verband een serie artikelen in het Chemisch Weekblad van 1905, 'Iets over den thermodynamischen potentiaal en zijne toepassingen op scheikundige evenwichtsproblemen', die in 1906 gebundeld werden uitgegeven als: Sechs is Vortrage über das thermodynamische Potential und seine Anwendungen auf chemische und physikalische Gleichgewichtsprobleme. Deze nooit uitgesproken zes voordrachten - voorafgegaan door twee lezingen (over niet-verdunde oplossingen en over de osmotische druk) die wel gehouden werden - bevatten een helder en duidelijk overzicht over het gebruik van de tweede hoofdwet van de thermodynamica voor de scheikunde.

Van Laars wetenschappelijke verdiensten werden in 1924 geëerd met de verlening van een eredoctoraat door de Groninger Universiteit. In 1929 ontving hij de Bakhuis Roozeboom-medaille van de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging voor zijn verdiensten op het gebied van de fysische chemie en in het bijzonder op dat van de fasenleer. In 1930 werd hij corresponderend lid van de afdeling wis- en natuurkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Van Laar was geen gemakkelijk mens. Foutieve werk- of denkwijzen in publikaties van anderen hekelde hij op felle en sarcastische wijze, waardoor hij in conflict kwam met tal van collega's. Ondanks zijn scherp aanvallende en onbarmhartig kritische houding kon hij blijk geven van een groot gevoel voor humor, die weleens wat hatelijk overkwam. Hij was veelzijdig geïnteresseerd, zowel op het terrein van de natuurwetenschappen als op dat van de geesteswetenschappen. Zijn colleges waren zeer levendig en boeiend. Zijn leerling H. R. Kruyt schreef over hem dat hij 'een zeer levendig mens [was] van grote begaafdheid, dien het in het leven tegengelopen is en die daarvan de terugslag ervaren heeft' (Chemisch Weekblad 36 (1939) 19).

P: Chemisch Weekblad 17 (1920) 365-367; 23 (1926)235-236;26 (1929)539;27 (1930)424-427.

L: W.P. Jorissen, 'Dr. J.J. van Laar, 11 Juli 1860-11 Juli 1920", in Chemisch Weekblad 17 (1920) 362-365; 'De uitreiking der Bakhuis Roozeboom-medaille aan Dr. J.J. van Laar', ibidem, 26 (1929) 548-550; F.E.C. Scheffer, 'Dr. J.J. van Laar 70 jaar', ibidem 27 (1930) 418-420; J.E. Verschaffelt, 'J.J. van Laar als natuurkundige', ibidem, 27 (1930) 421-422; W.P. Jorissen, 'Dr. J.J. van Laar (11 Juli 1860-11 Juli 1930)', ibidem, 423^24; H.R. Kruyt, ibidem, 36 (1939) 19-20; A.E. Korvezee, Leven en werken van Dr. J.J. van Laar (Delft, 1954). Inaugurele rede TH Delft.

I: E.P. van Emmerik, Dr. J.J. van Laar and the Dutch school of Thermodynamics (Amsterdam 2005) 146.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013