Landré, Guillaume Louis Frédéric (1874-1948)

 
English | Nederlands

LANDRÉ, Guillaume Louis Frédéric (1874-1948)

afbeelding van LANDRÉ, Guillaume Louis Frédéric (1874-1948) Landré, Guillaume Louis Frédéric (Willem), componist en muziekcriticus (Amsterdam 12-6-1874 - Eindhoven 1-1-1948). Zoon van George Nicolas Landré, commissionair, en Maria Sophia Fromberg. Gehuwd op 26-5-1903 met Wilhelmina Christina Henriette Klinkhamer. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (12-12-1929) gehuwd op 6-2-1935 met Helena Hendrina Luijt. Zij hadden 1 zoon.

Willem Landré stamt uit een oud Hugenotengeslacht, waarvan ook de afstammelingen in Nederland de Franse cultuur steeds in hoge ere hielden. Hoewel in Amsterdam geboren, bracht hij zijn jeugd grotendeels in Haarlem door, waar hij de HBS bezocht en al spoedig een bijzondere muzikale aanleg aan den dag legde. Reeds in zijn schooltijd componeerde hij liederen (de vroegste zijn 1887 gedateerd), die - hoewel uiteraard nog onpersoonlijk van stijl - een opmerkelijke zekerheid in de muzikale factuur vertonen. Zo is het niet te verwonderen dat hij zich na zijn eindexamen op een muzikale loopbaan ging voorbereiden, ofschoon een carrière als uitvoerend musicus niet voor hem was weggelegd omdat hij met misvormde ledematen ter wereld was gekomen. Niettemin slaagde hij erin zich op de piano zó goed te redden, dat hij in staat was met vrucht de lessen in compositieleer te volgen die hij van de befaamde Amsterdamse componist en pedagoog Bernard Zweers (1854-1924) ontving. Uit zijn studietijd zijn vele onuitgegeven composities bewaard gebleven (voornamelijk pianostukken en liederen op Nederlandse en Duitse teksten) die reeds een oorspronkelijk talent verraden. In de openbaarheid trad Landré eerst op 22 maart 1897, toen zijn in 1894/1895 gecomponeerde grote opera in vier bedrijven De Roos van Dekama, op een libretto van Fiore della Neve (=mr. M.G.L. van Loghem), te Haarlem in première ging, zij het ook slechts in concertvorm. Het succes van deze uitvoering heeft er zeker toe bijgedragen dat in 1898 de toen 24-jarige componist een aanstelling kreeg als muziekverslaggever van de stadsredactie van de Oprechte Haarlemsche Courant. Zijn journalistieke werk belette hem echter niet te componeren. Nadat hij in 1895 het zangspel Rozeknopje op een tekst van Annie Nauta en in 1896 een Legende voor viool en orkest had voltooid, volgden in 1898 Heines Erklärung voor bariton en orkest (opgedragen aan de zanger Gerard Zalsman), de orkestwerken La Mort de Chiméra en Ein Vorspiel, en in 1899 een Sonate voor violoncel en piano. In 1900 nam de idealistische uitgever A.A. Noske te Middelburg Drei Lieder van Landré in zijn fonds op (in 1910 voegde hij er nog Drei Liebeslieder aan toe), waardoor zijn muziek voor het eerst voor een groter publiek bereikbaar werd.

In 1901 verliet Landré Haarlem om in Den Haag het muziekredacteurschap van de in dat jaar opgerichte Nieuwe Courant te gaan vervullen. In de nu volgende vijfjaren zijn slechts enkele composities tot stand gekomen, waarvan het Pianokwintet opus 8 in e-moll als enige van het niet-gedrukte oeuvre uit de jaren vóór 1901 door Landré is erkend als van blijvende waarde, zij het ook in een latere omwerking. Tot 1906 heeft Landré in Den Haag gewoond; in dat jaar verhuisde hij naar Rotterdam om daar het muziekredacteurschap van de Nieuwe Rotterdamsche Courant ("NRC) te aanvaarden als opvolger van W.N.F. Sibmacher Zijnen, die in dezelfde functie naar het Algemeen Handelsblad te Amsterdam overging. Eerst in Rotterdam zijn de composities ontstaan die tegen Landré's zelfkritiek bestand zijn gebleven. Dit was reeds in 1906 het geval met de muziek bij Lioba van Frederik van Eeden voor sopraan, declamatie, vrouwenkoor, kinderkoor, strijkorkest en harmonium; de liedfragmenten uit deze partituur heeft Landré later herhaaldelijk gekopieerd, en nog in 1933 heeft hij de Scène uit Lioba voor sopraan en orkest bewerkt. De muziek bij het in 1908 gepubliceerde toneelspel Waarheid en chimère van W.A. van Konijnenburg is onvoltooid gebleven, evenals de muziek bij het mysteriespel Soeur Béatrice van M. Maeterlinck, waarmee de componist moest ophouden, aangezien de dichter weigerde zijn toestemming voor muziekbewerking te geven; deze gang van zaken is diep te betreuren, aangezien juist deze opera op weg was een Nederlandse tegenhanger van Debussy's Pelléas et Méli-sande te worden. Zo kon in 1912 alleen het lied Et s'il revenait un jour op tekst van Maeterlinck worden voltooid, in 1913 gevolgd door de later aan Willem Mengelberg opgedragen Nocturne voor klein orkest.

In dit zelfde jaar werd Landré mederedacteur van het zojuist opgerichte maandblad Het Muziekcollege, en dat bleef hij toen het blad in 1917 werd verenigd met het sinds 1848 bestaande tijdschrift Caecilia. In 1917 werd Landré bovendien benoemd tot hoofdleraar voor muziektheorie, compositie en muziekgeschiedenis aan het Conservatorium voor Muziek, dat de pianist Siegfried Blaauw in dat jaar te Rotterdam had opgericht. Het vele werk dat deze nieuwe functies met zich brachten is er waarschijnlijk de oorzaak van geweest dat de muzikale produktiviteit van Landré tussen 1913 en 1923 volstrekt gestagneerd is geweest (afgezien van een Kinder-Sonatine voor piano uit 1915); eerst in laatstgenoemd jaar werd weer een belangrijke compositie voltooid: In memoriam matris voor orkest, evenals de Nocturne (die op 10 november 1921 door Willem Mengelberg in het Concertgebouw ten doop werd gehouden), jarenlang een repertoirestuk van de Nederlandse orkesten. In de jaren 1924/1925 ontstond de opera Beatrijs, naar een mysteriespel in drie bedrijven van Felix Rutten, die in oktober 1925 te 's-Gravenhage haar première beleefde en in de loop van dit seizoen zevenmaal werd opgevoerd. In februari 1926 werd deze opera zelfs eenmaal in Parijs gegeven door toedoen van de enige instelling op dit gebied die ons land toen kende, de Co-Operatie onder directie van Albert van Raalte en Alexander Poolman. Het tussenspel en de slotscène uit Beatrijs zijn sinds 12 april 1928, toen Mengelberg in Amsterdam de première hiervan gaf, eveneens een vaak geprogrammeerd concertnummer geworden. In 1926 ontstond La vierge à midi (Paul Claudel) voor sopraan en orkest, in 1931 gevolgd door een van de belangrijkste composities van Landré: het Requiem in memoriam uxoris voor 4 soli, gemengd koor en orkest, dat op 18 december 1931 door het Rotterdamse Toonkunstkoor onder leiding van Willem Pijper voor het eerst werd uitgevoerd. Toen in 1934 Landré 60 jaar werd, vond in de Rotterdamse Kunstkring een grootse huldiging plaats, waarbij de jubilaris een gedrukte uitgave van In memoriam matris, de Beatrijs-fragmenten en het Requiem werden aangeboden. Nadat hij in dit zelfde jaar het reeds door vele anderen gecomponeerde Nachtlied uit Also sprach Zarathustra (Nietzsche) van muziek voor alt en orkest had voorzien, kwam hij in 1935 met een Romantisch pianoconcert voor den dag, dat - evenals een aantal a-cappella-koren uit dezelfde tijd, die veel op zangconcoursen gezongen werden ook in druk verscheen.

In 1937 werd Landré gepensioneerd als muziek-redacteur van de NRC. Ook zijn verbintenis met het conservatorium werd beëindigd. Aan het mederedacteurschap van Caecilia en het Muziekcollege was reeds in 1933 een einde gekomen, toen dit tijdschrift opnieuw van uitgever en van naam veranderde en (onder een nieuwe redactie) werd verenigd met het in 1926 door Willem Pijper en Paul F. Sanders gestichte maandblad De Muziek. In 1938 echter, toen Landré inmiddels naar Doetinchem was verhuisd, werd hij opnieuw met de redactie belast, die hij tot september 1944, toen het blad werd opgeheven, is blijven voeren.

Ook als componist is Landré na zijn pensionering actief gebleven. In 1937 ontstond De kinderkruis-tocht (M. Nijhoff) voor declamatie en klein orkest, gecomponeerd voor Joanna Diepenbrock, in 1940 Vier Oud-Nederlandsche geestelijke liederen voor sopraan en klein orkest, in 1942 Op het clockmuzyck 't Aemsterdaem (Vondel) voor gemengd koor en orkest, in 1943 de Kleine suite op E.F. voor orkest, gecomponeerd voor Eduard Flipse, de dirigent van het toen 25 jaar bestaande Rotterdamsch Philharmonisch Orkest, die zich herhaaldelijk over de muziek van Landré heeft ontfermd. Ondanks de ontberingen die de oorlogsomstandigheden met zich brachten, bleef zijn scheppingskracht ongerept: uit 1944/1945 stammen het orkestlied Viaticum (Jos Schreurs), gecomponeerd voor Jo Vincent, en Fragmenten uit het boek Baruch voor sopraan, gemengd koor en orkest, opgedragen aan koningin Wilhel-mina en op 21 februari 1947 door de koorvereniging 'Zang naar studie' te Amsterdam voor het eerst uitgevoerd. In de nieuwjaarsnacht van 1948 is Landré ten huize van zijn dochter te Eindhoven plotseling overleden.

De compositiestijl van Willem Landré heeft zich reeds betrekkelijk vroeg onderscheiden van die van het merendeel zijner Nederlandse tijdgenoten. In plaats van Duitse invloeden (Schumann, Wagner) liet Landré de vernieuwingen op zich inwerken die aan de school van César Franck en aan de jonge Debussy te danken zijn. Deze invloed was reeds dadelijk in zijn muziek bij Lioba uit 1906 te herkennen. Over het algemeen heeft Landré's muziek een elegisch karakter, zonder hymnische hoogtepunten uit te sluiten; langzame tempi en mijmerende stemmingen overheersen, waardoor de zeldzame uitbarstingen, vooral in de grote koorwerken, des te indrukwekkender zijn. In de vocale werken heeft hij zich meer dan welke Nederlandse componist ook op de stijl van Diepenbrock geïnspireerd, waarbij hij echter in harmoniek en modulatie eigen wegen ging en op dit gebied vaak verrassende wendingen wist te bedenken. In zijn contrapuntische schrijfwijze is de gedegen leerschool van Zweers onmiskenbaar, trouwens ook in zijn sobere instrumentatie.

De muziekcriticus Landré heeft in de vele duizenden recensies die hij in een tijdsverloop van 4 decennia heeft geschreven een volstrekt eigen profiel getoond, dat zich kenmerkte door een aangeboren distinctie in woordkeuze en door een spirituele humor, die in de periode vóór het redacteurschap van de NRC nog weleens sarcastisch kon uitvallen. Voor zover het composities betrof, kon op basis van zijn onbetwijfelbare vakkennis een meer dan normale waarde aan zijn oordeel worden toegekend, ook al maakte hij geen geheim van zijn eigen subjectieve voorkeur of afkeer (dit laatste bijv. in zijn vroege Mahler-kritieken). Als het om uitvoerende kunstenaars ging legde hij doorgaans een mildheid aan den dag, die de oppervlakkige lezer in elk geval tot respect voor het gebodene noopte; alleen ingewijden konden tussen de regels door een kritische instelling bespeuren, die opbouwend wilde zijn en vooral jonge artiesten bewust niet wilde ontmoedigen.

A: Archief-Landré in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage, waar ook de meeste orkestmaterialen van Landré's werken zijn ondergebracht.

L: E. Reeser, 'Willem Landré als componist', in Caecilia en De Muziek 91 [8] (1933-1934) 323-326; W. Paap, in Mens en melodie 3 (1948) 19-20; P. Niessing, 'De componist Willem Landré', ibidem, 3 (1948) 40-43; E. Reeser, Een eeuw Nederlandse muziek (Amsterdam, 1950) 275-279; P. Niessing, in Mens en melodie 13 (1958) 34-37.

I: W.A. Wagener, Muziek aan de Maas. Van rietfluitje tot R.Ph.O. (Rotterdam [1968]) 201.

Eduard Reeser


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013