Laudij, Leonardus Alphonse Arture (1875-1970)

 
English | Nederlands

LAUDIJ, Leonardus Alphonse Arture (1875-1970)

Laudij, Leonardus Alphonse Arture (bekend onder de naam Alphons Laudy), journalist en toneelschrijver (Peij, gem. Echt 30-4-1875 - Sittard 17-1-1970). Zoon van Victor Hubert Laudij, aannemer en houthandelaar, en Gertrudis Helena Hubertina Elisabeth Wolfhagen. Gehuwd op 30-6-1900 met Maria Margaretha Hubertina Celestina Close (1872-1902). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na haar overlijden (9-3-1902) gehuwd op 28-4-1904 met Maria Louisa Justina Augusta Close (1875-1951). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Laudij, Leonardus Alphonse Arture

Laudy is afkomstig uit een begaafde familie - zijn broer Eugene was muurschilder en een andere broer, Jean, portretschilder. Hij volgde, na het gymnasium van de jezuïeten in Sittard doorlopen te hebben, aan de Universiteit van Amsterdam privatissima in de thomistische wijsbegeerte van de bijzonder hoogleraar prof. J.V. de Groot O.P., en mogelijk heeft dit hem in zijn rooms-katholieke overtuiging gesterkt. Op 1 juli 1898 werd hij tot redacteur van het katholieke dagblad De Tijd benoemd. Hij ontwikkelde zich tot een all-round journalist, thuis in alle rubrieken. Terwijl hij binnen De Tijd zelf zich op velerlei wijze ontplooide, schroomde hij niet ook van den beginne af zich op talrijke andere fronten te doen horen. Reeds in 1903 publiceerde hij zijn als 'enigszins pathetische werkjes' (A. van Domburg) gekenschetste essaybundels Zwervers en Jan Rap & Co. (beide: Leiden, 1903), waarin hij polemiseerde met Frederik van Eeden en de schrijfster Anna de Savornin Lohman over de leerstelligheid van het geloof en met Henriette Roland Holst over socialisme en caritas. Van 1905 tot 1906 was Laudy bovendien redacteur van het door hem opgerichte Stemmen onzer Eeuw, een katholiek algemeen weekblad dat hij graag wilde ontwikkelen tot een katholieke tegenhanger van De Groene Amsterdammer om de invloed van Van Onzen Tijd te breken. In dit alles was hij de typische representant van de zich emanciperende katholieken - met grote bewondering voor J. Alberdingk Thijm - en hoewel zijn opvattingen over katholieke journalistiek door en door 'rooms' waren, streed hij met overgave tegen de benauwd-orthodoxe stroming van het integralisme in de katholieke kerk van het begin van de twintigste eeuw. Ook was hij een overtuigd voorstander van het mondiger maken van de leken in deze kerk.

Na een halfjaar waarnemend hoofdredacteur te zijn geweest werd Laudy op 29 mei 1914 hoofdredacteur van De Tijd. Dit zou hij tot 31 december 1937 blijven, toen hij een bijna veertigjarige loopbaan afsloot. Op velerlei wijze drukte hij van 1914 af zijn stempel op het dagblad. Onder zijn leiding werd De Tijd de krant van een culturele katholieke elite. Meteen al tijdens de Eerste Wereldoorlog wist hij, dank zij zijn organisatievermogen, de oorlogsberichtgeving in zijn krant op een opmerkelijk niveau te brengen. In de jaren dertig zou hij alle ruimte geven aan de kritische katholieke jongeren en benoemde hij onder meer Anton van Duinkerken (pseud. van W. Asselbergs) tot redacteur van De Tijd. In het bijvoegsel bij de krant voor het weekeinde publiceerde Laudy ingewikkelde beschouwingen over een betere wereld, steeds met een religieus tintje. Uit liefde voor het toneel voerde hij in 1916 de toneelkritiek in De Tijd in en bood hij A. van Domburg in de jaren twintig steeds meer gelegenheid over film te schrijven, toen dit nieuwe medium sinds 1923 verzet in katholieke kring opriep. In die zelfde richting van zelfstandigheid en originaliteit ging Laudy's verdediging van zijn redacteuren tegenover de kerkelijke overheid wanneer dezen naar het oordeel van die overheid te 'modern' of te kritisch waren. Hij stelde dan wel aan zijn redacteuren de eis dat zij voor de 'waarheid' opkwamen en zich tegen de 'lelijkheid' keerden.

Naast veel hoofdredactioneel werk was Laudy buiten zijn krant en - korte tijd - weekblad actief. De liefde voor het toneel bracht hem tot het schrijven van eigen stukken. Zijn treurspel De Paradijsvloek (Amsterdam, [1916]) - première op 9 september 1919 - met Jan Musch als Adam en Wilhelmina van der Horst Melsert als Eva werd niet alleen in Nederland een groot succes, ook in Vlaanderen stond het op het repertoire. De stukken Bethlehem (Amsterdam, [1929]) - een verheerlijking van de vrede - en De man Job (Amsterdam, 1944) - over de overgave aan Gods beschikking - daarentegen waren te bombastisch en vonden weinig bijval. Laudy was ook bezeten van poëzie, declameerde graag - met een voorkeur voor Vondel - en hield zich zelfs bezig met film door het scenario De onbekende soldaat te schrijven. Laudy's sociale instelling blijkt uit zijn zorg voor kinderen uit Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog, waarvoor de Oostenrijkse regering hem onderscheidde. Meer dan dertig jaar was hij bestuurslid van de Vereeniging Sint Vincentius a Paulo in Amsterdam, die zich het lot van armen aantrok. Laudy was bovendien een begaafd spreker met een prachtige stem. Zijn redevoeringen over kerk en paus, student en maatschappij en andere op de actualiteit betrokken thema's trokken volle zalen. Hij ijverde sterk voor een betere ontwikkeling van de katholieken, en in dit licht moet men ook zijn voorzitterschap van de Vereeniging tot Vernieuwing van het Katholiek Onderwijs zien. Omdat hij, zoals W.J.M.A. Asselbergs het heeft uitgedrukt, 'warm voor Vlaanderen voelde, liet hij zijn lezers degelijk voorlichten over de taalstrijd en over de Vlaamse Beweging, na de oorlog ook over het activisme'. Zijn streven voor een samengaan van Noord en Zuid maakte hem in Vlaanderen bekend en geliefd. Hij hield in dit kader ook voordrachten. Zo droeg hij na de Eerste Wereldoorlog van de schrijver en activist René de Clercq het gedicht Terwe. Een landelijk verhaal in verzen 2e dr. (Amsterdam, 1916) met muzikale begeleiding van Hubert Cuypers' muziek voor.

Al deze activiteiten binnen en buiten de krant vielen vooral in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog. Maar na bezettingstijd keerde Laudy nog op 75-jarige leeftijd in de journalistiek terug. Van 1950 tot 1956 was hij hoofdredacteur van de Gazet van Limburg (Maastricht).

Overziet men dit leven dan is het duidelijk dat hierin het dagblad De Tijd weliswaar in het centrum stond maar Laudy ook rondom zijn blad talrijke activiteiten op zijn, vooral in katholieke kring, bekende naam kreeg staan. Hoewel al het geschrevene en gesprokene van Laudy beoordeeld moet worden tegen de achtergrond van de behoefte voor de katholieke voorhoede een volwaardige plaats in de Nederlandse samenleving te veroveren, hebben zijn teksten meer een opvoedend-stimulerend dan propagandistisch karakter. Laudy had de ambitie van zijn krant De Tijd een landelijk dagblad te maken dat zich kon meten met de grote liberale concurrenten Algemeen Handelsblad en Nieuwe Rotterdamsche Courant, maar verloor tegelijkertijd de ontwikkelingen in Amsterdam en het lezerspubliek in de hoofdstad niet uit het oog. Als normen voor een goed journalist hield hij zijn jongere medewerkers voor: eerlijke verslaggeving en de noodzaak inlichtingen steeds bij de hoogste instanties in te winnen. Om dit laatste te kunnen realiseren was zijn devies: goed gekleed gaan, een correct, maar beslist optreden. Van de dagbladcriticus verwachtte hij het handhaven van een opbouwende kritiek, het eerbiedigen van de mening van anderen om daardoor ook ontzag af te dwingen voor een eigen opinie. Een en ander strookte met zijn bezonnenheid, vasthoudendheid en felheid. Tot de kenmerken van zijn persoonlijkheid behoorden echter ook een romantische inslag, een neiging tot pathos en een geestdrift die aanstekelijk werkte op de jonge generatie, die hij graag in zijn omgeving tot ontplooiing zag komen.

P: Behalve de genoemde publikaties honderden artikelen in vooral De Tijd en Stemmen onzer Eeuw: Herinnering aan de vertooning van De Paradijsvloek door het Schouwtooneel. [Met tekstuittreksels en een inl. van J.L. Walch] (Bussum, [ca. 1920]); De verkeerde keus (Amsterdam, 1936).

L: L. van den Broeke, 'Persoonlijke herinneringen aan Alphons Laudy, de "meester van het dagblad", in De Tijd, 28-4-1955; A. van Domburg, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 1969-1970. Levensberichten 131-136; De Tijd. Geschiedenis van een krant. Samengest. door A.J. Buis. 2e dr. (Amsterdam, 1970).

I: Website L1: http://www.l1.nl/l1/nl/html/algemeen/glatopwegnaardefinale/glatopwegnaardefinale.pshe [3-10-2007].

J.M.H.J. Hemels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013