Lobrij van Troostenburg de Bruijn, Cornelis Adriaan (1857-1904)

 
English | Nederlands

LOBRIJ VAN TROOSTENBURG DE BRUIJN, Cornelis Adriaan (1857-1904)

Lobrij van Troostenburg de Bruijn, Cornelis Adriaan (bekend onder de naam Lobry van Troostenburg de Bruyn), chemicus (Leeuwarden 1-1-1857 - Amsterdam 23-7-1904). Zoon van Nicolaas Lobrij van Troostenburg de Bruijn, arts, en Maria Agneta IJsabella Bergsma. Gehuwd op 21-7-1887 met Maria Elisabeth Adriana Simon Thomas. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

Lobry van Troostenburg de Bruyn werd opgevoed in het huis van zijn grootouders Bergsma op de Friesma-State te Idaard, waar hij de dorpsschool bezocht. Naar Leeuwarden teruggekeerd, kwam hij op de lagere school en bezocht hij van 1869 tot 1874 de HBS. Na het admissie-examen Grieks en Latijn te hebben behaald, studeerde hij vanaf 1875 in Leiden chemie bij J.M. van Bemmelen en A.P.N. Franchimont. Bij de laatste was hij van 1881 tot 1883 collegeassistent. Op 13 oktober 1883 promoveerde Lobry de Bruyn op een proefschrift: Verhouding der drie dinitrobenzolen tegenover cyaankalium in alcoholische oplossingen. Promotor was Franchimont. Na zijn promotie studeerde Lobry de Bruyn op de laboratoria van C.A. Wurtz en C. Priedel in Parijs. Teruggekeerd in Leiden (1884) hervatte hij de werkzaamheden als assistent van Franchimont, maar reeds het jaar erop werd hij aangesteld tot scheikundige van de Nederlandse marine in Den Helder.

De benoeming van Lobry de Bruyn tot chemicus van de marine had als voornaamste doel de keuring van schietkatoen voor de torpedodienst. Lobry de Bruyn ging echter veel verder en verrichtte in zijn marinejaren tal van onderzoekingen op organisch en analytisch gebied. Van belang waren zijn vergelijkende studies van methyl- en ethylalcohol als oplosmiddelen, die leidden tot de bereiding van de kristallijne hydroxylamine (1891) en het watervrije hydrazine (1894). Hij verbeterde voorts de bereiding van knalkwik en vond dat, terwijl de meeste suikersoorten onoplosbaar zijn in ethylalcohol, methylalcohol er een goed oplosmiddel voor is. Dit leidde tot de ontdekking van de zogenaamde osaminen (met F.M. van Leent, 1895).

In 1896 werd hij benoemd tot hoogleraar in de organische en de farmaceutische chemie aan de Universiteit van Amsterdam als opvolger van J.W. Gunning. Hij aanvaardde dit ambt op 2 november 1896 met een oratie: De organisch-chemische synthese, haar macht en haar toekomst. In deze oratie verdedigde Lobry de Bruyn de opvatting dat de studie van de natuur in de eerste plaats een zuiver wetenschappelijke moet zijn. Eenmaal in Amsterdam zette hij zijn onderzoek voort: met W. Albarda van Ekenstein verkreeg hij het chitosamine als kristallijne verbinding (1899) en onderzocht hij de inwerking van alkaliën op suikers met zes koolstofatomen (1896). De verandering van het draaiingsvermogen van suikers onder invloed van alkaliën was de aanleiding tot dit belangrijke onderzoek, waarin werd vastgesteld dat de verschillende suikers zich hierbij in elkaar omzetten. Lobry de Bruyns liefde voor de organische chemie blijkt uit een reeks van 19 'Contributions à la connaissance des corps aromatiques nitrés', die tussen 1890 en 1904 in het Recueil des travaux chimiques des Pays-Bas werden gepubliceerd. Hij hield zich ook bezig met de scheikunde van de kolloïden, was geïnteresseerd in technische vraagstukken (zoals een onderzoek van het ontvlammingspunt van petroleum, 1896) en vervulde een adviseurschap voor wis-, natuur- en scheikundige zaken aan het departement van Financiën. In 1902 werd zijn onderwijstaak verlicht door de benoeming van N. Schoorl als lector in de farmaceutische en praktische scheikunde en microchemie, waardoor Lobry de Bruyn zich geheel aan de organische chemie kon wijden.

Naast zijn natuurwetenschappelijk werk had Lobry de Bruyn een grote belangstelling voor de sociale belangen van de Nederlandse chemici. In een serie artikelen, 'Chemici en pharmaceuten' (verschenen in het Pharmaceutisch Weekblad 35 (1899) 37 (14 januari) en 45 (11 maart), verzette hij zich tegen de opvatting dat doctores in de chemie en technologie in tal van betrekkingen met voordeel vervangen zouden kunnen worden door farmaceuten. Omdat naar zijn mening de vooruitzichten een betrekking in de chemie te krijgen verre van gunstig waren, waarschuwde hij de ouders van aanstaande studenten hun zoon geen chemie te laten studeren.

Zijn wetenschappelijke verdiensten vonden erkenning in de benoeming tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam (1897). Uitnodigingen voor een hoogleraarsbenoeming in Wenen (1901) en Utrecht (1902) sloeg hij af.

Als leermeester was Lobry de Bruyn zeer geliefd. Zijn colleges waren 'modellen van zakelijke voordrachten, in uitnemende orde gerangschikt en tevens met zorg voorbereid, wat het experimenteel gedeelte betreft. In zijn laboratoriumleiding gaf hij stuur en richting aan het werk, toonde hij zich bij groote welwillendheid toch een meester, die gaarne bij zijne leerlingen strenge plichtsopvatting en krachtige inspanning aanschouwde', aldus zijn Amsterdamse collega H.W. Bakhuis Roozeboom (Chemisch Weekblad l (1904)966).

P: Bibliografie in Chemisch Weekblad l (1904) 1000-1007 en in Berichte der deutschen chemischen Gesellschaft 37 (1904) 4855-4860.

L: H.W. Bakhuis Roozeboom, in Chemisch Weekblad 1 (1904) 957-971; E. Cohen en J.J. Blanksma, ibidem, 971-999; iidem. Berichte der deutschen chemischen Gesellschaft 37 (1904) 4827-4860; A.G. van de Sande Bakhuyzen, in Verslag van de gewone vergaderingen der wis- en natuurkundige afdeeling van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 13 (1904-1905)238-239.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013