Loder, Bernard Cornelia Johannes (1849-1935)

 
English | Nederlands

LODER, Bernard Cornelia Johannes (1849-1935)

Loder, Bernard Cornelia Johannes, jurist (Amsterdam 13-9-1849 - 's-Gravenhage 4-11-1935). Zoon van Christiaan Lodewijk Loder J.Mzn., koopman, en Cornelia Willemina Cardinaal. Gehuwd op 31-5-1877 met Charlotte s'Jacob. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. afbeelding van Loder, Bernard Cornelia Johannes

Loder volgde te Amsterdam particulier onderwijs. In 1866 begon hij de rechtenstudie te Amsterdam. In 1873 promoveerde hij bij J.T. Buys te Leiden in de beide rechten op De leer der volkssouvereiniteit in hare ontwikkeling, aanbeveling en bestrijding historisch-kritisch beschouwd, het bekroonde antwoord op een door de Leidse Universiteit uitgeschreven prijsvraag. In dit werk, een niet zeer diepgaand overzicht, verwierp Loder de volkssoevereiniteit als grondslag van de staat en wees hij eveneens het goddelijk recht der overheid af. Hij verklaarde zich daarentegen een aanhanger van de organische staatsleer van de Duitse historische school, door hem in overeenstemming geacht met de Nederlandse grondwet. Aan deze conservatief-liberale opvatting bleef Loder zijn gehele leven trouw, zoals o.a. blijkt uit zijn uitlatingen in 1933 tegen het algemeen kiesrecht.

Na zijn promotie vestigde Loder zich als advocaat te Rotterdam. Hij kreeg er een belangrijke praktijk, vooral als specialist in het zeerecht. In 1898 bestreed hij - tevergeefs - een voorstel van het bestuur van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij dat de zeggenschap van de aandeelhouders verregaand beperkte (Het voorstel der ,,Koninklijke" en het recht). In 1897 nam hij, te zamen met T.M.C. Asser, deel aan de oprichting van het Comité Maritime International, dat beoogde door overleg tussen deskundigen de internationale codificatie van het zeerecht te bevorderen. Loder maakte herhaaldelijk deel uit van de Nederlandse delegatie op de diplomatieke conferenties die door het Comité waren voorbereid. Van 1908 tot 1921 was hij raadsheer van de Hoge Raad.

Loder nam deel aan de voorbereiding van de derde Haagse Vredesconferentie,die in 1915 gehouden zou worden, maar door de oorlogsomstandigheden geen doorgang vond. Zijn opvattingen over internationale rechtspraak zette hij uiteen in een verslag, door hem uitgebracht als voorzitter van een studiecommissie van de Organisation centrale pour une paix durable, en gepubliceerd onder de titel Institutions judiciaires et de conciliation ('s-Gravenhage, 1917). Hierin werd de oprichting bepleit van een permanent internationaal gerechtshof en van een raad voor de verzoening van geschillen, beide te 's-Gravenhage te vestigen. In oktober 1918 benoemde minister H. A. van Karnebeek Loder tot voorzitter van de toen gevormde Raad van bijstand van de directie van economische zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierdoor werd hij nauw betrokken bij het buitenlands beleid in de kritieke periode 1918-1920. Zo was hij een van de drie juristen die de regering in januari 1919 advies uitbrachten over de eventuele uitlevering van de voormalige Duitse keizer. Hun conclusie luidde, zij het niet onvoorwaardelijk, afwijzend. In februari 1919 werd Loder benoemd tot lid van de Commissie van advies voor volkenrechtelijke vraagstukken, die in deze jaren voornamelijk belast was met de voorbereiding van Nederlands politiek inzake de Volkenbond. Loder speelde hierin een niet onbelangrijke rol. In 1919 trad hij te Parijs op als gedelegeerde bij de Commissie voor de Volkenbond, in 1920 was hij lid van de Nederlandse afvaardiging naar de eerste vergadering van de Volkenbond.

Een groot aandeel had Loder vooral in de werkzaamheden ter oprichting van het Permanente Hof van Internationale Justitie. Als voorzitter van een voorbereidende conferentie van neutrale mogendheden en als vice-voorzitter van de Volkenbonds-commissie van 10 juristen, die in 1920 beide, resp. in februari en in juni, in Den Haag bijeenkwamen, werkte hij mede aan de redactie van het Statuut van het Permanente Hof. De aanwijzing van Den Haag als zetel van het Hof, van meet af aan door minister Van Karnebeek beoogd, was mede het resultaat van de actie die Loder hiervoor voerde. Hierbij kwam het contact met zijn neef J.A. van Hamel, hoofd van de juridische sectie van het Volkenbondssecretariaat, hem te stade. Loder werd in 1921 benoemd tot lid van het Permanente Hof van Internationale Justitie voor de periode 1922-1930. Hij werd door het Hof tot zijn - eerste - president gekozen (1922-1924). Loder koesterde zeer hoge verwachtingen van de internationale rechtspraak, die hij, o.a. in zijn rede La différence entre l'arbitrage international et la justice internationale (1923), wellicht te zeer onderscheidde van de arbitrage. Kenmerkend voor zijn opvatting van het volkenrecht was zijn afwijkende mening in het vonnis van het Permanente Hof op 7 september 1927 in de 'Lotus'-zaak. De stuurman van de 'Lotus', een Frans schip, was na een aanvaring met een Turks vaartuig door een Turkse rechtbank veroordeeld. Frankrijk betwistte Turkijes rechtsmacht, maar werd door de meerderheid van het Hof in het ongelijk gesteld, aangezien geen regel van volkenrecht zich in dit geval tegen de uitoefening van jurisdictie door Turkije verzette. Loder verwierp dit argument en concludeerde integendeel tot afwijzing van de Turkse eis op grond van algemene volkenrechtelijke principes. Aan deze 'logische rechtsbeginselen' kende Loder hiermee een opvallend grote betekenis toe.

Loder nam deel aan de oprichting van de omstreden Indologische faculteit te Utrecht (1925) en was tot zijn overlijden haar president-curator. Naast zijn bewondering door MW.F. Treub, van wie het initiatief was uitgegaan voor de nieuwe onderwijsinrichting, bedoeld als tegenhanger van de te vooruitstrevend geachte Leidse faculteit, speelden Loders conservatieve sympathieën hierbij ongetwijfeld een rol. Door de controverse rondom de oprichting van de Utrechtse opleiding liet Loder, hoekig en strijdbaar als hij was, zich niet weerhouden. Weinig plooibaar, schuwde hij, uitgaande van zijn hoge opvatting van het recht, krasse uitspraken niet. Zo liet hij zich bij zijn aftreden als lid van het Permanente Hof zeer misprijzend uit over het optreden van de Nederlandse regering, die had bewerkt dat niet de door hem aanbevolen kandidaat J. Kosters, maar een volgens Loder voor het uitoefenen van een rechterlijke functie ongeschikte Nederlandse volkenrechtsgeleerde tot rechter in het Hof benoemd werd. Loder genoot een internationale reputatie, zoals o.a. bleek uit zijn benoeming tot voorzitter van het Brits-Hongaarse gemengde scheidsgerecht (1921). Zijn gezag berustte niet in de eerste plaats op zijn verdiensten als rechtsgeleerde, maar sproot voort uit het respect voor zijn streng gehandhaafde integriteit.

A: Collectie-Van Raalte in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; verder 11 dossiers van Loders activiteiten t.z.v. instellingen zich bewegend op het gebied van het internationale recht in de bibliotheek Vredespaleis te 's-Gravenhage.

L: C. van Vollenhoven, in Grotius annuaire international pour l'année 1923, 1-4; Redevoeringen uitgesproken aan den feestmaaltijd, aan mr. B.C.J. Loder... aangeboden op 14 sept. 1929... [S.L, 1930]; H.A. yan Kamebeek, in De Volkenbond 11 (1935) 2 (nov.) 35-37; J. Kosters, in Grotius annuaire international pour l'année 1936, 8-9; Joh. de Vries, Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954) (Groningen, 1970. 3 dl.); E. van Raalte, Den Haag, zetel van het Internationale Gerechtshof (Zwolle, 1974); E.B. Loder, Herinneringen. Uitg. door H.E. van Valkenburg-Lely et al. [Utrecht, 1980]. Aanwezig in de bibliotheek van het Centraal Bureau voor Genealogie.

I: P.J. van Koppen en J. ten Kate, Tot raadsheer benoemd. Anderhalve eeuw benoemingen in de Hoge Raad der Nederlanden (Arnhem, 1987) 66.

C.G. Roelofsen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013