Louter, Jan de (1847-1932)

 
English | Nederlands

LOUTER, Jan de (1847-1932)

Louter, Jan de, jurist (Amersfoort 3-8-1847 - Hilversum 8-3-1932). Zoon van Johannes de Louter, notaris, en Aletta Willink. Gehuwd op 13-6-1872 met Wilhelmina Louisa Lagers. Uit dit huwelijk werden behalve 1 jong overleden zoon, 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Louter, Jan de

De Louter doorliep het gymnasium te Amersfoort, studeerde vanaf 1865 rechten te Utrecht, en promoveerde aldaar in 1869 cum laude bij J.A. Fruin op een dissertatie over De beperkingen der rechtsbevoegdheid ten gevolge van vermindering der burgerlijke eer. Hij legde hierna het examen voor kandidaat-notaris af, maar koos ten slotte een Indische carrière. Daartoe volgde hij van 1871 tot 1872 o.a. het onderwijs in de staatsinstellingen van Ned.-Indië aan de Rijksinstelling voor onderwijs in de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië te Leiden. Direct daarna ging hij vanaf augustus 1872 het vak staatsinstellingen van Ned.-Indië doceren aan de afdeling Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, een opleiding voor bestuursambtenaren, verbonden aan het gymnasium Koning Wil-lem III te Batavia. Het Handboek van het staats- en administratief recht van Nederlandsch-Indië, in 1875 verschenen, waarvan nog in 1914 een herziene zesde druk uitkwam, vestigde De Louters reputatie als koloniaal deskundige. Spoedig zou blijken dat hij een overtuigd voorstander was van het liberale program inzake het koloniale beleid. Zo bepleitte hij in De Indische Gids (1893) economische vrijheid voor de inheemse bevolking, en voor de Europese ondernemers financiële en bestuurlijke zelfstandigheid van Nederlands-Indië en decentralisatie. Plaatselijke en gewestelijke raden noemde De Louter wenselijk, mede ter wille van de politieke opvoeding van de inheemse bevolking. Als voorzitter van de staatscommissie van 1892 tot herziening van de Indische wetgeving op privaat- en strafrechtelijk gebied toonde hij zich evenmin als in zijn Handboek... een voorstander van het - door C. van Vollenhoven en de Leidse school - 'geliefkoosd adatrecht'.

Na zijn terugkeer naar Nederland in 1877 werd De Louter benoemd aan de Universiteit van Amsterdam tot hoogleraar in het mohammedaans recht en in de geschiedenis en het staatsrecht van Nederlands-Indië. Hij begon zijn onderwijs met een oratie Over het mohammedaansch recht in Nederlandsch-Indië. Deze voor Amsterdam nieuwe leerstoel bleek nauwelijks in een behoefte te voorzien, aangezien aspirant-ambtenaren het staatsexamen prefereerden. De Louter kreeg dan ook geen opvolger in Amsterdam toen hij in 1879 te Utrecht hoogleraar werd in het Nederlands staats- en administratief recht, de wijsbegeerte des rechts en het volkenrecht. Hij aanvaardde zijn ambt, dat hij tot 1912 zou bekleden, met de intreerede Het verband der staatswetenschappen.

Eenmaal op deze Utrechtse post werd De Louter een bekend en in het openbaar veel optredend rechtsgeleerde, die zich meer en meer met politieke aangelegenheden ging bemoeien en die zich, behalve als koloniaal expert, ook deed gelden als deskundige in internationale aangelegenheden. Hij werd een gewaardeerd docent, die in zijn professoraat grote voldoening vond, getuige o.a. zijn afwijzing van het lidmaatschap van de Raad van State. Landelijk bekend werd hij door zijn talrijke artikelen, niet alleen in vaktijdschriften maar ook in dagbladen: o.a. voor het Utrechtsch Dagblad schreef hij talrijke commentaren over koloniale kwesties en internationale aangelegenheden.

De Louters gezaghebbende positie bleek onder meer uit het feit dat hij in 1897 werd uitgenodigd om onderwijs te geven aan koningin Wilhelmina, aanvankelijk in het Ned.-Indisch staatsrecht, vervolgens ook in de Nederlandse bestuursinrichting en in de beginselen van de economie. Op haar verzoek gaf De Louter, toen zij meerderjarig was geworden, in 1900 en 1901 colleges over volkenrecht. Het is niet uitgesloten dat hij daarna soms als informeel raadsman van de Koningin optrad.

Ook in de lokale en regionale politiek speelde De Louter een niet onbelangrijke rol. Hij behoorde in 1887 tot de oprichters van een liberale kiesvereniging te Utrecht en was tussen 1885 en 1907 lid van de Utrechtse gemeenteraad. Van 1898 tot 10 juli 1912 was hij lid van de Provinciale Staten, van 1 mei 1903 tot 10 juli 1912 buitengewoon lid van Gedeputeerde Staten. In de landelijke politiek was hij eveneens actief. Niet toevalligerwijs trad De Louter van 1905 tot 1920 op als docent aan de Hoogere Krijgsschool te 's-Gravenhage. Voortdurend bepleitte hij maatregelen ter versterking van de Nederlandse defensie. Zo wekte hij op tot het invoeren van de persoonlijke dienstplicht en tot steun aan schietverenigingen. Eenzijdige nationale ontwapening, na 1919 door velen in vertrouwen op de Volkenbond voorgestaan, bestreed hij krachtig.

Zijn belangstelling voor de internationale positie van Nederland en voor internationale problemen in het algemeen was al gebleken uit zijn activiteiten ten behoeve van de bedreigde Boerenrepublieken in Zuid-Afrika. In 1891 was hij een der oprichters geweest van de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging, in wier hoofdbestuur hij van 1883 tot 1884 en van 1896 tot 1916 zitting had. Tijdens de Boerenoorlog was De Louter dan ook actief als publicist en als spreker bij manifestaties ten gunste van de Boeren.

Toen De Louter ten slotte zijn hoogleraarschap in het Nederlands staats- en administratief recht verruilde voor een buitengewoon hoogleraarschap in het volkenrecht aan dezelfde universiteit - hij zou dat van 1913 tot 1919 vervullen-wekte deze nieuwe leeropdracht geen verwondering. Reeds sinds ongeveer 1900 was De Louter zich voornamelijk gaan toeleggen op het volkenrecht. Zijn handboek. Het stellig volkenrecht (1910; een enigszins bijgewerkte vertaling. Le droit international public positif, verscheen in 1920), legde al in de titel getuigenis af van het strikte positivisme van de auteur, die zich scherp kantte zowel tegen oudere natuurrechtelijke beschouwingswijzen als tegen contemporaine, zijns inziens irreële, constructies. De grondslag van de nationale soevereiniteit kon, zo betoogde hij bijv. in zijn Utrechtse oratie van 1913, Volkenrecht en statensouvereiniteit, niet verlaten worden zonder dat men het wezen van het volkenrecht aantastte. Juist voor Nederland als kleine staat achtte hij vasthouden aan het positieve recht geboden (De roeping der kleine staten, 1916). Als lid van de Commissie van Advies voor Volkenrechtelijke Vraagstukken (1913-1921) was De Louter betrokken bij het overleg over Nederlands toetreding tot de Volkenbond. Tegenover deze organisatie stond hij gereserveerd-welwillend (De Volkenbond. Een mijlpaal op de weg der rechtsontwikkeling, 1920).

Na zijn emeritaat bleef De Louter een belangrijke deskundige die zich op velerlei wijze in maatschappelijke en vooral academische en politieke kwesties deed horen. Zo werd aan zijn advies toegeschreven dat, na de verwerping van de Vlootwet, de Koningin tijdens de langdurige kabinetscrisis in december 1923 een formatieopdracht gaf aan de partijen der rechterzijde van de Kamer. De Louter verdedigde de - vrij algemeen gekritiseerde - handelwijze van de Koningin nadrukkelijk. Ook geraakte hij in een scherpe polemiek met Van Vollenhoven betrokken door zijn onomwonden steun bij de oprichting van de Indologische faculteit aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (1925). Zijn betrokkenheid demonstreerde hij verder door in de wetenschappelijke raad van toezicht zitting te nemen. Opzien baarde De Louter in 1926 en 1927 door zijn verdediging van het befaamde Nederlands-Belgische verdrag, dat hij ondanks de bezwaren prees wegens zijn betekenis voor de samenwerking van beide staten 'in een goede internationale geest'. Het kwam tot een breuk tussen De Louter en de hoofdredacteur van het Utrechtsch Dagblad, P.H. Ritter jr., die o.a. suggereerde, dat De Louters houding geïnspireerd zou zijn door de minister van Buitenlandse Zaken, H.A. van Karnebeek, een oud-leerling van De Louter, met wie deze nauwe betrekkingen onderhield. De Louter ontkende dit. Er lijkt geen reden om voor zijn houding andere motieven aan te nemen dan de door hem in De Telegraaf uiteengezette, o.a. de vrees voor internationale bemoeienis met het Schelderegime wanneer het verdrag verworpen zou worden.

Zowel door zijn afkomst als door zijn religieuze en maatschappelijke overtuiging was hij een typisch 19e-eeuwse notabele. Van huis uit Nederlands-Hervormd ging hij over naar de Remonstrantse Broederschap en werd hij een gezaghebbend man in de Remonstrantse Gemeente te Utrecht en in de kring van het Vrijzinnig Protestantisme in het algemeen. Zijn liberale politieke opvattingen ontwikkelden zich, vooral na de Eerste Wereldoorlog, in conservatieve richting. In zijn talrijke kranteartikelen en brochures gaf hij, steeds reagerend op actuele gebeurtenissen, waarbij hij door zijn functies niet zelden betrokken was, de opinies van zijn milieu op karakteristieke, vaak gewichtig-pathetische wijze weer. Wetenschappelijke betekenis bezaten De Louters beide Handboeken..., vooral dat over Nederlands-Indisch staatsrecht, dank zij de zorgvuldige ordening van de stof.

A: Collegedictaten in Koninklijk Huisarchief; publikaties van verschillende aard in bibliotheek Vredespaleis; archief - Van Eysinga en - Asser in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; collecties handschriften Universiteitsbibliotheken Utrecht, Leiden en Amsterdam.

P: Lijst der gezamenlijke geschriften en dagbladartikelen van professor mr. J. de Louter, 21 juni 1869 -13 februari 1932 [S.l, 1933]. Verm. uitg. in machineschrift van de gedr. lijst van 1869-1927.

L: W.E. van Dam van Isselt, Prof. Mr. J. de Louter. In memoriam ([S.l.], 1932); J.H.W. Verzijl, in Grotius annuaire international pour l'année 1933, 104-110; G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1901 (Den Haag, 1980) passim.

I: Website Universiteit Utrecht: http://www.uu.nl/uupublish/collecties/geschiedenis/4266main.html [28-6-2007].

C.G. Roelofsen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013