Maarseveen, Johannes Hendrikus van (1894-1951)

 
English | Nederlands

MAARSEVEEN, Johannes Hendrikus van (1894-1951)

Maarseveen, Johannes Hendrikus van, minister (Utrecht 3-8-1894 - Utrecht 18-11-1951). Zoon van Hendrikus Franciscus Van Maarseveen, boekhouder, en Maria Johanna Theodora Sandmann. Gehuwd op 2-8-1923 met Henrica Ferdinanda Maria Hubertina Spierings. Uit dit huwelijk werden 5 zoons en 5 dochters geboren. afbeelding van Maarseveen, Johannes Hendrikus van

Van Maarseveen doorliep het gymnasium in Utrecht en studeerde vervolgens rechten aan de Rijksuniversiteit in zijn geboortestad. Deze studie werd in 1920 afgesloten met een promotie op stellingen bij C.A. Verrijn Stuart. Hij vestigde zich als advocaat en procureur in de Domstad. Daar bekleedde hij ook verschillende functies, onder meer die van juridisch adviseur van het RK Werkliedenverbond. Vanaf 1929 geraakte hij betrokken bij politieke activiteiten, eerst op gemeenteniveau als Utrechts gemeenteraadslid voor de Roomsen Katholieke Staatspartij (RKSP) tot 1937 - van september 1935 tot maart 1937 wethouder van Financiën -en van 1935 af ook als lid van de Tweede Kamer. Met een onderbreking van de bezettingsjaren bleef hij dat tot juni 1946, tot 1945 voor de RKSP en daarna voor de Katholieke Volks Partij (KVP).

Zijn ministeriële loopbaan begon Van Maarseveen in het kabinet-Beel (1946-1948), waar hij de portefeuille van Justitie beheerde. Van Maarseveen, die bepaald niet de ambitie had om zijn advocatenpraktijk in te ruilen voor het toentertijd mager gehonoreerde ambt van minister, bleek echter goed te passen in dit kabinet van het 'nieuwe bestand' tussen socialisme en KVP, aangezien hij door zijn connecties met de katholieke vakbeweging de naam had op maatschappelijk gebied vooruitstrevend te zijn. Als minister van Justitie hakte Van Maarseveen onmiddellijk een aantal knopen door. De slepende zaak van de zuivering van de Hoge Raad der Nederlanden werd op 9 november 1946 afgerond door de benoeming van J. Donner tot president, waarbij het zittende oudste raadslid werd gepasseerd. Het meest klemmende vraagstuk waarin Van Maarseveen voortvarend optrad, was dat van de massaal opgesloten en nauwelijks nog veroordeelde (ca. 70.000) politieke delinquenten. Zich gesteund wetend door de parlementaire meerderheid durfde hij het aan de op dit punt gevoelige Nederlandse publieke opinie te confronteren met de gedachte van een vervroegde vrijlating van het merendeel van deze delinquenten, waarvoor zijn ambtsvoorganger, H.A.M.T. Kolfschoten, al de plannen had laten maken. L.J.M. Beel had al in de Tweede Kamer in het debat over de regeringsverklaring op 9 juli 1946 bekendgemaakt dat het voornemen bestond om het getal van geïnterneerden van 70.000 op 25.000 terug te brengen vóór 1 oktober 1946. Vanuit de Kamer rees daartegen geen verzet. Op 22 augustus 1946 werd de uitwerking van dit plan door Van Maarseveen in een radiorede bekendgemaakt. Hij kondigde aan dat zogenaamde lichte gevallen, die in snelle procedure van de zware (21 categorieën) zouden worden geschift, onvoorwaardelijk of voorwaardelijk in vrijheid gesteld zouden worden. Om de vrijgelatenen in de maatschappij op te vangen, deed Van Maarseveen een dringend beroep op het gevoel van barmhartigheid van het Nederlandse publiek. Van de zijde van het episcopaat had Van Maarseveen zich van de steun voor zijn plannen verzekerd, zoals bleek uit een herderlijk schrijven dat op 11 augustus in alle RK kerken was voorgelezen. Het was de zogenaamde politiek van 'barmhartigheid' die op kritiek stuitte en onverbrekelijk met de naam van de minister verbonden bleef, hoewel aan deze administratieve maatregel van Van Maarseveen ook zakelijke argumenten ten grondslag lagen (kostenvraagstuk, gezinsopvang, gebrek behoorlijke procesgang). Het vrijlatingsbeleid werd doorgezet, zodat begin 1947, later dan Van Maarseveen aanvankelijk had voorzien, het resterend getal politieke gevangenen op 25.000 kwam te liggen. Het mislukken van de massale berechting en zuivering alsook de uitschakeling van de rechter hierbij werd in het parlement- PVDA, Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Communistische Partij van Nederland (CPN) - wel betreurd, maar de vrijlating werd niettemin politiek gesteund.

In het beleid van Van Maarseveen ten aanzien van de politieke delinquenten waren drie met elkaar samenhangende strevingen te herkennen: vermindering van het aantal gedetineerden, bespoediging van de rechtsprocedure en verbetering van de rechtswaarborgen van de verdachten (Stbl. nr. H 206. Wet van 27 juni 1947...) met als uiteindelijke doelstelling vóór alles de versnelde overgang van bijzondere naar commune rechtspleging (Stbl. nr. I 186. Wet van 13 mei 1948...). Ofschoon aanvankelijk vroegere einddata waren verwacht, werden in 1949 en 1950 de Bijzondere Gerechtshoven opgeheven, terwijl in 1952 de Bijzondere Raad van Cassatie zijn werkzaamheden kon beëindigen. Zonder twijfel heeft Van Maarseveens beleid ertoe meegewerkt het parlement te doen instemmen met deze tamelijk snelle afwikkeling van de bijzondere rechtspleging. Hiermee was het vraagstuk van gratieverlening verbonden. Een door het vorige kabinet als richtsnoer aanvaarde nota-Hooykaas van het departement van Justitie beoogde slechts een beperkt aantal executies op grond van uitgesproken vonnissen te doen plaatsvinden, terwijl van de zijde van koniningin Wilhelmina zulk gratiebeleid werd tegengewerkt. Pas in de loop van 1947 gelukte het Van Maarseveen gratieverleningen bij de Koningin door te zetten. Tegen deze beperkte toepassing van de doodstraf kwam wel verzet (protest procureur -fiscaal H.R. de Zaaijer in diens requisitoir in de zaak-Piek, febr. 1947), maar met de steun van het parlement werd zij door Van Maarseveen toch volgehouden.

Ook bij de afwikkeling van de berechting van de economische collaboratie bracht Van Maarseveen in de loop van 1947 een scheiding aan tussen zware en lichte gevallen. Aangezien het toch al moeilijk was bij economische collaboratie de persoonlijke schuld onomstotelijk vast te stellen en van de 30.000 dossiers er pas 10.000 waren behandeld, besliste Van Maarseveen dat nog slechts enkele grote gevallen per bedrijfstak en regio, waarbij zonder dwang in grote mate vrijwillig goederen en diensten aan de Duitsers waren aangeboden uit winstbejag, zouden worden afgehandeld. Het herstel van het land gedoogde niet dat het bedrijfsleven nog langer in onzekerheid zou worden gelaten. Ten aanzien van de uitwijzing van nog in Nederland gevestigde Duitse vreemdelingen die zich in de bezettingstijd openlijk aan de Duitse kant hadden geschaard, is Van Maarseveen strenger geweest dan achteraf weleens werd beseft. Gedurende zijn ministerschap lukte het echter niet meer dan 3500 (raming: 17.000) - op een totaal van 25.000 in Nederland - hier gevestigde Duitse mannen, vrouwen en kinderen als ongewenste vreemdelingen uit te wijzen, vanwege de kerkelijke protesten en tegenstand van de geallieerde bezetters van Duitsland, die niet nog meer mensen in hun zones wilden opnemen. Ook acties van katholieke bladen en een katholieke radiospreker (H.Th.M. de Greeve S.J.) in het voorjaar van 1948 hebben Van Maarseveen in zijn uitwijzingsbeleid belemmerd, waarna de groeiende Duits-Nederlandse betrekkingen het uitwijzingsbeleid hebben beperkt tot uitzetting van notoire nazi's en hun gezinnen.

Nadat het kabinet-Beel na twee jaar was afgetreden om verkiezingen in verband met de grondwetsherziening (Indonesië) mogelijk te maken, werd het kabinet-Drees op bredere basis - ook Christelijk-Historische Unie (CHU) en Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) - gevormd, waarin Van Maarseveen eerst kort minister van Binnenlandse Zaken was en vervolgens optrad als minister (ad interim na 11 februari 1949, definitief sedert 15 juni 1949) voor Overzeese Gebiedsdelen (OG). De KVP'er E.M.J.A. Sassen was nl. in februari 1949 plotseling afgetreden na een geschil binnen de ministerraad over de beoordeling van de Indonesische kwestie na de tweede politiële actie (december 1948) en de bemoeienis van de Verenigde Naties (VN). Van Maarseveen heeft als minister voor OG land en eigen partij - de KVP met haar fractieleider C.P.M. Romme, die zozeer uit was op inperking en liefst liquidatie van de Republiek - gevoerd naar de soevereiniteitsoverdracht en hij was daarna bereid om zelfs het struikelblok Nieuw-Guinea op te ruimen. Aanvankelijk was Van Maarseveen in de KVP-lijn voorstander geweest van de zogenaamde zware unie tussen Nederland en Indonesië, maar tijdens zijn nieuwe ministerschap zag hij in, mede door de zware druk van de VN en van de Verenigde Staten (Marshall-hulp) in het bijzonder, dat veel concessies moesten worden gedaan. Zo heeft Van Maarseveen kort na het aftreden van Sassen zich eerst verzet tegen de VN-resolutie van 28 januari 1949, die om herstel van de door de tweede politiële actie weggevaagde Republiek, instelling van een federale interimregering en soevereiniteitsoverdracht vóór 1 juli 1950 vroeg, maar vervolgens, mede ook onder druk van de deelstaten in Indonesië buiten de Republiek, meegewerkt aan het herstel van de Republiek in Djocja. Met deze Republiek werden onderhandelingen aangeknoopt over het staken van de vijandelijkheden en het organiseren van een Ronde-Tafel-Conferentie (RTC) voor een vervroegde soevereiniteitsoverdracht, waarvan het sluitstuk, de Van Roijen-Roemovereenkomst, op 7 mei 1949 onder verantwoordelijkheid van Van Maarseveen kon worden geparafeerd. Deze gebeurtenis was voor partijgenoot L.J.M. Beel aanleiding om als Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in Indië (19 mei 1949) ontslag te nemen, omdat de voordelen van de politiële actie te niet waren gedaan. In Nederland heeft de KVP onder Romme niet de verantwoordelijkheid willen nemen voor de afwijkingen in het regeringsbeleid sedert het aftreden van Sassen, maar aan de andere kant Van Maarseveen niet geblokkeerd in zijn weg naar de vervroegde soevereiniteitsoverdracht. Van Maarseveen wist aannemelijk te maken dat Nederland geen andere keuze had, waarmede hij zijn eigen partij een illusie - zozeer gebaseerd op het driemanschap Romme-Sassen-Beel - armer maakte. In juni 1949 ging Van Maarseveen voor tien dagen naar Indonesië om de plechtige ondertekening van de nieuwe overeenkomst met de Republiek bij te wonen (22 juni). Regeringsverklaring en debatten over de overeenkomst en de te volgen procedure werden achter gesloten deuren in het parlement (comité-generaal) gehouden (13 juli 1949); bij de openbare debatten in de Tweede Kamer op 16 en 17 augustus 1949 bleek dat een ruime meerderheid in de Kamer, waaronder ook de KVP, het beleid van Van Maarseveen steunde.

Zo kon tussen 23 augustus en 2 november 1949 de RTC plaatsvinden, waarbij Van Maarseveen de Nederlandse delegatie leidde. Ook hier heeft Van Maarseveen nog getracht iets van de zware uniegedachte te redden, maar het resultaat werd niet meer dan een 'lichte' unie tussen twee soevereine staten. Van Maarseveen vond dat de RTC-overeenkomst aanvaard moest worden, omdat anders de Nederlandse positie in de wereld ernstig zou worden aangetast en elke samenwerking met Indonesië verspeeld. De Grondwet was volgens hem op het randje nagekomen. Centraal was voor de regering de vraag geweest: hoe kunnen wij Indonesië redden van de communistische vloedgolf? Zo kon Van Maarseveen de vereiste tweederde-meerderheid oogsten in de Tweede Kamer (PVDA, KVP, VVD en een deel van de CHU) op 8 december 1949 en in de Eerste Kamer (KVP-PVDA-VVD) op 21 december 1949. Op 27 december 1949 vond de plechtige ondertekening van de akte van soevereiniteitsoverdracht plaats in het Koninklijk Paleis te Amsterdam.

Met de nieuwe titel van minister van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen (24 december 1949) trad Van Maarseveen op als leider van de Nederlandse delegatie op de Eerste Unieconferentie te Djakarta (van 25 maart tot 1 april 1950), waar het belangrijkste punt van onderhandelingen was de soevereiniteit over Nieuw-Guinea, dat bij de overdracht in 1949 was uitgezonderd en waarover binnen een jaar zou moeten worden onderhandeld. Deze uitzondering was gemaakt met het oog op het scheppen van een wijkplaats voor Indische Nederlanders, als emigratiegebied voor Nederlanders, maar vooral ook als middel tot verkrijging van voldoende steun in het parlement, omdat het behoud van Nieuw-Guinea onder direct Nederlands gezag nog iets vasthield van de overzeese taak die vele Nederlanders niet wilden opgeven. Indonesië (ook de overige deelstaten buiten de Republiek) wenste echter spoedige invoeging van Nieuw-Guinea, en de eerste Unieconferentie liep op een mislukking uit. Van Maarseveen kondigde op 20 juni 1950 in de Eerste Kamer aan dat het Nederlandse gezag over Nieuw-Guinea gehandhaafd zou blijven totdat de bevolking zelf in volle vrijheid over eigen staatkundige status zou kunnen beslissen. Een aparte Unieconferentie in Den Haag in december 1950, door Van Maarseveen tactisch zo voorbereid dat toch nog opening voor concessies inzake Nieuw-Guinea aan Indonesië werd gelaten, doorbrak de impasse niet. Van Maarseveens pogingen om toch nog een overeenkomst te bereiken waren gestuit op grote bezwaren bij de coalitiepartner, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD), waarbij de proclamatie van de Indonesische eenheidsstaat (augustus 1950) en het drama-Ambon hun belangrijke rol speelden. In een Nieuw-Guineadebat op 23 januari 1951 diende de fractieleider van de VVD in de Tweede Kamer, P.J. Oud, een motie in die voor Ouds partijgenoot in het kabinet, D.U. Stikker, aanleiding was om af te treden, gevolgd door het gehele kabinet. Het Nieuw-Guineaprobleem zou hierna de Nederlandse politiek nog jarenlang belasten.

In het nieuwe kabinet-Drees (1951-1952) keerde Van Maarseveen niet terug op Uniezaken, maar kreeg hij de portefeuille van Binnenlandse Zaken. Tijdens dit kortstondig ministerschap zag hij zich gedwongen de (door de CPN beheerste) gemeenteraad van Finsterwolde tijdelijk buiten werking te stellen, hoewel hij verder een warm voorstander was van gemeentelijke zelfstandigheid. Op 7 april 1951 trad Van Maarseveen op als voorzitter van de grondwetscommissie (herziening: 1953). Op 18 november overleed Van Maarseveen plotseling aan angina pectoris in zijn woning te Utrecht.

Van Maarseveen was een echte jurist die naar recht zocht, dat verdedigde en als advocaat zowel wist het maximum uit een zaak te halen als genoegen te nemen met een redelijk compromis. Vinnig, maar hoffelijk: soepel, maar toch consequent trad hij als minister op in het kabinet en parlement. In de volksvertegenwoordiging gold hij als een levendig, geestig en welbespraakt man. Nederland heeft een -naar gebleken is - te zwaar beroep op hem gedaan bij de oplossing van de twee grootste tragedies in Nederland na 1945: de afwikkeling van de Bijzondere Rechtspleging en die van de dekolonisatie in Indië.

P: Samen met G.C.J.D. Kropman, Wetsontwerp 178. Wat het inhoudt. Wat de gevolgen zullen zijn. Waarom het moet worden afgewezen ('s-Gravenhage, (1931]); samen met D. Beaufort O.F.M., 'n Keerpunt!. Inleidingen, gehouden in de buitengewone vergadering van het RK Werklieden verbond over het wetsontwerp ter verlaging van de openbare uitgaven (Utrecht, 1935).

L: Behalve herdenkingsartikelen o.a. in De Maasbode, 19-11-1951, De Tijd, 19-11-1951, De Volkskrant, 20-11-1951 en van L.G. Kortenhorst en W. Drees, in Verslag der Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gedurende het zittingsjaar 1951-1952, 459-460; A. Stempels, De parlementaire geschiedenis van het Indonesische vraagstuk (Amsterdam, 1950); Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen. Uitg. door S.L.van der Wal ('s-Gravenhage, 1975-1982) V-X; A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag (Assen, 1978); M.D. Bogaarts, 'Weg met de Moffen'. 'De uitwijzing van Duitse ongewenste vreemdelingen uit Nederland na 1945', in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 96 (1981) 334-351; L.G. Karper, 'Mr.dr. Jan Donner', in Vox Justitiae 32 (1981) 3 (maart) 9-11 ; Jan Bank, Katholieken en de Indonesische Revolutie (Baarn, 1983) passim.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: B. Merk; Collectie ANEFO; Van Maarseveen in juni 1949].

M.D. Bogaarts


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013