Mar, Josephina Johanna de la (1898-1965)

 
English | Nederlands

MAR, Josephina Johanna de la (1898-1965)

Mar, Josephina Johanna de la (Fien), toneelspeelster, filmactrice en cabaretière (Amsterdam 2-2-1898 - Amsterdam 23-4-1965). Dochter van Napoleon Christiaan (Nap) De la Mar, acteur en regisseur, en Clasina Margaretha Klopper, actrice. Gehuwd op 28-11-1941 met Pieter Hermanus Grossouw, architect. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Mar, Josephina Johanna de la

Fien(tje) de la Mar (die na 1945 het verkleinwoord schrapte) behoorde, zoals men dat in de Franse theaterwereld omschrijft, tot 'les monstres sacrés': schitterende sterren waarnaast alle medespelenden verbleken. Ze was de laatste telg uit een beroemd toneelspelersgeslacht, dat nu is uitgestorven. Haar grootvader, Charles de la Mar, noemde zijn zoon naar de door hem bewonderde Napoleon Bonaparte en deze noemde op zijn beurt zijn dochter naar Joséphine de Beauharnais.

De algemene ontwikkeling die grootvader Charles en vader Nap in hun jeugd hadden moeten ontberen, kreeg de jonge Fien op de meisjes-HBS in Rotterdam, zodat ze later een internationaal cabaretrepertoire kon opbouwen dank zij haar talen- en literatuurkennis. Maar in haar schooltijd openbaarde zich al haar legendarisch geworden grilligheid en ongedurigheid; drie maanden voor haar eindexamen liet ze de HBS in de steek voor het theater, en haar vader zou daarbij haar eerste leermeester zijn. Het publiek zag haar al gauw samen met Louis Davids in de revue Had je me maar (1916), met haar ouders in de voor haar geschreven operette Madorah (1917) en in het Cabaret van Max van Gelder (1919).

Haar eerste grote toneelrollen speelde zij onder regie van Cor van der Lügt Melsert bij het Rotterdamsch-Hofstad-Tooneel: Pygmalion van Shaw (1928), Het graf van de onbekende soldaat van Paul Raynal (1928), Het proces van Mary Dugan van Bayard Veillez (1928), Minna von Barnhelm van Lessing (1929) en Moortje van Bredero (1932). In haar latere loopbaan werkte zij ook samen met regisseurs als Cees Laseur, Louis Saalbom, Albert van Dalsum, Ko van Dijk, Cruys Voorbergh en Karl Guttman. Door haar ongewone veelzijdigheid was zij uitermate geschikt voor het cabaret: als actrice blonk zij uit in sketches, als chanteuse was ze uniek in Nederlands en buitenlands repertoire. Ze beheerste de komsiche en tragische cabaretfacetten op een volmaakte manier, in een strikt persoonlijke stijl, met de voorname allure van een ware diva. Toch heeft ze het cabaret maar bij vlagen gediend, bij haar vader en haar andere leermeester Louis Davids, bij Rudolf Nelson, Martie Verdenius en Cor Ruys, bij Chiel de Boer, Willy van Hemert en Paul Ostra, én in de door haarzelf samengestelde ensembles (met onder meer de acteur en tekstschrijver Jan van Ees). Toen in de jaren dertig de Nederlandse speelfilm meer en meer aan bod kwam verwierf Fien de la Mar bij een breder publiek bekendheid door haar succesrijke medewerking aan de eerste geluidsfilms, zoals De Jantjes en Bleeke Bet in 1934 en Op stap in 1935.

De bij haar 'triomfantelijk debuut' uitgesproken profetieën heeft Fien de la Mar waargemaakt. Toen, in 1917, hadden de kranten geschreven: 'Fientje doet het geslacht der De La Mars alle eer aan' en 'Aan haar wordt bewaarheid dat het goede bloed, het artiestenbloed zich nooit verloochent.' Maar ook in minder gunstige opzichten was er bij haar sprake van erfelijke aanleg: drank en sex stootten haar herhaaldelijk uit de koers, maakten een harmonische ontwikkeling van haar talenten onmogelijk en zouden haar artiestencarrière eerst telkenmale onderbreken en later in diepe eenzaamheid doen beëindigen. Haar vader, die immens trots op haar was, had veel aan haar wensen en grillen toegegeven en haar door en door verwend. Haar grote acteurstalenten leken haar te gemakkelijk te zijn aangewaaid. Het publiek kon haar bij haar successen op handen dragen en haar talrijke minnaars aanbaden haar. Maar door dit alles geraakte zij uit haar evenwicht. Ze bleef onberekenbaar en onbeheerst, was vaak onredelijk en grof en bracht menigeen met wie zij in aanraking kwam in verwarring of verbijstering. Doch tegelijkertijd bepaalden die grilligheid en verwendheid haar ongewone, fascinerende persoonlijkheid, waarvoor niemand ongevoelig is gebleven. Men kan haar ingewikkelde natuur niet losmaken van haar unieke artistieke prestaties op het terrein van toneel, operette, revue, cabaret en film. De schimmen van haar kunst worden door het Filmmuseum in Amsterdam zorgvuldig bewaard, waardoor het nageslacht er zich van kan overtuigen dat zij van alle Nederlandse spelers in de jaren dertig een van de weinigen was die voor de omschrijving 'movie-star' in aanmerking kwamen. Met de filmschlager Ik wil gelukkig zijn van Jacques van Tol en Hans May zou zij vereenzelvigd worden. Jan Willem Hofstra kon bij haar dood terecht vaststellen: 'Ze bezat alle talenten, behalve dat om gelukkig te zijn.'

In 1943 weigerde Fien de la Mar zich bij de Kultuurkamer te melden en na de bevrijding beleefde zij de grote voldoening om, samen met haar man, Piet Grossouw - met wie ze al heel lang bevriend en in 1941 getrouwd was - in de Mamixstraat in Amsterdam een eigen theater te openen, dat zij de naam van haar vader had gegeven. De come-back van Fien de la Mar was opnieuw een openbaring; als vanouds schitterde zij als cabaretière (Cabaret Cor Ruys 1946; Cabaret Willy van Hemert 1947) en als actrice (Toneelgroep 5 mei 1945: Vrij volk; Lysistrata van Eduard Veterman (1946) en Maya van S. Gantillon (1947) in haar eigen theater). Helaas vormde haar artistieke succes een groot en schril contrast met het zakelijke; als directrice was ze - met haar grillige karakter - een volslagen mislukking, en in 1952 nam Wim Sonneveld het theater over, waarbij het woordje 'Nieuwe' aan de oorspronkelijke naam werd toegevoegd.

Vijf jaar later overleed haar man, die haar loyaal in alles had gesteund en geholpen, en daarna ging het met de toen bijna zestigjarige Fien steeds meer bergafwaarts. Ze deed een mislukte zelfmoordpoging, waardoor ze haar linkerarm niet meer kon gebruiken, en kwam in een inrichting voor geesteszieken terecht. Toch vond ze weer de kracht om opnieuw aan het werk te gaan (bij het ensemble van Karl Guttman en bij de televisie), maar de ondergang kwam toch onbedwingbaar nabij. Gekweld door vervolgingswaan en hysterische woedeaanvallen werd zij voor haar omgeving steeds onhandelbaarder. Op eerste paasdag 1965 trachtte zij door een sprong uit het raam van haar flat in de Beethovenstraat een einde aan haar leven te maken. Zij stierf kort daarna aan de gevolgen.

Het ziet er naar uit dat haar legendarische naam niet zal worden vergeten. Dat werd, zeventien jaar na haar dood, opnieuw bewezen door het aan haar gewijde boek van Jenny Pisuisse en de musical 'Fien' van Ivo de Wijs, Eric Herfst en Joop Stokkermans, met Jasperina de Jong in de hoofdrol.

A: Archief Nederlands Theater Instituut, Amsterdam; verzameling Wim lbo, Amsterdam.

L: J. H. Penning, Voor en achter het voetlicht ('s-Gravenhage, 1949); Wim Ibo. Brieven aan jou (Amsterdam, 1980); Jenny Pisuisse, Fien de la Mar, portret van een kunstenaar (Amsterdam, 1982); Wim lbo. En nu de moraal. Geschiedenis van het Nederlands cabaret, 1936-1981 (Alphen aan de Rijn, 1982)95-105.

I: Jenny Pisuisse, Fien de la Mar, portret van een kunstenaar (Amsterdam, 1982) 90. [Fien de la Mar in de film De Spooktrein, 1939].

Wim Ibo


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013