Marijnen, Victor Gerard Marie (1917-1975)

 
English | Nederlands

MARIJNEN, Victor Gerard Marie (1917-1975)

Marijnen, Victor Gerard Marie, katholiek politicus en burgemeester van Den Haag (Arnhem 21-2-1917 - 's-Gravenhage 5-4-1975). Zoon van Gerardus Wilhelm Marijnen, winkelier, en Cornélie Eugenie Hélène Marie Kimman. Gehuwd op 22-5-1944 met Wilhelmina Geertruida Maria Schreurs. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Marijnen, Victor Gerard Marie

Marijnen ging, na de HBS te Arnhem doorlopen en een aanvullend staatsexamen te hebben afgelegd, aan de RK Universiteit te Nijmegen rechten studeren, welke studie hij in 1941 met het doctoraal examen afsloot. Hierna volgde een juridisch-ambtelijke, politieke en bestuurlijke loopbaan, vrijwel geheel in dienst van de overheid.

Zijn carrière verliep aanvankelijk op het terrein van de landbouw. Van 1941 tot 1945 was hij werkzaam bij de accountantsdienst van de departementen van Landbouw en Visscherij & Handel, Nijverheid en Scheepvaart, terwijl hij daarnaast enige tijd colleges economie te Rotterdam volgde. Van 1945 tot 1949 was hij gedetacheerd bij de Raad voor het Rechtsherstel, belast met de leiding van de afdeling agrarische en agrarisch-industriële beheren . Van 1949 tot 1951 hield hij zich als secretaris van de Stichting voor de Landbouw speciaal bezig met de organisatie van de tuinbouw. Van 1951 tot 1957 was hij weer werkzaam op het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, tot 1953 als adjunct-directeur buitenlandse agrarische handelsaangelegenheden, daarna als directeur van de afdeling agrarische handel en nijverheid en exportbevordering; in deze functies maakte hij deel uit van diverse handelsdelegaties en deed hij zijn internationale ervaring op. Van 1957 tot 1959 was hij algemeen secretaris van de Algemene Katholieke Werkgeversvereniging en het Katholiek Verbond van Werkgeversverenigingen.

Inmiddels gold Marijnen in de Katholieke Volkspartij (KVP) als specialist voor de landbouw en de internationale handelsbetrekkingen. Dat leidde bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1956 en 1959 tot een plaats op de KVP-lijst, die hem maakte tot plaatsvervanger voor een van de kwaliteitszetels. Het was dan ook min of meer verrassend dat hij bij de formatie van het kabinet-De Quay in 1959 weldra de kandidaat van de KVP voor landbouw bleek te zijn. Als minister kreeg Marijnen te maken met de landbouwharmonisatie in het kader van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Tegelijkertijd werd hij geconfronteerd met een groeiend onbehagen onder de boeren. Economische en technologische veranderingen veroorzaakten allerlei structurele problemen in de landbouw. Gebrek aan kapitaal en vakkennis om de mechanisering en rationalisering te kunnen doorvoeren bracht de kleine boer, het traditionele gezinsbedrijf, steeds meer in de knel; bovendien bleef het inkomen van de boer achter bij de snel stijgende produktiviteit, doordat de afzetmarkt niet meegroeide. In het kabinet toonde Marijnen zich een ferm verdediger van het 'groene front' en hij wist ook nieuwe beleidsinstrumenten te ontwikkelen, o.a. ter bevordering van een redelijk bestaan in de landbouw en tot indamming van de uitbreiding van de nationale landbouwproduktie. Maar zijn feitelijk beleid ontlokte - ook van de zijde van de Tweede Kamer, waar vooral de woordvoerder van de antirevolutionaire regeringsfractie, B.W. Biesheuvel, opponeerde - heel wat meer kritiek dan dat van zijn voorgangers; men verweet hem een structuurbeleid te voeren ten koste van de sociale zorg, m.a.w. een beleid dat was gericht op nog meer schaalvergroting en op een wegsaneren van de kleine boer. Dat de kritiek op de overheid onder Marijnen groeide, kwam evenwel niet alleen vanwege de ontwikkelingen in de landbouw zelf, maar had ook te maken met de omstandigheid dat het onbehagen in deze jaren een uitlaatklep vond in de Boerenpartij, die dit onbehagen wist te kanaliseren in een emotionele strijd tegen het verplichte lidmaatschap van het Landbouwschap.

In 1963 werd Marijnen premier van een confessioneel-liberaal kabinet. Deze functie viel hem ten deel doordat de KVP na de voor haar succesvolle verkiezingen voor de Tweede Kamer per se een premier uit eigen gelederen wenste en de populaire demissionaire premier, J.E. de Quay, een tweede ambtstermijn weigerde. Marijnen was al langer de kroonprins van De Quay. Deze had hem leren kennen als een behoorlijk bestuurder en een evenwichtig man, die goede contacten met zijn collega's onderhield. Dat waren eigenschappen die van pas kwamen in de KVP, sinds het vertrek van C.P.M. Romme uit de politiek in 1961 tamelijk stuurloos geworden. Bovendien liet de Koningin tijdens de formatie haar voorkeur voor Marijnen onomwonden blijken. Marijnen formeerde een kabinet, dat wat de politieke samenstelling betreft weliswaar een voortzetting was van het vorige, maar nogal wat nieuwe gezichten telde. Hij bleek spoedig een ploeg bijeengebracht te hebben die uit te veel tegengestelde karakters bestond om ooit homogeen te kunnen worden. De positieve indruk die Marijnen als minister van Landbouw in de omgang met mensen had gemaakt, kon hij, op wiens lijf een politieke leidersrol bepaald niet was geschreven, dan ook niet bestendigen. De persoonlijke verhoudingen in zijn kabinet waren daarvoor te slecht. Hij kreeg geen greep op de regelmatig onderling ruziënde ministers, met name niet op enkele KVP-ministers als G.M.J. Veldkamp en P.C.W.M. Bogaers en de CHU-minister J.E. Andriessen. Weldra wreekte zich hierbij dat Marijnen te weinig eigen visie bezat en de capaciteit miste het regeringsbeleid naar buiten toe op overtuigende wijze te presenteren. Van meet af aan heerste dan ook de verwachting dat het kabinet, gebonden als het bovendien was aan zeer gedetailleerde formatieafspraken (het zg. akkoord van Wassenaar), voortijdig zou vallen, en wel over het financieel beleid. Terwijl de verzorgingsstaat op volle toeren draaide, leek een botsing tussen de op beperking van de stijging van de rijksuitgaven aandringende liberale minister van Financiën, H.J. Witteveen, en de 'spending' ministers van confessionelen huize bij de opstelling van de begroting voor 1966 niet te vermijden.

In de Irene-affaire in 1964 wordt Marijnen over het algemeen overigens wel geprezen voor zijn optreden, dat ongetwijfeld trefzeker is te noemen. Hierbij dient men echter te bedenken dat het vooral de antirevolutionaire vice-premier Biesheuvel - Marijnens opvolger op Landbouw - was die hem aangaf hoe er gehandeld behoorde te worden. Het voornemen van prinses Irene te huwen met prins Carlos Hugo de Bourbon-Parma kon leiden tot ernstige constitutionele verwikkelingen, doordat de prins rechten liet gelden op de Spaanse troon en de Koningin aldus betrokken kon worden bij activiteiten die niet verenigbaar waren met de Nederlandse staatkundige verhoudingen. De regering wist een crisis te voorkomen door prinses Irene, en nog meer haar aanstaande echtgenoot, ervan te overtuigen dat het in de gegeven omstandigheden het beste was dat zij haar rechten op de Nederlandse troon prijsgaf, zodat de wettelijke goedkeuring van het huwelijk, tot het nemen van een initiatief waarvan het kabinet niet bereid was, achterwege kon blijven. En toen de prinses te kennen gaf al vóór het huwelijk te willen deelnemen aan de politieke activiteiten van de prins in zijn Carlistenbeweging, verklaarde Marijnen resoluut geen enkele verantwoordelijkheid meer te zullen dragen voor haar doen en laten en verbood de regering iedere politieke demonstratie bij het huwelijk om te verhinderen dat de Koningin in een politieke actie terecht kwam. Daarop vond het huwelijk plaats in Rome buiten de aanwezigheid van leden van het koninklijk huis - een persoonlijk besluit van de Koningin - en van het kabinet. De affaire werd gecompliceerd door de overgang van prinses Irene naar het katholieke geloof, hetgeen in bepaalde protestantse kringen leidde tot felle antipapistische reacties. Marijnen stelde zich echter vanaf het begin op het standpunt dat de kwestie van de geloofsovertuiging voor de regering geen enkele rol speelde en dat de regering hierin ook geen grond tot discriminatie wenste te zien bij een eventuele troonsbestijging.

Nog voordat de tegenstellingen tussen de ministers konden escaleren bij de voorbereiding van de begroting-1966, struikelde het kabinet in februari 1965 over het omroepvraagstuk. Het kabinet had de Tweede Kamer toegezegd vóór 1 maart 1965 zijn standpunt kenbaar te maken over de wijze waarop reclame in de ether gebracht kon worden en de mate waarin het omroepbestel een meer open karakter moest krijgen. In het kabinet openbaarden zich echter grote meningverschillen tussen de liberale ministers - zij stonden een meer open bestel voor - en hun confessionele partners. Eens te meer bleek toen dat Marijnen er niet de voorzitter van de ministerraad naar was om tegenstellingen van zuiver politieke aard te overbruggen; achteraf hebben betrokkenen de crisis betreurd en het vermoeden uitgesproken dat een doortastender minister-president het compromis zou hebben bedacht, waamee de crisis zou zijn bezworen. Kort voor de fatale datum bood Marijnen het ontslag van zijn kabinet aan, en daarmee werd dit het eerste naoorlogse ministerie dat niet in een conflict met de Kamer sneuvelde, maar aan de problemen in eigen boezem ten onder ging. De oplossing van de crisis werd gevonden in de vorming van een kabinet van een andere samenstelling (KVP, Anti-Revolutionaire Partij (ARP), Partij van de Arbeid (PVDA), waarin voor Marijnen geen plaats was, alleen al vanwege het feit dat de PVDA hem reeds langer had afgeschilderd als een zwakke figuur. Doordat alle overige KVP-ministers wel overgingen naar het nieuwe kabinet, was de wijze waarop Marijnen een einde zag komen aan zijn politieke carrière in de nationale politiek, voor hem bepaald pijnlijk.

Spoedig echter kon hij terugkeren naar het bestuurlijk vlak, waar hij zich beter thuis voelde. Hij bezette weliswaar na zijn aftreden een vacante zetel in de Tweede Kamer, maar gaf die begin 1966 weer op, nadat hij - nog in 1965 - benoemd was tot (de eerste) voorzitter van de kort daarvoor in het leven geroepen Rijnmondraad. Hij vond daar de uitdaging het experiment van bestuurlijke decentralisatie te laten slagen in een situatie waarin allerlei bestuurders in het Rijnmondgebied weinig warm liepen voor deze nieuwigheid. Onvermoeibaar lobbyde hij in Den Haag voor versterking van het gewest, maar op den duur zag hij onvoldoende mogelijkheden voor een krachtige uitbreiding van deze bestuursvorm en raakte hij teleurgesteld. Daarom aarzelde hij in 1968 niet toen hij burgemeester van Den Haag kon worden. Bij de aanvaarding van de benoeming liet hij zich, zo verklaarde hij bij die gelegenheid op een persconferentie, leiden door zijn dadendrang in praktisch-bestuurlijke richting.

In zijn nieuwe functie spande hij zich vooral in voor het herstel van Scheveningen als badplaats en voor de vormgeving van het intergemeentelijk overleg van de Haagse agglomeratie en van de openheid van het plaatselijk bestuur. Ook voerde hij met vasthoudendheid de oppositie aan tegen de spreiding van de rijksdiensten over het land, die hij fataal achtte voor het functioneren van de stad. Zijn vroege dood brak dit werk ontijdig af.

Voor en na zijn ministeriële loopbaan vervulde Marijnen nog diverse functies op het gebied van de kinderbescherming. In 1965 werd hij bovendien voorzitter van de Raad van advies voor de ruimtelijke ordening en van 1965 tot 1972 was hij curator van de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Veel belangstelling had hij voor de Benelux; zo maakte hij rond 1970 deel uit van het door de regeringen van de Benelux ingestelde stimuleringscollege, dat moest adviseren omtrent de vervolmaking van de Economische Unie van de Benelux.

Marijnen was een bekwaam bestuurder, die met zijn uitgesproken voorkeur voor het harmoniemodel in kringen van zijn medewerkers grote sympathie verwierf; hij gold als een samenbindende figuur, die zijn eigen mening niet liet domineren, soepel in de omgang was en in conflictsituaties tactvol optrad. Politiek slaagde hij aanzienlijk minder; hij sprak niet tot de verbeelding van het publiek, kwam stug en onzeker over, beschikte nauwelijks over originele ideeën, inspireerde daardoor weinig en kreeg geen overwicht op zijn politieke collega's, en hij beheerste niet de techniek beleid te 'verkopen'.

P: '25 jaar Benelux', in Nieuw Europa. Tijdschrift voor Europese eenheid 22 (1969) 181-184.

L: F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); H. Hovius, 50 jaar Nederlandse landbouw 1915-1965 (Doetinchem, [1967]); G. Puchinger, Hergroepering der partijen? (Delft, 1968); A. Vondeling, Nasmaak en voorproef. Een handvol ervaringen en ideeën (Amsterdam, 1968); A.T.J. Nooij, De Boerenpartij. Desoriëntatie en radikalisme onder de boeren (Meppel, 1969); E. van Raalte, Staatshoofd en ministers. Nederlands constitutionele monarchie historisch-staatsrechtelijk belicht (Zwolle, 1971) 257-262; Robbert Ammerlaan. Het verschijnsel Schmelzer. Uit het dagboek van een politieke teckel (Leiden, [1973]); J. van Tijn, 'Een Oranjeprinses voor de Carlisten', in Vrij Nederland, 1-9-1973; Jan Joost Lindner in de Volkskrant, 7-4-1975; W.A. Baud, in Die Haghe. Jaarboek 1976, IX-XII; P.J. Oud, Honderd jaren. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840-1940. Bew. en voor de periode na 1940 aangevuld door J. Bosmans 8e herz. dr. (Assen, 1982); P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 ('s-Gravenhage, 1982).

I: J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij, 1945-1980. II: Heroriƫntatie en integratie (1963-1980) (Nijmegen 2000) 150 [Foto: KLIB/KDC].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013