Martin, Wilhelm (1876-1954)

 
English | Nederlands

MARTIN, Wilhelm (1876-1954)

Martin, Wilhelm, kunsthistoricus (Quakenbrück (Duitsland) 20-6-1876 - 's-Gravenhage 10-3-1954). Zoon van Johann Karl Ludwig Martin, geoloog, en Anna Christina Maria Fittica. Gehuwd op 9-8-1906 met Maria Cornelia Visser. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren.

afbeelding van Martin, Wilhelm

Wilhelm Martin verhuisde in 1877 met zijn ouders uit Duitsland naar Nederland wegens de benoeming van de vader tot hoogleraar te Leiden. In deze stad werden ook de jongere zoons uit het gezin geboren, onder wie de latere tekenleraar en directeur van het Fries Museum te Leeuwarden Herman Martin (1881-1968) en de bekende schrijver Hans Martin (1886-1964). Wilhelm Martin bezocht in Leiden de lagere school en het gymnasium, waarna hij in 1894 werd ingeschreven als student in de letteren aan de universiteit aldaar. In 1899 legde hij het doctoraal examen in de Nederlandse letteren af, waarna hij op 20 april 1901 promoveerde bij prof. P.J. Blok op het eerste zuiver kunsthistorische proefschrift dat in Nederland verdedigd werd. Het leven en de werken van Gerrit Dou beschouwd in verband met het schildersleven van zijn tijd (Leiden, 1901). Intussen fungeerde Martin toen reeds enkele maanden als onderdirecteur van het Mauritshuis in Den Haag, waar A. Bredius toen de scepter zwaaide. Hier zette hij de al in zijn studiejaren aangevangen bestudering van de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst voort en ontwikkelde hij zich tot een van de jongere kenners op het terrein dat in die jaren werd beheerst door autoriteiten als Wilhelm von Bode, Abraham Bredius en Cornelis Hofstede de Groot.

Toen Bredius in 1909 aftrad als directeur van het Mauritshuis volgde Martin hem op, daarbij nauwlettend op de vingers gezien door zijn voorganger, die tot 1922 adviseur van het museum was en zich ook nadien nog nauw bij de zaken betrokken voelde. Een belangrijk punt vormde hierbij het grote bruikleen van Bredius aan het Mauritshuis, dat steeds kon worden teruggetrokken indien het museumbeheer niet verliep zoals de vroegere directeur juist achtte. Gedurende zijn gehele directoraat, dat 36 jaar duurde, heeft Martin tot taak gehad zijn eigen beleid met zoveel tact te voeren dat het zijn voorganger niet zou ontstemmen. In deze taak is hij geslaagd, aangezien Bredius bij zijn overlijden in 1946 alle 25 in bruikleen gegeven schilderijen aan het Mauritshuis heeft nagelaten. Intussen had Martin echter kans gezien het museum aanzienlijk te verrijken met belangrijke aankopen en schenkingen, de inrichting te moderniseren en een nieuw restauratiebeleid te verwezenlijken. In 1914 en 1935 publiceerde hij nieuwe wetenschappelijke catalogi van de verzameling ter vervanging van die van Bredius en Hofstede de Groot uit 1895. In verband met de tijdsomstandigheden bleef Martin na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in 1941 aan als museumdirecteur; in 1945 trad zijn opvolger, J.G. van Gelder, in functie, maar na diens spoedige vertrek was Martin in 1946/1947 gedurende bijna een jaar weer waarnemend directeur van het Mauritshuis. Sinds 1934 trad hij bovendien op als directeur van het Rijksmuseum Hendrik Willem Mesdag, een functie die hij tot 1954 heeft bekleed.

In 1907 was Martin benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Leiden, waar hij al vanaf 1904 was opgetreden als privaatdocent. Eenmaal per week gaf hij in Leiden zijn colleges, tot 1921, wegens het ontbreken van een doctoraal examen in de kunstgeschiedenis, uitsluitend voor bij vakstudenten en belangstellenden; ook na dat jaar bleven de opleidingsmogelijkheden die het Leidse extraordinariaat bood beperkt, zeker in vergelijking met Utrecht. Niettemin vormde Martin een reeks kunsthistorici en zijn er onder zijn leiding diverse proefschriften ontstaan, zoals die van J.J. de Gelder (1921), E.H. ter Kuile (1929), W.R. Juynboll (1934), H.T. van Usselsteyn (1936) en H. van de Waal (1940). Toen in het kader van de bezuinigingen bij de universiteit de afzonderlijke functie van directeur van het Prentenkabinet der Rijksuniversiteit werd opgeheven, werd Martin in 1935 tevens belast met het directoraat van deze instelling. In 1942 nam hij deel aan de collectieve ontslagaanvrage van Leidse hoogleraren; in januari 1943 werd hem ontslag verleend onder gelijktijdige aanstelling tot beheerder van het Prentenkabinet. Na de oorlog werd hij wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd niet meer herbenoemd als hoogleraar en trad in zijn plaats H. van de Waal.

Behalve als museumdirecteur en hoogleraar heeft Wilhelm Martin belangrijk werk verricht als publicist. Zijn dissertatie was een van de eerste wetenschappelijke monografieën over een Nederlandse 17e-eeuwse schilder en heeft daardoor steeds haar waarde behouden; later publiceerde Martin nog een hoofdzakelijk uit platen bestaande tweede boek over dezelfde kunstenaar (1912). Vanaf zijn promotie verschenen bovendien artikelen over 17e-eeuwse kunst in bladen als Oud-Holland en The Burlington Magazine for connaisseurs, terwijl hij voor het Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond tal van korte bijdragen en recensies schreef. Met E.W. Moes gaf hij in de jaren 1912-1914 twee delen uit van de door het overlijden van Moes niet voortgezette serie Oude schilderkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1912-1914). In 1918 verscheen Martins Alt-holländische Bilder, een handboek voor verzamelaars, waarin veel aandacht is besteed aan problemen van conservering en restauratie; in 1921 verscheen een vermeerderde herdruk van dit werk. Intussen publiceerde Martin ook diverse werken over kunstenaars uit de late negentiende eeuw, een gebied waartoe hij zich aangetrokken voelde sinds zijn studiejaren, toen hij geaarzeld had tussen de wetenschap en een schildersloopbaan; in 1915 verscheen zijn boek Alben Neuhuys, zijn leven en zijn kunst, in 1917 het samen met mej. G.H. Marius samengestelde werk Johannes Bosboom, 1817-1891 en in 1921 Thérèse van Duyl-Schwartze. 1851-1918. Gedenkboek.

Het zwaartepunt van zijn werkzaamheden rustte echter op de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw, waarbij hij steeds een bijzondere belangstelling ten toon spreidde voor praktische zaken als de manier van werken in een schildersatelier en de wijze van bestaan van een kunstenaar. Van de latere publikaties kunnen worden genoemd enkele beknopte studies over Jan Steen ( 1924,1926) en vooral het tweedelige standaardwerk over De Hollandsche schilderkunst in de zeventiende eeuw (Amsterdam, [1935-1936]. 2 dl.), het hoogtepunt van Martins publicistische werk. Hierin heeft de auteur de resultaten van de onderzoekingen van Bredius, Hofstede de Groot, Bode en anderen gecombineerd met eigen observaties tot een breed overzicht, dat ondanks een zekere veroudering naast nieuwere overzichtswerken een onmisbare bron gebleven is voor elke onderzoeker van de oude Nederlandse kunst. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog publiceerde Martin nog een boek over de Nederlandse schilderkunst uit de tweede helft van de zeventiende eeuw (1950), dat echter meer een platenboek met commentaren dan een overzichtswerk is, een boekje over Rembrandts Nachtwacht (1947) en een monografie over de kunstenaar die hem reeds vele tientallen jaren had beziggehouden, Jan Steen (Amsterdam, [1954]).

Gedurende zijn gehele ambtelijke loopbaan is Martin ook actief geweest in commissies en besturen, al lag hem het vergaderwerk door een zeker gebrek aan strijdlust en strijdvaardigheid niet bijzonder. In de Rijkscommissie voor het Museumwezen, die tussen 1919 en 1921 werkte aan een rapport over de hervorming van het Nederlandse museumwezen en waarvan Martin een der secretarissen was, voelde hij zich weinig op zijn gemak en bleef zijn rol beperkt. Meer op zijn plaats was hij in kleine werkcomités, zoals die voor de voorbereiding van de Jan Steen tentoonstelling te Leiden in 1926 en van de overzichtstentoonstelling Dutch Art 1450-1900 te Londen in 1929. Ook in gezelschappen als het directorium van Teyler's Tweede Genootschap en het Historisch Gezelschap te 's-Gravenhage was hij geheel op zijn plaats. Veel aandacht heeft hij ook steeds besteed aan de monumentenzorg, onder andere als lid van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg en als redactielid van het Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond. Door zijn tijdgenoten is Martin beschreven als een zich weinig op de voorgrond plaatsende, rustige persoonlijkheid, die niet gedreven werd door vechtlust, maar door een hem kenmerkende trouw, hulpvaardigheid en degelijkheid ten opzichte van werk en relaties. Deze eigenschappen zijn terug te vinden in zijn vele werkzaamheden als museumdirecteur, hoogleraar en publicist, waarmee hij een belangrijke plaats heeft ingenomen in de Nederlandse kunsthistorische wereld van de eerste helft van de twintigste eeuw.

A: Kunsthistorische aantekeningen in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te 's-Gravenhage.

P: Behalve de reeds genoemde publikaties, tal van artikelen in o.a. Monatshefte für Kunstwissenschaft, Der Kunstwanderer, Zeitschrift für bildende Kunst en Oude Kunst. Voorts catalogi van enkele particuliere schilderijenverzamelingen, zoals die van Gustav Hoschek en baron L. Janssen.

L: J.G. van Gelder, 'Prof.dr. W. Martin. Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag', in Maandblad voor Beeldende Kunsten 22 (1946) 75-77; H.E. van Gelder, 'Ten geleide', in Nederlandsch Kunsthistorisch Jaarboek 1 (1947) 9-11; idem, in Nieuws-Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 6e serie 7 (1954) kol. 75-78; H. van de Waal, in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1954, 122-123; H.E. van Gelder, 'Herinneringen aan drie paladijnen', in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 6e serie 8 (1955) kol. 165-178; F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage, 1975) 210-213.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 983.

R.E.O. Ekkart


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013