Mengelberg, Friedrich Wilhelm (1837-1919)

MENGELBERG, Friedrich Wilhelm (1837-1919)

Mengelberg, Friedrich Wilhelm (Wilhelm), kerkelijk beeldhouwer (Keulen (Duitsland) 18-10-1837 - Utrecht 6-2-1919). Zoon van Johann Edmund Egidius Mengelberg, kunstdraaier en kranenfabrikant, en Catharina Wilhelmina Leiniger. Gehuwd op 18-10-1866 met Wilhelmina Anna Helena Schrattenholz. Uit dit huwelijk werden 8 zoons en 8 dochters geboren.

Mengelberg stamde uit een familie die reeds verscheidene kunstenaars had voortgebracht. Zijn grootvader Egidius (1770-1849) was een bekend schilder, evenals zijn oom Otto Heinrich (1817-1890). De familie was protestant, pas op zijn achttiende ging Wilhelm tot het katholicisme over. Het is zeer goed mogelijk dat zijn belangstelling voor de middeleeuwse kunst hierbij invloed heeft gehad. Zijn opleiding kreeg hij bij de Keulse beeldhouwer Christoph Stephann (1797-1864) en aan de door zijn grootvader Egidius opgerichte Mengelbergsche Zeichenschule, eveneens te Keulen. Deze opleiding was aanvankelijk in hoofdzaak classicistisch georiënteerd, doch met de komst van de later als architect bekend geworden Friedrich (von) Schmidt werd ook de middeleeuwse kunst, en in het bijzonder de gotiek, in het lesprogramma opgenomen. Dit zou voor Mengelberg van groot belang blijken te zijn. Nadat hij in Keulen zijn leertijd geheel volbracht had, wenste hij zich verder te bekwamen in München of Parijs. In die tijd kwam hij in contact met de Akense kanunnik en oudheidkundige Franz Bock (1823-1899), die hem onder zijn hoede nam en hem verder in de middeleeuwse kunst inwijdde. Mengelberg besloot daarop in Keulen te blijven, waar hij al spoedig opdrachten van belang kreeg. Omdat hij, waarschijnlijk door bemiddeling van Franz Bock, vrij wat werk kreeg in Aken, vestigde hij zich in 1865 in die stad. Het atelier dat hij in Keulen had opgericht kwam nu onder leiding te staan van zijn jongere broer Otto (1841-1891).

In 1868 vervaardigde hij, vermoedelijk wederom door bemiddeling van Franz Bock, een bisschopszetel voor de RK Sint-Catharinakathedraal te Utrecht. Dit werkstuk werd zo goed ontvangen dat Mengelberg door de kerkelijke autoriteiten werd uitgenodigd zich in Utrecht te vestigen. Het is aan te nemen dat dit is geschied op instigatie van de priester G.W. van Heukelum (1834-1910), toen kapelaan aan genoemde kathedraal. Deze geestelijke had vast omlijnde ideeën over kerkelijke kunst, die er in het kort op neerkwamen dat deze in Nederland aansluiting moest zoeken bij de latere gotiek van de Lage Landen, in het bijzonder de Nederrijnse gebieden. Teneinde deze beginselen in breder kring bekend te maken richtte hij in 1869 het Sint-Bemulphusgilde op, een vereniging aanvankelijk alleen voor geestelijken, later echter ook voor leken toegankelijk. Dit gilde organiseerde lezingen, excursies en gaf Het Gildeboek uit met als doel de christelijke kunst in neogotische zin te propageren. Voor de praktische verwezenlijking van zijn denkbeelden had Van Heukelum ook kunstenaars nodig, en Mengelberg was kennelijk precies de man die hij nodig had. Tot de andere kunstenaars die Van Heukelum om zich heen verzamelde behoorden nog de architect Alfred Tepe en de edelsmid Gerard Brom. Met hen zou Mengelberg veel samenwerken.

Mengelberg vestigde zich in Utrecht en woonde daar vanaf 1872 tot aan zijn dood aan de Maliebaan in een door Tepe gebouwd huis. Tot zijn komst naar Nederland had hij voornamelijk naar ontwerpen van anderen gewerkt, nu ontwierp hij het meeste zelf. Zijn atelier bleek een succes. Ondersteund door de geestelijkheid wist hij een brede klantenkring op te bouwen. Zowel in het aartsbisdom Utrecht als in het bisdom Haarlem voerde hij werken uit. In de provincies Noord-Brabant en Limburg kwam hij veel minder aan bod. Het atelier in Keulen bleef onder leiding van zijn broer Otto eveneens bestaan. Na diens dood in 1891 zou dat onder leiding van een andere broer, Edmund, komen te staan, die het in 1897 naar Brühl verplaatste.

Wilhelm had ondertussen zijn contacten met het Rijnland steeds in stand gehouden, zodat hij ook daar belangrijke opdrachten kreeg. Van grote betekenis waren daarvoor zijn contacten met de Keulse domcapitularis Alexander Schnütgen, de oprichter van het invloedrijke Zeitschrift für christliche Kunst, die hem krachtig ondersteunde en verscheidene van zijn ontwerpen in zijn periodiek publiceerde. In 1880 nam hij deel aan een prijsvraag voor de bronzen deuren voor de Keulse dom. Ofschoon er geen eerste prijs werd uitgereikt, kregen enige deelnemers, onder wie Mengelberg, de uitnodiging deel te nemen aan een tweede prijsvraag, waarvan het resultaat overigens pas in 1888 plaatsvond. Daarbij werd Mengelbergs onderwerp voor het noordportaal met de eerste prijs bekroond en vervolgens uitgevoerd. Deze deuren bestaan nog steeds. Ook in Nederland nam hij aan een aantal prijsvragen deel. Bij een wedstrijd voor een nieuw academiegebouw (1878) te Leiden, waarvoor hij met zijn broer Edmund een ontwerp had ingezonden won hij een tweede prijs. Het ontwerp werd echter niet uitgevoerd. In 1895 won hij een prijsvraag voor een monument voor Thomas a Kempis in Zwolle. Dit werd in 1965 bij de afbraak van de St. Michaëlskerk, waarin het was opgesteld, vernield.

Behalve uit dergelijke uitzonderlijke werken bestond de produktie van Mengelbergs atelier voornamelijk uit altaren, preekstoelen, orgelfronten, communiebanken, biechtstoelen, beelden e.d. Hoe groot de totale produktie geweest is, valt niet meer na te gaan, doch thans zijn ongeveer 500 werken bekend. Vrijwel geheel door hem ingerichte kerken zijn: Sint-Nicolaas in Jutphaas, de kerk die Van Heukelum na zijn benoeming tot pastoor aldaar door Tepe had laten bouwen en die als een der schoolvoorbeelden van de trant van het Sint-Bernulphusgilde gold. Verder droeg hij zorg voor de inrichting van andere kerken, zoals in Utrecht:

Sint-Willibrordus, in Schalkwijk: Sint-Michaël, in IJsselstein: Sint-Nicolaas en in Raalte:H. Kruisverheffing. Ook voor de Keulse dom leverde hij verschillende stukken, o.a. kruiswegstaties.

Zijn Utrechtse atelier was in het begin slechts bescheiden van omvang, doch het groeide snel. In 1876 had hij vier medewerkers, in 1885 waren het er al 21, terwijl in 1890 32 mensen in zijn dienst stonden. Voor alle taken beschikte het atelier toen over gespecialiseerde krachten. Van enigen van hen zijn de namen bekend. Een belangrijk medewerker was de beeldhouwer Hubert Ludwig Jungblut (1852-1929), die reeds in Aken bij Mengelberg werkte. Een aanzienlijk gedeelte van het uit Mengelbergs atelier afkomstige beeldhouwwerk moet aan deze kunstenaar worden toegeschreven. Van belang was ook de uit Noord-Holland afkomstige schilder Nicolaas Poland (1862-1949), die omstreeks 1895 in het atelier werd opgenomen. Voor zijn komst werd een groot deel van het schilderwerk uitbesteed. Mengelberg zelf vervaardigde in vrijwel alle gevallen het schetsontwerp, dat dan door zijn medewerkers werd uitgewerkt en uitgevoerd. Deze medewerkers signeerden hun werk vrijwel nooit. Zij allen gaan schuil achter Mengelbergs naam.

Drie van Mengelbergs zonen werden ook in het atelier opgenomen; de oudste, Otto (1867-1924), stichtte later een eigen atelier voor glasschilderkunst. Twee andere zonen, Joseph (1874-1940) en Hans (1885-1945), bleven aan het atelier verbonden en zetten dit na de dood van hun vader voort. Een andere zoon, Willem (1871-1951), zou beroemd worden als dirigent van het Concertgebouw-orkest. Hoe de verhouding was tussen het Keulse en Utrechtse atelier is niet geheel duidelijk. Vast staat wel dat Wilhelm regelmatig werk toespeelde aan zijn broer Otto, toen deze tijdens de Kulturkampf (1871-1878) nauwelijks werk had. In een aantal gevallen voerde Wilhelm door Otto vervaardigde ontwerpen uit, in andere gevallen ging het omgekeerd. Ook met zijn broer Edmund heeft een dergelijke samenwerking bestaan.

De vormgeving van Mengelbergs werk was in hoofdzaak geïnspireerd door de late gotiek, onder andere die van het Rijnland en Vlaanderen. Vooral zijn altaren kenmerken zich dikwijls door een exuberante rijkdom aan ornamentiek en kleur. De door zijn atelier vervaardigde altaren kunnen in hoofdzaak in drie typen worden onderscheiden: het ciboriumaltaar (altaar met overhuiving), het vleugelaltaar en het retabelaltaar zonder vleugels. De ciboriumaltaren komen het minst voor. Genoemd kunnen worden de hoogaltaren van Onze Lieve Vrouw (1874) in Zwolle en de Krijtberg (1886) in Amsterdam. Belangrijke retabelaltaren zijn de hoogaltaren Sint-Vitus (1893) in Hilversum en St. Michael (1893) in Zwolle, thans te Balk (Fr.). Een duidelijke voorliefde had Mengelberg echter voor de vleugelaltaren, die de beide andere typen in aantal ver overtreffen. Te noemen zijn de hoogaltaren in de RK kerken van Jutphaas (1880), Harlingen (1882), Abcoude (1888), Schalkwijk (1888), IJsselstein (1893) en Maria-kerk (1909) te Apeldoorn. Naast de gotiek werden incidenteel ook andere stijlvormen als inspiratiebron gebruikt. Zo zijn verschillende werken in romaanse vormen uitgevoerd, voornamelijk in Duitsland, terwijl een enkele keer ook wel renaissance- of barokvormen werden toegepast. Dit bleven echter uitzonderingen. De andere kerkmeubelen en ook de afzonderlijke beelden zijn over het algemeen minder spectaculair dan de altaren. De preekstoelen varieerden van zeer sobere houten meubelen tot rijk bewerkte zandstenen kansels. In de afzonderlijke beeldhouwwerken werd meestal aansluiting gezocht bij de vormgeving der laatgotische beeldhouwkunst.

Mengelberg was als kunstenaar een typische vertegenwoordiger van de internationale katholieke neogotische beweging. Zijn Duitse afkomst en achtergrond bleef hierbij van groot belang. Ofschoon hij het grootste deel van zijn leven in Nederland woonde, is hij nooit volkomen Nederlander geworden en heeft hij zich ook de Nederlandse taal niet geheel eigen weten te maken. De kunst die Mengelberg voor ogen stond, moest dienstbaar zijn en kan in die zin als gemeenschapskunst worden opgevat. In die opvatting past het ook dat het atelierwerk in zekere zin anoniem blijft, wat geheel in de tradities van vroegere kunstateliers past. Nochtans werd ook Mengelberg beïnvloed door de kunstenaarsopvattingen van zijn tijd, die hem ertoe brachten op onmiddeleeuwse wijze veel van zijn werk te signeren, ook als zijn eigen aandeel eraan maar bescheiden was geweest.

Ateliers voor kerkelijke kunst waren aan het eind van de negentiende eeuw zeer talrijk, en de concurrentie tussen deze instellingen was dikwijls fel. Mengelberg stak echter met zijn atelier kwantitatief, maar vooral ook kwalitatief boven velen van zijn collega's uit. Hij kon zich gesteund weten door een tamelijk duidelijk artistieke doctrine en door veel geestelijken, terwijl hij beschikte over zeer bekwame medewerkers. Daardoor kon hij als weinigen visueel gestalte geven aan de religieuze opvattingen van zijn tijd.

A: Enige tekeningen en foto's in het Rijksmuseum Catharijneconvent, collectie-Sint-Bernulphusgilde.

P: Diverse artikelen, vooral in Zeitschrift für christliche Kunst. Een volledig overzicht zal verschijnen in de hieronder genoemde publikatie van A.J. Looyenga, De Utrechtse School...

L: G. Brom, Herleving van de kerkelijke kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933); H.P.R. Rosenberg. De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972); Peter Bloch, Skulpturen des 19. Jahrhunderts im Rheinland (Düsseldorf, 1975); A.J. Looyenga, 'Eine unbekannte Biographie des Bildhauers Friedrich Wilhelm Mengelberg', in Jahrbuch des Kölnischen Geschichtsvereins 54 (1983) 189-210; A.J. Looyenga, 'De Utrechtse School in de neogotiek' in voorbereiding.

A.J. Looyenga


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013