Mengelberg, Joseph Wilhelm (1871-1951)

 
English | Nederlands

MENGELBERG, Joseph Wilhelm (1871-1951)

Mengelberg, Joseph Wilhelm (Willem), pianist en dirigent (Utrecht 28-3-1871 - Zuort (Zwitserland) 22-3-1951). Zoon van Friedrich Wilhelm Mengelberg, architect, beeldhouwer en schilder, en Wilhelmina Anna Helena Schrattenholz. Gehuwd op 5-7-1900 met Mathilda Elisabeth Augusta Maria Wübbe, zangeres. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Mengelberg, Joseph Wilhelm

Mengelberg stamt uit een geslacht van beeldende kunstenaars te Keulen. Zijn vader maakte naam als architect op het gebied van de rooms-katholieke kerkbouw. In 1870 vestigde deze zich met zijn gezin in Utrecht, waar Willem als vierde kind werd geboren. Muzikale aanleg was bij de moeder aanwezig. De jonge Willem kreeg pianoles en werd op tienjarige leeftijd opgenomen in het koor Sint Gregorius Magnus van de Utrechtse kathedraal. Op aanbeveling van jhr. J.C.M. van Riemsdijk, een vooraanstaande figuur in het Utrechtse muziekleven, kwam hij in 1883 op de Toonkunst Muziekschool, waar M.W. Petri (piano) en R. Hol (theorie) zijn leraren werden. Nadat hij ook het gymnasium doorlopen had, volgde hij van 1888 tot 1891 de muzikale vakopleiding aan het conservatorium in Keulen. Zijn hoofdvakken waren piano (bij Isidor Seiss), directie en compositie (bij Franz Wüllner). Na zijn examen bleef hij nog een jaar in Keulen als leider van de orkestklas van het conservatorium.

Een succesvol optreden als pianosolist bij het Utrechtse orkest in 1890 wees reeds in de richting van een loopbaan als concertpianist, toen Mengelberg in de zomer van 1892 een benoeming aanvaardde als 'städtischer Musikdirektor' in Luzern. Deze veelzijdige functie omvatte het dirigeren van de abonnementconcerten van het stedelijk orkest alsmede het leiden van twee mannenkoren en het gemengd koor van de Cäcilienverein. Voorts kreeg hij de leiding van de plaatselijke muziekschool.

Toen Willem Kes, dirigent van het Concertgebouworkest, in 1895 Amsterdam verliet, werd de 24-jarige Mengelberg, wederom door bemiddeling van Van Riemsdijk, als opvolger benoemd. Hoewel dit orkest, opgericht in nauw verband met de voltooiing van het Concertgebouw (1888), nog niet lang bestond, werd het destijds al beschouwd als een ensemble van nationaal belang. Mengelbergs wens om bovendien over een eigen koor te beschikken werd drie jaar later vervuld: hij volgde toen Julius Röntgen op als dirigent van het Toonkunstkoor Amsterdam. Een concertreis naar Noorwegen op uitnodiging van Grieg in 1898 werd het begin van een lange reeks buitenlandse tournees die Mengelberg met het Concertgebouworkest maakte (Brussel, Londen, Parijs, Frankfurt e.a.). Ook in het eigen land concerteerde het orkest regelmatig in verschillende steden (o.a. Den Haag, Rotterdam). De sociale hervormingen die de administrateur W. Hutschenruyter in 1903 bij het orkest wilde doorvoeren, werden door Mengelberg als een aantasting van zijn gezag beschouwd. Mengelberg kreeg de steun van het bestuur van het Concertgebouw. Hutschenruyter en ruim dertig orkestleden, onder wie de concertmeester André Spoor, namen daarop ontslag. Een positieve ontwikkeling was evenwel de instelling van een pensioenfonds, waarvoor Mengelberg jaarlijks concerten dirigeerde. Van 1905 af werden door hem ook volksconcerten gegeven (toegangsprijs een kwartje).

Zijn snel toenemende bekendheid bracht met zich dat hem weldra extra taken in het buitenland wachtten. In 1905 trad Mengelberg voor het eerst als gastdirigent bij de Philharmonie Society in New York op. Een gastconcert in Frankfurt a.M. leidde ertoe dat hij tot vaste dirigent van de Frankfurter Museumsgesellschaft en de Cäcilien-Verein aldaar werd benoemd (1907-1920). Tussen 1911 en 1914 trad Mengelberg regelmatig op met de Royal Philharmonie Society in Londen. Gedurende tien seizoenen (1921-1930) vertoefde hij jaarlijks drie maanden in de Verenigde Staten als dirigent van het National Symphony Orchestra te New York, dat onder Mengelberg fuseerde met de Philharmonie Society. Deze functie deelde hij o.a. met zijn rivaal Toscanini. Op den duur kwam zodoende het hoofdaccent van zijn activiteiten op het buitenland te liggen. In 1933 gaf hij, ook om fiscale redenen, zijn huis in Amsterdam op, vestigde zich in Zwitserland en leidde het Concertgebouworkest nog maar gedurende drie maanden per jaar. Het was dan ook niet verwonderlijk dat zijn benoeming in 1934 tot bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht niet meer dan een façade zou blijken te zijn. Maar wel bleek uit deze benoeming hoe hoog Mengelbergs roem in Nederland gestegen was - hij behoorde tot de meest bekende en bewonderde Nederlanders volgens enquêtes die door het weekblad Het Leven gehouden waren.

Terwijl veel van zijn vooraanstaande vrienden en collega's (Arnold Schönberg, Bruno Walter en Otto Klemperer) Duitsland in 1933 verlieten, heeft Mengelberg zich nooit actief tegen het opkomende nazisme verzet. Ofschoon hij Nederlands-gezind was, kunnen hierbij zijn Duitse afkomst en sterk op het Duits-nationale muziekleven gerichte belangstelling een rol hebben gespeeld. In Duitsland en tijdens de oorlog bezette landen heeft hij zijn werkzaamheden onverminderd uitgeoefend. Zo dirigeerde hij begin juli 1940 in Berlijn een Tsjaikowski-herdenkingsconcert en in juni 1944 een Beethoven-cyclus te Parijs. Bovendien hebben enige van geen politiek inzicht getuigende uitlatingen van hem kwaad bloed gezet. Bij de zuiveringsacties na de bevrijding werd de 74-jarige dirigent door de Ereraad voor de Muziek op 2juli 1945 een dirigeerverbod voor de duur van het leven opgelegd. Een herziening van deze uitspraak twee jaar later door de Centrale Ereraad voor de Kunst, waarbij Mengelberg van 1951 af weer zou mogen optreden, heeft geen praktische uitwerking meer gehad. Enkele maanden vóór de gestelde termijn overleed hij in Zwitserland. Op zijn 80e verjaardag werd hij in Luzem ter aarde besteld.

De betekenis van Mengelberg voor het muziekleven is zeer opvallend en veelzijdig geweest. Door zijn nauwgezette en langdurige repetities ontwikkelde hij rond de eeuwwisseling een orkestdiscipline die tot dan toe ongekend was. Zijn vermogen te enthousiasmeren betrof zowel de musici als het publiek, dat hij tot een hogere graad van discipline wist te brengen. Hij hechtte ook grote waarde aan een goede koorcultuur. Jaarlijks gaf hij uitvoeringen met het Toonkunstkoor Amsterdam, o.a. sinds 1899 van Bachs Matthäus Passion op Palmzondag.

Dat hij bij Bachs passiemuziek grote bezettingen niet schuwde blijkt uit de uitvoering van 14 april 1911 te Frankfurt, waaraan niet minder dan 1650 musici meewerkten. Van meet af aan stond hij open voor een veelzijdig, internationaal repertoire, waardoor nieuwe stromingen in de muziek de volle aandacht kregen. Het aandeel van de Nederlandse muziek in zijn programma's was aanzienlijk: ongeveer een derde van de honderden door Mengelberg gebrachte premières besloeg werken uit eigen land. In 1902, 1912 en 1935 werden in Amsterdam Nederlandse muziekfeesten gehouden. Daarnaast waren er andere omvangrijke projecten. De grootste bekendheid verwierf het Mahler-Feest van 1920: een cyclus van negen concerten waarin vrijwel het gehele oeuvre van Mahler werd uitgevoerd. Mengelbergs affiniteit met deze kunstenaar was al sinds 1903 gebleken. Er ontstond in Amsterdam een Mahlercultus, uniek in Europa. Behalve Mahler werden door hem ook andere prominente componisten naar Nederland uitgenodigd om te dirigeren, zoals R. Strauss, met wie Mengelberg zeer bevriend was, Schönberg, Ravel en Stravinsky. Strauss, Rachmaninov, F. Schreker e.a. droegen composities aan hem op. Tijdens Mengelbergs buitenlandse reizen namen na 1921 Carl Muck, Pierre Monteux en Bruno Walter zijn taak bij het Concertgebouworkest waar.

De interpretaties van Mengelberg zijn te beluisteren op grammofoonplaten die sinds 1922 voornamelijk door His Master's Voice, Columbia en Telefunken zijn gemaakt. De tijdgenoten hebben de Mengelbergconcerten van 1928 af ook via de radiouitzendingen van de AVRO kunnen volgen. In 1931 is van het Concertgebouworkest in Frankrijk een film gemaakt. Mengelberg ontving talrijke onderscheidingen in binnen- en buitenland, o.a. een eredoctoraat van de Columbia University (New York).

Mengelberg had ook beperkingen. Zo heeft hij zich vrijwel nooit op het terrein van de opera bewogen. Er is dan ook geen samenwerking met de in Amsterdam zo actieve Wagnervereemging tot stand gekomen. Toen er sprake was van het plaatsen van een operagebouw tegenover het Concertgebouw in Amsterdam heeft Mengelberg zich daartegen verzet. De weinig principiële houding die hij na ca. 1935 tegenover de Duitse machthebbers heeft aangenomen, gaf aanleiding tot ernstige openbare kritiek, die Mengelberg in wezen niet heeft begrepen. Daardoor vervreemdde hij van Nederland. Sinds de jaren zestig is er een hernieuwde belangstelling voor het werk van Mengelberg, o.a. door de Mengelberg Society in de Verenigde Staten. De Zwitserse vakantiewoning ('Chasa') die Mengelberg in 1912 in Zuort bij Vna had laten bouwen, wordt door de Mengelberg Stiftung als zomerverblijf voor musici in stand gehouden.

A: Het omvangrijke Willem Mengelberg-archief bevindt zich in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: The essence and the effect of music (New York, [1928]). Rede t.g.v. eredoctoraat in de muziek van Columbia University; De taak en de studie der reproductieve toonkunst (Utrecht, 1934). Inaugurele rede te Utrecht. Verder composities (niet gepubliceerd): werken voor mannenkoor en enkele gelegenheidsstukken, o.a. 'Preludium over het oude Wilhelmus' voor orkest (1898); 'Feestzang' (1901); 'Improvisaties op een thema bij etsen van Rembrandt' voor orkest (1906).

L: H.L. Berckenhoff, 'J. Willem Mengelberg', in Woorden beeld. Geïllustreerd maandschrift 4 (1899) 207-211; Willem Hutschenruyter, Het Concertgebouw-conflict (Amsterdam, 1904); S. van Milligen,' Onze voornaamste orkesten en orkestdirigenten', in Caecilia 67 (1910) 1-13; Mahler-Feest, 6-21 mei 1920. Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Willem Mengelberg [Amsterdam, 1920]; Gedenkboek Willem Mengelberg, 1895-1920 ('s-Gravenhage, 1920); H. Nolthenius, Willem Mengelberg (Baarn, 1920); A. van den Boer, De psychologische beteekenis van Willem Mengelberg als dirigent (Amsterdam, [1925]); E. R. Sollitt, Mengelberg (Haarlem, 1931); Nederlandsch Muziekfeest 1935. Ter gelegenheid van het 40 jarig jubileum van Prof. Dr Willem Mengelberg als dirigent van het Concertgebouw [Amsterdam, 1935]; Mengelberg zooals de tekenaar Georges Augsbourg hem ziet (Amsterdam, [1937]); B. Shore, The orchestra speaks (London, 1938) 109-125; 'Zaak Mengelberg', in Tribunalen in Nederland 4(1947) 49-55; S. A.M. Bottenheim, Geschiedenis van het Concertgebouw (Amsterdam, 1948-1950. 3 dl.); W. Paap, Willem Mengelberg (Amsterdam [etc.], 1960); H.C. Schonberg, The great conductors (London, 1968); Der Frankfurter Cäcilien-Verein 1818-1968. Ges. von Friedrich Stichenoth (Frankfurt a.M., [1968]); O. Glastra van Loon, Onder de stenen lier (Amsterdam, 1969); D. Wooldridge, Conductor's world (London, 1970) 153-165; Herdenkingstentoonstelling Willem Mengelberg (1871-1951). Haags Gemeentemuseum, 20 maart-9 mei 1971. Catalogus samengest. door A.F. Bax [et al.] ['s-Gravenhage, 1971]; E.Bysterus Heemskerk, Over Willem Mengelberg 1871-1951 (Amsterdam, 1971); Willem Mengelberg; a discography compiled by B. Dessing. 2nd. rev. éd. (Slagelse, 1976); Gustav Mahler und Holland. Briefe hrsg. und eingel, von Eduard Reeser (Wien, 1980); Mengelberg-nummer in NOS Fonotheek Muziek Bulletin 2 (1980) 5 (maart) 1-60; B. Türcke, 'The Schoenberg-Mengelberg correspondence', in Journal of the Arnold Schoenberg Institute 6(1982)181-237.

I: E.Bysterus Heemskerk, Over Willem Mengelberg 1871-1951 (Amsterdam, 1971) 31 [Willem Mengelberg in 1902].

C. von Gleich


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013