Meulen, Henri ter (1871-1942)

 
English | Nederlands

MEULEN, Henri ter (1871-1942)

Meulen, Henri ter, scheikundige (Amsterdam 30-11-1871 - 's-Gravenhage 24-6-1942). Zoon van Karel Eduard ter Meulen, koopman, en Jacoba Balthina Elisabeth Damalvy Molière. Gehuwd op 6-7-1899 met Paulina Johanna Blom-hert. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Ter Meulen studeerde, na de HBS in Haarlem te hebben doorlopen, chemische technologie aan de Polytechnische School te Delft (1889), waar hij in 1895 het diploma voor scheikundig ingenieur behaalde. Hij werd assistent voor scheikunde bij S. Hoogewerff. Bij de reorganisatie van de Polytechnische School tot Technische Hoogeschool volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de analytische scheikunde en de scheikundige bouwstoffen (1905). Hij zou dit hoogleraarschap tot juni 1936 blijven vervullen. Waardering voor zijn wetenschappelijk werk was hem daarvóór allerminst onthouden. De gouden Hoogewerff-penning werd hem in 1930 verleend voor zijn onderzoek op het terrein van de elementanalyse. In 1931 verwierf hij het lidmaatschap van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Het jaar daarop verleende de Universiteit van Amsterdam hem het doctoraat honoris causa in de natuurwetenschappen. In Delft zelf trad hij ook naar voren als rector magnificus voor het cursusjaar 1931/1932, waarbij hij zijn oratie hield over 'De elementen van het levend organisme' (Jaarboek T.H. Delft 1932, 3-16).

Het wetenschappelijk werk van Ter Meulen is in twee perioden te verdelen. In het begin van zijn loopbaan deed hij vooral biochemische onderzoekingen en bestudeerde hij glucosiden (als indicaan en mosterdglucosiden) en de aard van de suikers daarin. Van belang is zijn methode om in glucosiden de aanwezige suiker met grote zekerheid aan te tonen door gebruik te maken van de specifieke werking van enzymen en van de massawerkingswet. Ter Meulen toonde aan dat deze wet volkomen geldigheid bezit bij enzymatische reacties en tevens dat deze reacties omkeerbare processen zijn, zodat hiervan gebruik zou kunnen worden gemaakt om de natuurlijke glucosiden uit hun bestanddelen op te bouwen.

Groter bekendheid kreeg Ter Meulen met zijn analytisch-chemisch werk, waaraan hij vanaf de jaren '20 heeft gewerkt. Hij slaagde erin de gangbare oxydatieve analysemethoden van een aantal elementen in organische verbindingen te vervangen door een katalytische reductieve methode. Onder gebruikmaking van de katalytische werking van een aantal metalen als platina en nikkel wist hij de te bepalen elementen (zuurstof, stikstof, zwavel, chloor, broom, jood, arseen, kwik, cadmium) kwantitatief om te zetten in de respective waterstofverbindingen, waarvan de hoeveelheid kwantitatief werd bepaald. Niet alleen waren de door hem ontwikkelde analysemethoden minder omslachtig en vooral veel minder tijdrovend dan de toen gebruikelijke, maar ook de nauwkeurigheid was veel hoger. De organische elementenanalyse heeft door zijn werk een grondige verandering ondergaan. Met zijn hydreringsmethode wist hij voor het eerst ook zuurstof direct te bepalen, waarmee de elementanalyse definitief werd afgesloten. De methode was ook van groot technisch belang. Zwavel kon hiermee worden bepaald in metaalertsen en in organische verbindingen als petroleum. Stikstof en zwavel konden op eenvoudige wijze in moeilijk aantastbare materialen als cokes, voedingsmiddelen en meststoffen worden bepaald, terwijl de methode ook toepasbaar was op de bepaling van vluchtige elementen (kwik, cadmium, zink, arseen). De resultaten van zijn onderzoekingen legde Ter Meulen neer in de Recueil des travaux chimiques des Pays-Bas (vanaf 1922). Met J. Heslinga schreef hij het boek: Nieuwe methoden voor elementairanalyse (1925, 2e dr. 1930), waarvan een Duitse en een Franse vertaling verschenen (1927). Gedurende zijn hoogleraarschap werd onder Ter Meulens leiding een nieuw analytisch-chemisch laboratorium gebouwd. Hij had zeer veel invloed op het onderwijs en hechtte grote waarde aan persoonlijk contact met zijn studenten. Hij stond zeer kritisch tegenover niet voldoende gefundeerde theorieën en vooral tegenover methoden die niet genoeg rekening hielden met het niveau van zijn studenten. Daarom liet hij dezen betrekkelijk eenvoudige kwantitatieve bepalingen uitvoeren, die door de praktijk als betrouwbaar waren erkend om hun zo het zelfvertrouwen te geven dat hij nodig vond voor het welslagen van hun studie. Hoewel hij daardoor in zijn onderwijs min of meer behoudend bleef, was zijn wetenschappelijk werk in hoge mate origineel en van grote betekenis voor de analytische scheikunde.

P: Een bibliografie van zijn publikaties in J.C. Poggendorff, Biographisch-literarisches Handwörterbuch... (Berlin, 1938) VI, kol. 1712.

L: W.P. Jorissen, 'De toekenning van den Hoogewerfi-penning aan Prof.Ir. H. ter Meulen', in Chemisch Weekblad 27 (1930) 439-440; J. Böeseken, 'Professor Dr.Ir. Henri ter Meulen 30 Nov. 1871-30 Nov. 1941', ibidem 38 (1941) 678-679; H.J. Ravenswaay, 'Bij den 70sten verjaardag van professor Dr. Henri ter Meulen', ibidem 38 (1941) 679; J. Böeseken, ibidem 39 (1942) 442; J. van der Hoeve, Verslag van de gewone vergadering der afdeeling natuurkunde op 27 juni 1942. Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 51 (1942)38-39.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013