Moes, Ernst Wilhelm (1864-1912)

MOES, Ernst Wilhelm (1864-1912)

Moes, Ernst Wilhelm, kunsthistoricus (Amsterdam 5-9-1864 - Amsterdam 30-10-1912). Zoon van August Leopold Moes, koopman in manufacturen, en Maria Mathilda Christina Gertrud Breitenstein. Gehuwd op 10-9-1896 met Cornelia Rembrandina Valeton. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren.

Ernst Moes werd na zijn gymnasiumopleiding in de hoofdstad in 1881 ingeschreven als student aan de Universiteit van Amsterdam, aanvankelijk in de juridische, maar vanaf 1882 in de literaire faculteit. Hier onderscheidde hij zich minder door zijn studieresultaten dan door zijn organisatorische activiteiten; in 1882 richtte hij het historisch studentendispuut CLIO op, dat onder zijn leiding een collectie voorwerpen betreffende de geschiedenis van de Universiteit aanlegde. In het begin van 1885 gaf Moes de studie op en ging hij als volontair werken bij het veilinghuis Frederik Muller. In hetzelfde jaar publiceerde hij zijn eerste artikel in Oud-Holland, een studie over de eerste Amsterdamse hoogleraar in de mathematische wetenschappen uit de 17e eeuw. Een jaar later volgde een publikatie, handelende over het tekeningenalbum van de familie Ter Borch. In 1886 aanvaardde hij de functie van adjunct-archivaris van Rotterdam, maar in 1890 keerde hij terug naar Amsterdam, waar hij onderbibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek werd.

In 1897 verscheen de eerste aflevering van de Iconographia Batava, een door Moes samengestelde lijst van geschilderde en gebeeldhouwde portretten van Nederlanders van vóór 1800, een werk dat in 1905 werd voltooid. Dank zij ijverig speurwerk in musea en particuliere collecties, een uitvoerige correspondentie en een bestudering van de literatuur en van de naar schilderijen gemaakte prenten heeft Moes in dit tweedelige boekwerk een weliswaar onvolledig, maar niettemin uiterst nuttig en tegenwoordig nog steeds gebruikt naslagwerk voor de portreticonografie geleverd. Intussen verschenen er diverse kunsthistorische artikelen van zijn hand in het tijdschrift Oud-Holland, waarvan hij vanaf 1893 tot zijn dood naast A. Bredius redacteur was. In 1894 organiseerde Moes met C. Hofstede de Groot de tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht, een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van de bestudering van de oude Nederlandse schilderkunst. Ook voor de studie van de boekgeschiedenis maakte hij zich verdienstelijk, vooral door De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in de zestiende eeuw, waarvan de eerste aflevering verscheen in 1896 en waarvan de bewerking vanaf dl. 2 werd overgenomen door C.P. Burger jr. Op het terrein van de plaatselijke geschiedenis was Moes eveneens actief; in 1897 begon hij met de uitgave van een nieuwe serie van het Amsterdamsch jaarboekje, dat bleef bestaan tot 1904, toen de taak ervan was overgenomen door het jaarboek van het mede door Moes gestichte Genootschap Amstelodamum.

In 1898 aanvaardde Moes de functie van onderdirecteur van het Rijksprentenkabinet en in 1903 werd hij directeur van deze instelling als opvolger van Philip van der Keilen. In deze functie richtte hij zich allereerst op de ordening en het toegankelijk maken van de in de voorafgaande decennia sterk gegroeide verzamelingen en op de opvulling van een aantal belangrijke lacunes, zoals bijvoorbeeld de zwarte-kunstprenten en de 19e-eeuwse Nederlandse en Belgische prentkunst. Voor de ordening van de tekeningenverzameling introduceerde hij een min of meer chronologisch systeem in plaats van het daarvóór gehanteerde strikt alfabetische. Ook in de jaren waarin hij bij het Rijksprentenkabinet werkte bleef Moes als publicist actief. Er verscheen van zijn hand een reeks artikelen van kunsthistorische en historische aard in verscheidene tijdschriften, terwijl in 1909 zijn monografie Frans Hals: sa vie et son oeuvre het licht zag, een wat droge, maar degelijke beschrijving van de kunstenaar en zijn werk. In hetzelfde jaar verscheen zijn in samenwerking met E. van Biema samengestelde boek over de voorgeschiedenis van het Rijksmuseum, getiteld De Nationale Kunst-Gallerij en het Koninklijk Museum. Belangrijker echter was zijn medewerking aan het vanaf 1907 onder redactie van U. Thieme en F. Becker verschijnende Allgemeines Lexikon der bildenden Künstler, waarin Moes tot zijn dood het merendeel van de artikelen over Nederlandse kunstenaars voor zijn rekening nam, bij elkaar vele honderden bijdragen van soms slechts enkele regels, maar soms ook van ruime omvang. Soortgelijk werk verrichtte hij voor het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, waarvan echter alleen het eerste deel nog tijdens zijn leven verscheen. Ook enkele andere uitgaven, zoals de samen met prof. W. Martin uitgegeven reeks Oude schilderkunst in Nederland en het met de architect K. Sluyterman samengestelde werk Nederlandsche kasteelen en hun historie, kon Moes niet meer voltooien. Reeds in de winter van 1912 was bij hem tbc geconstateerd; hij verbleef daarna enige tijd in een sanatorium, maar keerde na ruim een halfjaar terug in Amsterdam, waar hij in oktober van hetzelfde jaar overleed.

Talrijk waren de bestuurs- en redactiefuncties die Ernst Moes in de loop der jaren heeft bekleed. Naast de hiervoor al genoemde bezigheden kunnen worden vermeld de besturen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, de Bond Heemschut en de Vereeniging van Noord-Nederlandsche Muziekgeschiedenis, alsmede de redactie van het Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond. Een andere belangrijke activiteit was zijn medewerking aan de illustratie van vele boekwerken van historische aard.

Moes wordt gekarakteriseerd als een rusteloze werker, die voortdurend bezig was met het vergaren van documentatie en steeds klaar stond anderen te helpen met zijn kennis en gegevens. De betekenis van Moes ligt, behalve in de uitbreiding en herordening van de verzamelingen van het Rijksprentenkabinet, vooral in de zorgvuldige en van een brede belangstelling getuigende documentatie die hij in de loop der jaren bijeenbracht en in een grote reeks van publikaties neerlegde.

A: Aantekeningen, waaronder materiaal ter aanvulling van de Iconographia Batava en voor volgende delen van de Thieme-Becker, in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam en in het Iconographisch Bureau te 's-Gravenhage.

P: Beknopte bibliografie in de hieronder genoemde publikatie van J. Six.

L: C.P. Burger, in Het Boek 2e reeks 1 (1912) 353-358; N. Beets, in Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond 2e serie 6 (1913) 35-41; A. Bredius, in Oud-Holland 31 (1913) 1-3; J. Six, in Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1913-1914, 1-17; K.G. Boon, in Gids voor het Rijksprentenkabinet (Amsterdam, 1964) 25-26; O.L. van der Aa, 'Feiten en konterfeitsels', in Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 27 (1973) 33-34.

R.E.O. Ekkart


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013